
Het Franse parlement heeft een wettelijk verbod op het ontkennen van volkerenmoord gestemd; verwacht wordt dat de stemming in de senaat voor begin 2012 is. Volgens de nieuwe regel hangt personen die een volkerenmoord ontkennen een gevangenisstraf boven het hoofd van een jaar en een boete van € 45.000. De loochening van de genocide op de Armeniërs is een officiële Turkse staatsdoctrine en de Ottomaanse leider reageerde op de Franse stemming dan ook als werd hij gestoken door een schorpioen. De Turkse ambassadeur werd terug naar huis gefloten; het is onbekend wanneer hij mag terugkeren naar de Lichtstad.
Erdogan pareerde de Franse zet met een aanvalsbeweging: hij vindt nl. dat de Fransen zelf boter op hun hoofd hebben, namelijk tijdens hun koloniale periode in Algerije.
Wij gingen te rade bij de Franse Afrika-expert Bernard Lugan, die zo vriendelijk is het gat in de geschiedenisopvoeding van Erdogan te willen opvullen : in Algerije waren het immers de Turken die zelfs eeuwenlang de daar woonachtige volkeren brutaal onderdrukt hebben.
De gratuite verklaringen van Erdogan over de “volkerenmoord”, die de Fransen in Algerije zouden begaan hebben, zijn het bewijs van zijn hysterie en van een groteske geschiedenismanipulatie. Bovendien bevindt Erdogan zich in een uiterst zwakke positie als hij het over een volkerenmoord in Algerije heeft, want het gaat hier juist om een gebied dat drie eeuwen lang een Ottomaanse kolonie geweest is met de benaming “Regentschap Algiers” (resp. Wilayat al-Djezair in het Arabisch of Gezayir-i Garp in het Turks) en waar de heerschappij der Turken en Janitsaren (http://nl.wikipedia.org/wiki/Janitsaren) gekenmerkt werd door bijzonder brutale en meedogenloze praktijken. De dei, de regent, was ondergeschikt aan de Turkse sultan, maar kon in feite zelfstandig regeren. Hij werd gekozen door de Turkse bovenlaag, de Janitsaren.
De Kabielen, een lokale Berberstam, kwam snel in opstand tegen de Turkse koloniale heerschappij. In 1520 kwam het tot de eerste opstand onder Sidi Ahmed, ook “el Kadhi” genoemd, die er zelfs in slaagde de hoofdstad Algiers in te nemen en de lokale machthebber Chaireddin Barbarrossa naar Djidjelli terug te dwingen. Deze Barbarossa was ook een berucht zeerover en werd later in Tunis (1535) door de Spaanse vloot van Karel V en de Johannieter ridders uit Malta overwonnen. Zij lieten hem in leven en dat zou hen nog zuur opbreken.

In het jaar 1609 streden de Kabielen opnieuw bij Algiers en tussen 1758 en 1770 ging heel het Kabielengebied tegen de Ottomanen in opstand. In het begin van de 19de eeuw kwam het opnieuw tot verzet, vooral tussen 1805 en 1813, vervolgens in het jaar 1816 en ten slotte in 1823. Ook in de bergen van Aurès, in Oost-Algerije, waar de Berberstam der Chaouias erin slaagde de Ottomaanse aanwezigheid te verhinderen. Enkel de stad Constantine bleef een uitzondering omdat hier de Turken met de lokale Zemoelenstam een verbond gesloten hadden, wat niet verhinderde dat de andere Kabielenstammen voortdurend tegen hen in opstand kwamen.
De Turken probeerden alle opstanden in bloed te smoren, zoals zij het ook in Libië gepraktiseerd hadden. Hun strijdplan bestond uit deze tactiek: “De Turkse legereenheden en de Janitsaren gaan op oorlogspad met het zwaard, geweer en kanon, verbranden de oogsten en de dorpen, nemen gijzelaars, die ze op palen spietsen of onthoofden, stellen de afgeslagen hoofden ten toon. Een dergelijke geweldstoepassing moet de vastbeslotenheid van de heersers en de onomkeerbaarheid van hun heerschappij tonen.” (Martel, A.: ‘Souveraineté en autorité ottomane: la Province de Tripoli du Couchant (1835-1918)’).
In het Regentschap Algiers pasten de Turken bovendien een strikte rassenscheiding toe; die moest verhinderen dat de heersende elite van de Ottomaanse militaire regering (Janitsaren) zich door huwelijk met de lokale bevolking zou vervluchtigen.

De gewelddaden der Turken beperkten zich niet tot de lokale Berberbevolking. Enkele voorbeelden:
- Na een belegering van drie weken, gaven op 27 mei 1529 de 25 overlevenden van een Spaanse bezetting, die een vesting in de baai van Algiers verdedigd hadden, zich over mits de belofte dat hun leven zou gespaard worden. Hun aanvoerder, graaf Martin Vargas, die zwaar gekwetst was, werd door Turkse soldaten met stokken doodgeslagen.
- De b.g. Chaireddin Barbarrossa mocht van de Spanjaarden in Tunis in leven blijven. Hij trok met zijn piraten naar Menorca, nam honderden inwoners gevangen en verkocht hen – mannen,vrouwen en kinderen, op de slavenmarkt van Algiers.
- In 1682 had de dei van Algiers Frankrijk de oorlog verklaard. Toen admiraal Duquesne bij Algiers aankwam, slachtten de Turken de Franse consul Jean Le Vacher, een priester, af en bonden hem voor de loop van een kanon.
- Ook in het jaar 1688, toen maarschalk d’Estrées in Algiers tegen de piraten streed, werden Franse gevangenen voor de kanonnen gebonden.
De zeeroverij bleef tot in het begin van de 20ste eeuw een essentieel bestanddeel van de politieke en economische bedrijvigheden van het Turkse regentschap in Algiers. En het was pure piraterij en geen gebruikelijke oorlogsbuit, want de rais, de piratenkapiteins, hielden zich op geen enkele wijze aan de strenge wetten van het zeerecht. Historisch onderzoek heeft aangetoond dat hun doel niet de door hun regering ondersteunde actie tegen vijandelijke schepen was, maar wel uitsluitend en alleen buit te verwerven. Met uitzondering van rais Hamidou, was geen enkele piraat van Algerijnse oorsprong, maar bestond uitsluitend uit volbloed-Turken en hun volgelingen.
Floriaan Terbeke
Bron: unzensuriert.at, www.bernardlugan.blogspot.com