Wurlitzerdromen


Goede morgen lieve dromertjes,
Rond Kerstmis voel ik mij niet verplicht jullie jeugdige en zondige herinneringen op te frissen. Ik ben dan niet in stemming voor zoiets frivools.
Vandaag bied ik jullie een zanger aan, waarvan bij ons thuis verschillende elpees in de platenkast stonden. Hij was dan ook een internationale ster, zij het met een korte vervaldatum.
Alfredo Arnold Cocozza werd geboren op 31 januari 1921 in Philadelphia, Pennsylvania, als zoon van Italiaanse immigranten. Zijn groot muzikaal talent leidde al op tienerleeftijd ertoe dat hij deel uitmaakte van de YMCA Opera Company; dirigent Serge Koussevitzky merkte hem en zorgde ervoor dat de jongen in 1942 een studiebeurs voor het Berkshire Music Center kreeg. In datzelfde jaar maakte hij zijn operadebuut als Fenton in Otto Nicolai’s opera "The merry wives of Windsor", na een instudeerperiode van slechts 6 weken. Het was toen dat hij zijn artiestennaam aannam, die hij ontleende aan de meisjesnaam van zijn moeder Maria Lanza.
Zijn carrière stond tot na de tweede wereldoorlog even op pauze. Vanaf oktober 1945 herbegon Mario Lanza alsof hij nooit – noodgedwongen weliswaar – opgehouden had met optredens bij het CBS-radioprogramma en 15 maanden studie bij Enrico Rosati. Van juli 1947 tot mei 1948 trok hij met bariton George London en lyrische sopraan Frances Yeend op tournee in de VS, Canada en Mexico met in totaal 86 concerten. Louis B. Mayer van MGM filmstudio’s merkte hem op en bood hem een filmcontract aan. Hierdoor verbleef hij zes maanden in de studio’s en aanvankelijk was dit nog wel te combineren met zijn operacarrière. In 1948 nam hij twee keer de rol van Pinkerton uit Madama Butterfly op zich voor de New Orleans Opera Association. Ook ging hij nog door met het geven van soloconcerten, terwijl hij bovendien samen met George London en Frances Yeend het Bel Canto Trio vormde. In mei 1949 maakte hij zijn eerste commerciële opname voor RCA Victor. Zijn eerste twee films, That Midnight Kiss en The Toast of New Orleans, kenden veel succes, evenals zijn platen, en Mario Lanza's roem nam enorm toe.
In 1951 vertolkte hij Enrico Caruso in The Great Caruso met de frêle An Blyth en dit bleek een verbluffend succes. Tegelijkertijd stelde Lanza's populariteit hem bloot aan felle kritiek van muziekrecensenten, onder wie dezelfden die jaren tevoren zijn werk hadden geprezen.
In 1952 kreeg Lanza, nadat hij de liederen voor The Student Prince had opgenomen, ontslag bij MGM. Daarop werd de film opgenomen met de acteur Edmund Purdom, die Lanza's zang playbackte. Aan de rand van het bankroet wegens slechte beleggingsbeslissingen door zijn voormalige manager en met een belastingsschuld van ca. $ 250.000 trok Mario zich even terug in de anonimiteit.
Zijn volgende film Serenade had niet het verhoopte succes. Lanza vertrok in mei 1957 naar Rome, waar hij acteerde in de film Seven Hills of Rome, hard werkte en zich weer richtte op een concertenreeks in heel Europa. Hij oogstte veel bijval. Aan het begin van 1958, deed hij auditie bij de Scala van Milaan en kreeg onmiddellijk een contract van twee jaar aangeboden. De eerste opera waarvan sprake, was Tosca van Puccini.
Later dat jaar kwam Lanza ook overeen dat hij het seizoen 1960/61 van de Opera van Rome zou inluiden als Canio in I Pagliacci. Maar toen begon zijn gezondheid achteruit te gaan; de tenor ging aan een aantal kwalen lijden, waaronder flebitis en acute hoge bloeddruk. In april van het volgend jaar, 1959, kreeg Lanza een lichte hartaanval, in augustus van hetzelfde jaar dubbele longontsteking. In oktober stierf hij in Rome, 38 jaar oud, aan longembolie nadat hij trachtte gewicht te verliezen met een verdacht vermageringsprogramma. De sopraan Maria Callas zei later: "Wat me het meeste spijt, is dat ik geen gelegenheid heb gehad om samen te zingen met de grootste tenor die ik ooit heb gehoord."
Mario Lanza heeft in zijn korte carrière geschitterd in opera, radio, concerten, opnames en films. Hij was de eerste RCA Victor Red-Seal-artiest die een gouden plaat ontving; tevens was hij de eerste van wie 2.500.000 platen werden verkocht. Hij inspireerde generaties operazangers zoals Placido Domingo, Luciano Pavarotti, Leo Nucci en José Carreras.
Hij stond bekend als “rebels, hard en ambitieus” en gedurende de jaren van zijn filmcarrière was hij verslaafd aan eten en alcohol. Een ontembaar man. Het lot was niet vriendelijk voor het gezin Lanza. Zijn weduwe, Betty, keerde terug naar Hollywood met hun vier kinderen, maar stierf vijf maanden later, 37 jaar oud, aan verstikking door ademhalingsmoeilijkheden. In 1991 stierf de jongste zoon Marc aan een hartaanval, ook slechts 37 jaar jong en zes maanden later de oudste dochter Colleen, 48 jaar, bij een aanrijding. Damon Lanza, de oudste zoon, stierf in augustus 2008, aan de gevolgen van een hartaanval op 55 jarige leeftijd.
Hoe noemt men dat? Schicksal, destiny, kismet, lot of brute pech? Laten we dankbaar zijn voor de jaren dat Mario Lanza iets betekend heeft op aarde, voor de vreugde en de blijdschap, die hij nog steeds in onze harten brengt. Zeker nu, met Kerstmis.
Mario Lanza zingt voor ons: Hark! The Herald Angels.
Ik wens jullie allemaal een zalig en vredig Kerstfeest. Dikke knuffel van jullie
Lolita









