Paul van Ostaijen (1896 - 1928)


De dandy Paul van Ostaijen
Leopold Andreas van Ostaijen werd op 22 februari 1896 geboren in de Lange Leemstraat 53 te Antwerpen, als zoon van een Nederlandse vader (uit Noord-Brabant) en een Limburgse moeder. Paul (Leopold) was hun zevende en laatste kind.
Eerst volgde hij les op katholieke scholen, maar hij was geen voorbeeldige leerling. Zijn medeleerlingen keken op naar Gezelle en Van de Woestijne, terwijl hij dweepte met Else Lasker-Schüler, Rilke, Rimbaud en Verlaine. Ondermeer omdat hij verboden lectuur las en verspreidde, werd hij van het jezuïtencollege gestuurd. Vervolgens ging hij naar het koninklijk atheneum, waar hij zich met geestverwante medescholieren aansloot bij de 'Vlaamsche Bond'. Hij voltooide echter zijn middelbare schoolopleiding niet en ging aan de slag als bediende op het stadhuis van Antwerpen.
Tijdens Wereldoorlog I publiceerde hij verschillende artikels in 'De Vlaamsche Gazet' en 'Het Laatste Nieuws'. Hij was medewerker van 'Carolus', 'Antwerpsche Courant', 'Ons Land', 'Ons Leven', Het Vlaamsch Leven', 'Aula' en 'De Goedendag'. In dit laatste maandblad profileerde hij zich als flamingant en Groot-Nederlander. Er was een schril contrast tussen het bruisende uitgaansleven in het statiekwartier met zijn café Hulstkamp op de de Keyserlei en zijn music halls aan de ene kant, en de somberheid van 'de bezette stad' aan de andere kant. Paul van Ostaijen gedroeg zich in die schizofrene sfeer echter als een flamboyante dandy, die gretig van het nachtleven (en van cocaïne) proefde.

Antwerpen bezette Stad - Oktober 1914 na een zwaar bombardement rukken de Duitse troepen op naar het hart van de stad : de Grote Markt.
Zijn eerste journalistieke en vooral door het Duitse expressionisme beïnvloede literaire bijdragen verschenen in flamingantische bladen. Hij debuteerde in 1916 met de bundel Music-Hall, die in 1918 werd gevolgd door "Het Sienjaal". In november 1917 was hij betrokken bij een activistische betoging tegen kardinaal Mercier, wat hem een geldboete en veroordeling tot gevangenisstraf opleverde. Vlak voor het einde van de Eerste Wereldoorlog (november 1918), vluchtte hij met zijn vriendin Emmeke Clément naar Duitsland, om vervolging in België te ontlopen.

