De bedenkers van de Amerikaanse populaire, en lichtjes iconoklaste serie The Simpsons zullen wel nooit gedacht hebben dat ze een conservatief politicus als Bart De Wever een kapstok zouden leveren om diens visie op de Vlaamse identiteit aan op te hangen. In een lezing n.a.v. de “Dag van de Geschiedenis”, gegeven op 13 maart j.l. te Brugge, poneert de N-VA-voorzitter de stelling dat we verhalen nodig hebben, die desnoods een loopje nemen met de historische waarheid, om ons een collectieve identiteit te smeden. Via een paar ezelsbruggetjes leidt die dan tot een “verbeelde gemeenschap” (sic) en zelfs tot een algemeen gedeelde volksmoraal.
De zgn. “deconstructivisten”, die de verhalen ontmaskeren en de solide identiteit aldus op losse schroeven zetten, vinden anderzijds in zijn ogen geen genade: ze worden ei zo na als nestbevuilers en volksvijandige Entarteten weggezet. Daar moeten wij, Vlaamse republikeinen én voorstanders van het kritisch denken, wel even met de ogen bij knipperen.
Rattenvangers
De Wevers tekst verscheen ook in De Standaard. De welles-nietes discussie die daarop in de opiniebladzijden werd gevoerd, is ondertussen een paar weken oud en al weer afgevoerd. Dat betekent niet dat het onderwerp zelf irrelevant geworden is. Bovendien vraagt dit om een nuance buiten de clichématige tegenstelling tussen rechts/Vlaams/conservatief en links/Belgisch/progressief.
Alles draait rond een tamelijk dubieuze verwijzing naar een aflevering van de Simpson-serie, waarin Lisa, de jongste en de slimste van de familie, het locale ikoon Jebediah Springfield aan een genadeloos achtergrondonderzoek onderwerpt, en vaststelt dat de mythe niet klopt met de realiteit. Toch zal zij op het einde capituleren, en publiek uitroepen: ‘Jebediah Springfield was a great man!’ Applaus op alle banken.
Moraal van het verhaal, zo zouden wij denken: het is moeilijk om tegen de stroom in te gaan. Maar Bart De Wever zag dat helemaal anders. In zijn optiek heeft Lisa eindelijk begrepen dat sociale samenhang gefundeerd is op “grote verhalen” die ons door de geschiedschrijving worden geleverd, maar waar politieke leiders en hun spindoctors morsig mee mogen omspringen. Dat kan ver gaan,- tot en met het retoucheren van foto’s en het negationistisch bijkleuren van de geschiedenisboeken, een bezigheid waar alle grote dictatoriale regimes in uitblonken, maar waar ook zogenaamde democratieën niet vies van zijn. Denk aan de officiële ontkenning van de Armeense genocide door de Turkse staat. Of dichter bij huis, Leopold II die in onze schoolboekjes nog altijd als een visionaire monarch en een groot ontdekkingsreiziger wordt omschreven.
Bij de Wever weet je nooit of de historicus zich achter de politicus verschuilt, of vice-versa. Het resultaat is hier evenwel een cynische kijk op mens, politiek en samenleving die erg doet denken aan het befaamde boek van Peter Sloterdijk “Kritiek van de Cynische rede”. Deze filosoof beschrijft hoe de drang tot zelfbehoud van de macht elke vorm van waarheidsinstinct plat walst. Politici liegen met het grootste gemak, omdat het tot een cultuur behoort waarin de efficiënte leugen wordt geprefereerd boven het onhandig omspringen met de waarheid. Gladde praatjes van rattenvangers lonen. De massamedia doen daarbij hun duit in het zakje en dikken de “verhalen” aan omdat, euh.., de lezer nu eenmaal graag verhalen leest. Leugentjes om bestwil dus.
Heimweefabriek
Dit vicieus mechanisme sluit naadloos aan bij het demagogisch concept van Bart De Wever: geef het volk wat het vraagt, en het zal u lonen. Op een bizarre manier combineert hij een postmodern relativisme (“Waarheid bestaat niet; waar is alleen, wat werkt”) met een 19de eeuwse kijk op natie en identiteit, die stelt dat een gemeenschap maar functioneert als ze solidair en blindelings de officiële mythologie belijdt.
De N-VA-voorzitter contesteert de pensée unique van het Belgische establishment, maar wil deze probleemloos inruilen voor een consensusdenken in de Vlaamse “verbeelde gemeenschap”, die zich knollen voor citroenen laat verkopen.
De foute argumenten stapelen zich daarbij op. Zo stelt hij dat de volksjury’s in assisenzaken meer geïmponeerd worden door straffe verhalen dan door feiten en nuchtere argumenten. Dat weten alle Vermassens van deze wereld verdomd goed, en dan volgt in de tekst van De Wever toch wel het naar Machiavelli ruikende zinnetje: “Verhalen speelden hier dus een doorslaggevende rol in het eindverdict. Zelfs al waren het leugens.” Hola Bart!
