Een verliefde kleuterleidster.

Sinds enkele weken kreeg de kapelaan, een paar dagen in de week, bezoek in zijn biechtstoel van de kleuterleidster van de bij-parochie waar hij min of meer pastoor van was.De zonden die zij biechttte waren de zogenaamde pekelzonden, die iedereen wel deed en vaak meerdere malen per dag. Geen reden om dat te biechten. Wie gebruikte niet eens een krachtterm? Wie maakte nooit eens ruzie om kleinigheden? Wie vergat er nooit eens een verjaardag?
Om dergelijke kleine vergrijpen ging het, heel menselijk en onschuldig.
De kapelaan wist niet wat hiervan de denken maar vroeg wel aan de biechteling om dit soort dingen niet meer te komen biechten. De kleuterleidster vond het wel jammer want zo zei ze:"ik streef een zeker heiligheid na". De kapelaan begreep dit allemaal wel maar zag haar voorlopig liever niet meer in de biechtstoel. Als er een probleem was dan moest ze maar een afspraak met hem maken.
Een paar dagen later, de kapelaan was op school voor de katechismusles, sprak de kleuterleidster hem aan. Zij had een groot probleem en wilde de kapelaan daarover nadrukkelijk spreken. Graag zou ze zien dat de kapelaan bij haar thuis kwam om samen het probleem te bespreken. Een afspraak was snel gemaakt en de datum werd vastgelegd.
Enigszins nieuwsgierig ging de kapelaan op weg naar zijn afspraak met de kleuterjuf. Toen ze de deur opende zag hij een uiterst zorgvuldig en opgemaakte juf, die hem enthousiast begroette. Zo kende hij haar niet.
Meestal had ze een eenvoudige jurk aan.
Ze zag dat hij naar haar keek en legde zijn verwondering uit als bewondering voor haar. Ze vroeg of hij wat wilde drinken; koffie? Thee misschien of zelfs al een glaasje wijn?
Hij koos thee en nam plaats op de bank. Een stoel zag hij niet, alleen enkele bij de eettafel. Nadat ze thee had ingeschonken, nam ze naast hem plaats. Het viel hem op dat ze kort naast hem kwam zitten inplaats van in de andere hoek van de bank.
Ze plaatste haar hand op zijn been en begon te spreken.
"Ik heb een groot probleem en dat wil ik met je delen" De kapelaan die de hand op zijn been voelde rusten, voelde zich ongemakkelijk en hoorde ook het woordje "je" inplaats van "u".
Toen hoorde hij haar zeggen, meer fluisteren eigenlijk,"ik ben verliefd op je en dat is mijn probleem". En ze voegde er aan toe: "ik was ook verliefd op de vroegere kapelaan, ik heb iets met priesters".
Hij hoorde zichzelf zeggen dat verliefd zijn niet erg is, dat hij dat zelf ook wel eens was maar dat de omgang met dergelijke gevoelens niet zo makkelijk is. Op priesters verliefd worden en nu dus op hem vond hij wel wat raadselachtig. Zij legde uit dat dit kwam door de zachte geaardheid van de priester en dat zij zich daartoe aangetrokken voelde. Hij probeerde haar te begrijpen en zei haar dit ook maar legde ook uit dat een zacht karakter niet direct een eigenschap was van het priester-zijn, veeleer van de persoon zelf. Hij zei haar bovendien allesbehalve verliefd te zijn op haar, haar wel heel aardig vond en heel goed als kleuterjuf. Een uur lang probeerde hij haar te overtuigen van een voorbijgaande verliefdheid en dat de juiste persoon vast nog wel in haar leven zou komen. Ze was jong en aantrekkelijk, daar zou het niet aan liggen.
Ze bedankte hem voor het gesprek, was ook opgelucht en vond dat hij heel goed had gereageerd. Hijzelf vond dat er een zekere intimiteit tussen hen was ontstaan doordat ze zo openlijk haar hart had laten spreken.
Enkele weken na hun gesprek belde ze hem op om te zeggen dat ze niet meer verliefd was op hem maar hem wel wilde zien als een goede vriend. Hij antwoordde dat hem dit goed deed en vriendschap zeer op prijs stelde.
Opgelucht haalde hij adem.



















