Door langgestrekte velden kan ik je altijd weer ontmoeten.
Jij die ene met zulke mooie lange armen die me verwelkomen. Ik kan eindeloos genieten van het ritselen der bladeren. En zie je gehuld in zachtgroene kleuren, omringd door het meest dierbare in mijn leven, de natuur. Je maakt dat ik eindeloos wil dolen of gewoon een tijd bij je stil blijf staan, om je te bekijken, te bestuderen. In de verte en in de vroegte der ochtendgloren zie ik je contouren scherp afgetekend door de nevel, een dun laagje dauw glinsterend in de zon als het eerste goud maakt hoezeer ik van je geniet. Je bent getekend door vele gezichten, je straalt dan weer triestheid uit en dan weer vrolijkheid en schoonheid uit. Ik vind je immer mooier. Besef me ineens dan weer hoe ik me kan verwonderen over jou en je schoonheid dat natuur heet. Ik realiseer me jouw kostbaarheid, maar het kan mijn hart vervullen met triestheid als ik moet toekijken hoe ze jouw wonderschone takken willen afzagen, om vervolgens dood op de grond te moeten neervallen. Ik vraag me dan af hoeveel pijn je wel niet moet lijden. Of hadden bomen nu geen gevoel? Ik denk dat het je hart in twee moet splijten te moeten voelen wat ze met je doen. Daar is immers de natuur niet voor geboren, immers er is al zoveel verloren. Steeds weer denk ik als ik jou zie, hoelang zal je nog mogen blijven leven? Hoelang mag je nog bestaan? Ik denk dan in vredesnaam wat doen we de natuur toch aan. In gedachten mijmer ik verder weg en kan het niet laten je geuren te mogen opsnuiven, nog altijd geniet ik van je en kan ik het niet laten respect voor je te hebben. Mijn wonderbaarlijke heerlijke boom! Bevangen door het ochtendgloren en ik het genot mag ervaren van het zonlicht dat de dans der dansen met jouw bladeren speelt. Oh wat ben je toch mooi. Mijn boom!
Eerst zien, dan geloven! Een kerstverhaal!

| Kleine kinderen scharen zich om mij heen, vol verlangen zie ik hun ogen. "Vertel je een verhaaltje?" vragen ze. Het huis is verlicht vol kerstlichtjes, de kaarsen branden en het hout knappert in de open haart. Een kop chocolade melk, wat lekkers erbij. Het is immers kerstavond. "Wat ga je nu voorlezen?" "Kinderen ik lees niet voor, maar vertel je een verhaaltje", maar wel eentje die echt gebeurt is ver terug in de geschiedenis". Vol goede moed verzamel ik mijn woorden zorgvuldig bij elkaar. Ik stel de vraag of ze weten wat Kerstmis nu eigenlijk is, de kinderen hebben dus geen benul behalve dan te zeggen, vol enthousiasme roepen ze, omdat de kerstboom versierd is en we een heleboel lichtjes opsteken". "Dat gaat maar voor een deel op", zeg ik. Maar goed, ik zal jullie een verhaaltje vertellen. Heel lang geleden gingen gingen twee mensen op reis; Jozef en Maria. Ze gingen naar Bethlehem. Dat moest. De keizer van het land waar ze woonden, wilde weten over hoeveel mensen hij de baas was en daarom moest iedereen zijn naam laten opschrijven in de plaats waar hij vandaan kwam. Jozef kwam uit Bethlehem en daarom was hij, samen met Maria op reis gegaan. Het was een verre reis. En Maria was moe. Ze verwachtte een kindje en dat zou gauw geboren worden. Gelukkig hadden ze een ezel meegenomen. Daar kon Maria op zitten, als haar voeten pijn gingen doen en haar buik zo zwaar voelde. Als ze eindelijk in Bethlehem aankomen is het al bijna donker. Het is er druk, er zijn veel mensen die een plaats zoeken voor de nacht. Jozef kijkt bezorgt naar Maria. Wat zullen we doen? "We blijven hier niet", zegt Maria. "Ik wil ergens zijn waar het rustig is. Ik voel dat het kindje gauw geboren zal worden, weet jij geen goed plekje?" Jozef denkt even na. "Kom ", zegt hij dan. Hij neemt de ezel bij de teugels en samen gaan ze het stadje weer uit, naar het grote veld rond Bethlehem. Daar vinden ze een klein huisje. Een schuilplaats voor de herders en de schapen als het slecht weer is. Het is er niet mooi. Maar het is er warm en rustig en er is schoon, zacht hooi om een bed van te maken. Maria kijkt rond en lacht tegen Jozef. "Hier is het goed", zegt ze. In die nacht wordt Maria's kindje geboren. Ze heeft geen mooie kleertjes meegenomen voor het Kindje, maar ze heeft wel zachte doeken, waar ze het Kindje inwikkelt. Daarna legt ze het voorzichtig in een kribbe, die Jozef gevuld heeft met het zachtste en schoonste hooi dat hij kon vinden. Ze kijken naar elkaar. Ze zijn blij en gelukkig. "We noemen hem Jezus", zegt Maria. En Jozef knikt. Buiten op het veld zijn de herders. Ze passen op hun schapen. Het is een heel gewone nacht. Dan ineens... is er een helder licht, alsof het dag wordt. En daar staat een engel voor hen. Een engel die licht uitstraalt naar alle kanten. De engel zegt: "Wees maar niet bang . Ik kom jullie een boodschap brengen van God. Jullie zullen allemaal erg blij zijn. In Bethlehem is een bijzonder Kindje geboren. Een Kind dat alle mensen gelukkig zal maken. Ga Hem zoeken. Zijn naam is Jezus en Hij ligt in een kribbe". Opeens is er nog meer licht en de lucht is vol met engelen. Samen zingen zij een lied: "Ere zij God. God houdt van de mensen. Vrede op aarde waar alle mensen zo naar verlangen!" Zo het kaarsje blies het verhaaltje weer uit, waarna de opmerking volgde! "Eerst zien, dan geloven". Ja maar protesteerde ik, als ik jou wat vertel geloof je mij toch ook? "Ja, natuurlijk maar we kunnen jou toch zien"? Dus als ik jullie vertel dat je neefje naar de hemel gegaan is, dan geloven jullie dat ook niet? De kinderen antwoorden, "jawel dat geloven wij wel'. Dus niet eerst zien en dan geloven? Maar dan weten jullie ook niet dat Jezus niet zou bestaan? Het antwoord bleef uit en de discussie was ten einde. ![]()
|
