In een breder perspectief dan. Hebben wij verhalen nodig om mentaal te overleven? Ik verwijs hier naar Cees Noteboom, die in “Rituelen” het geheugen beschrijft als ‘een hond die gaat liggen waar hij wil.’ De Nederlandse psycholoog Douwe Draaisma nam die boutade als grondslag voor een ontnuchterende visie op geheugen en identiteitsvorming: we houden verhalen staande die ons goed uit komen, we vergeten vlotjes, maar de waarheid heeft natuurlijk wel haar rechten. En met die waarheid moeten we leren omgaan. In een visie die zowel door Freud, Nietzsche als Marx gedeeld wordt, drie denkers die onze kijk op de moderne mens en samenleving nog steeds inspireren, is de onthulling primordiaal. De verhalen uiteen halen, de onderste steen opheffen, steeds opnieuw. Illusies werken tijdelijk, als een aspirine, maar eens de hoofdpijn voorbij is het tijd voor nuchterheid en redelijke twijfel, onder het devies van de grote Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant: Sapere aude! Durf te denken!
De vraag is dan inderdaad of de hond baas in huis moet zijn. Een cultuur die alleen als een heimweefabriek werkt, is politiek-demagogisch wel handig, maar leidt tot intellectuele inteelt van het gevaarlijkste soort.
Geef mij dus maar het ontluisterende denken en de beeldenstormerij. Ik vraag me zelfs af of “identiteit”, in de maatschappelijke betekenis, nog wel een zinvolle term is, en of we niet eerder moeten streven naar “collectieve intelligentie”, onverbrekelijk verbonden met gezonde argwaan tegen de macht en zijn “verhalen”: een anti-establisment-instinct waar Vlamingen toch zeer vertrouwd mee zijn…
Du choc des idées…
Het in vraag stellen van (nationale of nationalistische) mythen leidt niet tot “nestbevuiling” of collectieve zelfdestructie, maar vervangt gaandeweg de naïeve legendes door een dialectisch reflectieproces, uitgesponnen door de kritische massa van de burgerlijke samenleving zelf. Een sterke gemeenschap is diegene die haar verhalen kan in vraag stellen. Concreet: het kan geen kwaad om de Slag der Gulden Sporen te “deconstrueren” tot een uit de hand gelopen Brugse belastingopstand, waarbij de Vlamingen helemaal niet zo eendrachtig waren (vele Gentenaars en Brabanders vochten met de Fransen mee). Zoals we ondertussen ook allemaal weten dat de grote mei ’68-opstand voortkwam uit een opstootje in het zwembad van Nanterre, of zoals de Franse én de Belgische revoluties ook werden gedragen door minder zuivere, idealistische motieven dan de romantisch-bombaste schilderijen suggereren. De deconstructie van mei ’68 is zelfs tamelijk algemeen geworden, ook in Frankrijk zelf. Het grote verhaal van de zich emanciperende volksmassa bleek niet te kloppen,- het was vooral een opflakkering van hedonisme bij een verwende studentengeneratie, die later, via de “lange mars door de instellingen”, de consumptiemaatschappij zou grondvesten, samen met het “politiek-correcte” mainstreamdenken dat vandaag nog altijd de dienst uitmaakt.
Maar in De Wever’s optiek staat die vaststelling dus gelijk met morele zelfmoord. De N-VA-voorzitter contesteert de pensée unique van het Belgische establishment, maar wil deze probleemloos inruilen voor een consensusdenken in de Vlaamse “verbeelde gemeenschap”, die zich knollen voor citroenen laat verkopen. In wezen gaat dit over manipulatie en volksbedrog, waartoe men ook de monarchie zou kunnen rekenen, als nuttige fabel en zogenaamde “cement van de samenleving”.
Republikeinen zien het anders. Voor hen wortelt de samenhang van een natie in een collectief gedragen idee van de Res Publica, het algemeen belang, maar ook in een actieve, tegensprakelijke, zelfs conflictueuze democratie. De choc des idées dus, niet als noodzakelijk kwaad maar als essentie van een mondige burgermaatschappij. Partijen die polariseren, politici die niét de eenheid prediken maar durven provoceren, zijn in dat opzicht veel boeiender dan de verkopers van de eenheidworst. Het herzien van de geschiedenis en het doorprikken van verhalen –of verhaaltjes- hoort onverbrekelijk bij die rebelse attitude.
Johan Sanctorum
http://vlaamserepubliek.wordpress.com/2012/04/17/verhalen-verhaaltjes-en-nuttige-fabels/