Wurlitzerdromen


Kalimera
In deze barre tijden denk ik met weemoed terug aan het vriendelijke Griekenland van weleer. Het land was arm, waarschijnlijk even arm als nu, maar de prijzen waren laag en de dagelijkse realiteit zuiders-leefbaar. Het had de charme van een guitige straatjongen. Ook toen werd er gestaakt, de electriciteit viel regelmatig uit, er werd dan op kampeer gastoestelletjes gekookt. Het leek wel alsof de huizen een waarschuwende vinger naar de hemel staken want er stond dikwijls geen verdieping op. De ijzeren staven roestten in de beton en de celblokken tot er ooit een afwerking van de woning zou volgen. Men moest immers geen belasting betalen op de eigendom zolang er geen verdieping op gebouwd werd. En ze waren gastvrij, de Hellenen: quasi overal werd je uitgenodigd op een kopje koffie – Griekse koffie – (zeg nooit Turkse koffie in Griekenland) en een glas water. Ongecompliceerde tijden, zonder een Europees keurslijf.
Maar ik keer terug naar mijn Wurlitzerdromen met een zangeres en een lied, dat de toenmalige Griekse sfeer niet beter tot uitdrukking kan brengen. Maria Amalia Mercouri werd geboren in Athene op 18 oktober 1920. Van bij haar geboorte leek zij voorbestemd: haar vader, een voormalig cavalerie-officier, ging haar voor als volksvertegenwoordiger en minister en haar moeder stamde uit een vooraanstaande Atheense familie. Haar grootvader was er burgemeester.
Ze volgde een opleiding Drama en trouwde op 21-jarige leeftijd met Panos Harokopos, een grootgrondbezitter. Het huwelijk werd in 1962 ontbonden. Na haar studies stond ze op de planken van het Griekse Nationaal Theater, speelde overtuigend belangrijke rollen van beroemde schrijvers, zowel in Griekenland als in Parijs.
Haar eerste film was “Stella” in 1955 onder de leiding van Michael Cacoyannis, die later ook “Zorba, de Griek”, zou dirigeren. De film kreeg goede kritiek in Cannes, waar ze Jules Dassin, haar latere tweede echtgenoot, zou leren kennen. Hij gaf haar verschillende rollen, maar ze werd vooral bekend door “Nooit op zondag”. Zij kreeg voor haar rol de prijs van de beste actrice op het filmfestival van Cannes in 1960. Er zouden nog verschillende films en nominaties volgen. Het toneel bleef echter haar grote liefde.
Haar laatste film dateert van 1978 en in 1992 stond ze in Athene de laatste keer op de planken met “Clytemnestra”.
In verschillende theaterstukken en films zong zij ook: elk lied was een blijk van nationalisme. Tijdens de staatsgreep van de kolonels in 1967 bevond zij zich in de VSA. Samen met echtgenoot Jules Dassin startte zij een internationale campagne tegen de junta. De Griekse nationaliteit werd haar ontnomen, haar eigendommen in beslag genomen. Het echtpaar Dassin-Mercouri ging in New York City wonen. Na de val van het regime in 1974 keerden ze terug naar haar vaderland. Melina begon aan haar tweede carrière en werd één van de oprichters van de PASOK-partij (nationalistische socialisten). In 1977 werd zij in het parlement verkozen met het hoogste aantal stemmen in heel Griekenland. Vanaf 1981 mocht ze gedurende twee legislaturen het ministerie van cultuur leiden, de eerste Griekse vrouwelijke minister ooit. Tijdens die periode ijverde ze voor de terugkeer van de marmeren friezen en metopen van de Akropolis, die zich vanaf 1816 in het British Museum in Londen bevinden. Verantwoordelijk voor de verhuis naar London was kunstverzamelaar Lord Elgin, die het met de toenmalige Turkse bezetter op een akkoordje gegooid had. Hij nam en passant één van de kariatiden mee, iets wat de Grieken bijzonder zwaar op de maag ligt. Zij verwijzen naar een “kunstroof”, terwijl de Britten liever over “conservering” spreken.
PASOK werd vanaf november 1989 voor vier jaar naar de oppositiebanken verwezen. In 1993 mocht Melina weer op de stoel van de cultuurminister plaats nemen. Het zou ons in deze muziekrubriek te ver leiden haar politieke ambities en verwezenlijkingen op te noemen. Laten we het erop houden dat zij gedreven werd door een onstuitbare liefde voor haar land, volk en cultuur.
Melina Mercouri stierf op 6 maart 1994 in het Memorial Sloan-Kettering Cancer Center in New York City aan longkanker. Ze kreeg een staatsbegrafenis en werd te ruste gelegd in de “Eerste begraafplaats van Athene”, het oudste kerkhof waar iedereen van rang en stand, o.a. ook archeoloog Heinrich Schliemann (Nvdr: Mykene en het gouden Agamemnonmasker), begraven werd.
Lieve vrienden, open jullie hart voor “de laatste Griekse godin”, voor Μελίνα Μερκούρη met Ta pedia tou Pirea uit de film “Pote tin Kyriaki”, bij ons beter bekend als “Nooit op zondag”.
Filia ta leme syntoma.
Lolita


