Emmeke Clement
Na hun aankomst in het Potsdamer Bahnhof in Berlijn betrokken Van Ostaijen en Emmeke een goedkope kamer in de Wilhelmstrasse, waar ze een half jaar verbleven. Nadat ze ruzie kregen met hun hospita verhuisden ze naar de Joachim Friedrichstrasse waar ze twee kamers huurden. Van Ostaijen kon ook in Berlijn niet van de cocaïne afblijven. Een vriend, de niet onbemiddelde Peter Baeyens, bracht hem vanuit Antwerpen meermaals een bezoek en bezorgde hem de begeerde marchandise.
Berlijn was toenmaals een zeer grimmige maar artistiek bloeiende stad waar hij in armoede leefde. Zijn baantjes als sigarettenventer, oppikker (schlepper) voor een nachtlokaal en schoenverkoper zijn waarschijnlijk ontsproten aan zijn dichterlijke fantasie. Hij leefde namelijk op de kap van Emmeke die werkte als mannequin bij het modehuis Hammer. Daarnaast schnabbelde zij als fotomodel want zij was een mooie frivole vrouw.
In de straten van Berlijn op het einde van de Grote Oorlog
In Berlijn radicaliseerde Van Ostaijen op politiek en artistiek gebied. Hij sympathiseerde met de Spartakisten Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg en maakte de bloedige onderdrukking van hun revolutie mee. Zijn humanitaire idealen, zoals hij die had geformuleerd in 'Het Sienjaal', leden schipbreuk waardoor hij in een crisis geraakte. Daarenboven was hij dikwijls ziek, had heimwee en in zijn relatie met Emmeke was het ook niet altijd rozengeur en maneschijn. Deze laatste leerde in april 1919 namelijk een Duitse fysicus kennen waarmee ze in 1923 in het huwelijk trad.
Van Ostaijen had ook contacten met verschillende Duitse kunstenaars, ondermeer in 'Café des Westens' waar hij geregeld kwam. Hier ontmoette hij ondermeer de dichteres Else Lasker-Schüler, die geen goede indruk op hem maakte en die hij beschreef als ‘een klein, vuil jodin’. In Café des Westens maakten de Antwerpse geliefden ook kennis met de twintig jaar oudere dichter en kunstcriticus Theodor Däubler, waar zij enkele keren op visite gingen. Van Ostaijen was ook bevriend met Heinrich Campendonk en Frits Stuckenberg. Vooral met de schilder Stuckenberg, aan wie hij verschillende gedichten opdroeg, kon hij goed opschieten. Deze laatste maakte ook een schilderij waarop Paul en Emmeke zijn afgebeeld. Het erotisch geladen werk bevindt zich in het 'Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte in Oldenburg' (Bildnis P. und E. van Ostaijen).
Van Ostaijen was in het door hem verfoeide Berlijn niet de spil van het artistieke gebeuren, wat in Antwerpen wel het geval was geweest. Desalniettemin was het in Berlijn, dat hij zijn dadaïstische meesterwerk 'Bezette Stad' schreef. Het is een bundel over Antwerpen in oorlogstijd. De overheersende thematiek is het nihilisme in al zijn vormen. Typografisch was deze bundel nog opvallender dan 'De Feesten van Angst en Pijn'. Van Ostaijen gebruikte niet alleen verschillende lettertypen en kleuren, maar ook bizarre woordassociaties. Hier en daar werkte hij fragmenten van gedichten zelfs uit tot affiches, zodat ze op reclameslogans leken.
Hij kwam naar België terug in 1921 na een amnestie en volbracht met tegenzin zijn dienstplicht in het Belgische leger. Na zijn terugkeer keerde van Ostaijen zich geleidelijk af van Dada. Hij propageerde dan de 'zuivere lyriek': "Poëzie is woordkunst en geen middel om andere doelen te bereiken zoals vrijheid en/of destructie." Hij beschouwde poëzie als een soort mystieke extase.
"Poëzie heeft eigenlijk niets te vertellen, buiten het uitzeggen van het-vervuld-zijn-van-het-onzegbare."
Na 1923 schreef hij meestal grotesken (onder meer de postuum uitgegeven korte roman 'De Bende van de Stronk'), In 1924 was hij beheerder in een Antwerps boekenantiquariaat. Daarna (1925) baatte hij in Brussel `A la Vierge poupine' uit, dat in de loop van 1926 werd opgedoekt. In deze galerie organiseerde hij exposities van internationaal bekende schilders en beeldhouwers en gaf hij lezingen over moderne kunst en poëzie. Hij publiceerde daarnaast ook proza, gedichten, essays en scherpe recensies in meerdere bladen.
Eind 1925 bleek hij te lijden aan longtuberculose. Hij bleef doorwerken, tot hij in 1927 meermaals rust moest zoeken op het platteland.
Vanaf september 1927 verbleef hij in het sanatorium Le Vallon in Miavoye Anthée. Zelfs in deze penibele omstandigheden werkte hij nog mee aan het tijdschrift 'Avontuur', dat hij samen met Gaston Burssens (1896-1965) en Edgar du Perron (1899-1940) had opgericht.
Paul van Ostaijen overleed geheel onverwacht in het sanatorium in de nacht van 17 op 18 maart 1928.
Spleen pour rire
Het meisje dat te Pampelune geboren tans te Honoloeloe woont
en in een rode lakkooi gevangen houdt
een kobaltblauwe papegaai
- zij schilderde hem met Ripolinkoeleuren
zoals gezeid de veren blauw
de snavel en de poten geel -
het meisje van Pampelune te Honoloeloe
dat om haar hoge hals heeft een krans van purperen anemonen
op haar opalen borst kleine barokkoralen
en om haar dijen niets
(Vogelveren dorsten haar dijen niet te dragen
zo zeer zijn dun haar dunne dijen)
dit pampeluner meisje dat te Honoloeloe woont
ken ik niet
Priez toujours pour le pauvre Gaspard
Il n'est pas encore mort ce soir
Sophie-Fritz Stuckenberg zu eigen













