Een artikel van enkele jaren geleden uit Knack van de hand van de onovertroffen Koen Meulenaere stellen wij u graagt voor. Het frist een aantal herinneringen op, het is het zoveelste bewijs van het aparte talent van Meulenaere, het schetst een overtrokken maar daarom niet minder juist beeld van een aantal prominente liberalen en hopelijk wordt het ooit een politiek in memoriam.
MIRA - Koen Meulenaere
Gehoord in TerZake: 'Mevrouw, ik ben een man van mijn woord.' Bart Somers!! Een man van zijn woord! Je gelooft je eigen oren niet. Bestaat er iets ergers dan Bart Somers? Waar ook ter wereld? 'Geheel opgetrokken uit lucht', schreef onze chef-Wetstraat al jaren geleden. Of uit ellebogen, dat zijn wij even kwijt. Maar waaruit hij ook is opgetrokken, als ze op zijn Olympische Spelen de discipline 'liegen' invoeren, pakt Somers goud, zilver, én brons.
Hij ging burgemeester van Mechelen blijven tot 2006, welke andere functie men hem ook zou aanbieden. Dat schreef hij zwart op wit in een boek. Twee dagen nadat het was voorgesteld nam hij ontslag als burgemeester, omdat men hem een andere functie had aangeboden. Hij ging Hugo Coveliers niet uit de partij zetten, hij zou het diplomatischer oplossen. Twee maanden later lag Coveliers uit de partij.
Als Brussel-Halle-Vilvoorde niet in vreedzaam overleg met de Walen kon worden gesplitst, dan zou de VLD voor het wetsvoorstel tot splitsing stemmen, zo beloofde hij plechtig aan de Vlaams-Brabantse burgemeesters. Brussel-Halle-Vilvoorde wérd niet in vreedzaam overleg gesplitst, de VLD stemde tégen het wetsvoorstel. Het migrantenstemrecht zou er onder de VLD nooit komen. 'Read my lips', riep Bartje samen met Patrick Dewael, vooraleer die laatste meer interesse begon te betonen voor de lips van Greet Op de Beeck. Het migrantenstemrecht is er ondertussen.
Zette Patricia De Waele onder druk om zich terug te trekken uit de voorzittersverkiezing van de VLD. 'Dat loog ze', loog Somers zelf zonder verpinken. En nu ging hij haar uit de partij zwieren, omdat ze in De Standaard zijn volmachten dictatoriaal had genoemd. De Waele kreeg een symbolische schorsing.
Toen de VLD twee weken geleden in Antwerpen een congres hield, en Karel De Gucht in De Morgen Jean-Marie Dedecker had uitgescholden voor doodgraver van de partij, hield Bartje de slottoespraak. Hij ging op een verhoogje staan, schroefde de microfoon op de laagste stand, en begon aandoenlijk te piepen: 'De partijkopstukken moeten ophouden met elkaar publiekelijk te beledigen.' Een sneer naar De Gucht, die samen met Mireille op de eerste rij hoofdschuddend zat te luisteren.
Toen de hele zaal ging staan, in de hoop met een kort applaus de slottoespraak te beëindigen, veerde na enige aarzeling ook De Gucht op uit zijn stoel. Ter goedkeuring van de aanval op zichzelf dus. Maar wie bleef ostentatief zitten? Als enige in het hele auditorium? Ook toen Karel haar nadrukkelijk aanmaande op te staan? Mireille Schreurs! De minachtende blik waarmee ze Somers bijna vanachter zijn pupiter bliksemde, hoorde thuis in het Louvre.
Niet gewend aan applaus, negeerde Bartje die blik: 'Kibbelen, kibbelen, kibbelen... er wordt te veel gekibbeld in onze partij. Dat gekibbel moet ophouden. Wie nog kibbelt, vliegt eruit. Ik zeg: nee aan het gekibbel.' En toen richtte Mireille zich op, in haar volle gracieuze lengte, besteeg met heupen en schouders wiegend het podium, gaf Bart Somers met de tip van haar laars een trap in de ballen, en nam de microfoon over. Twee minuten later sloegen de vlammen door het dak.
Die Mireille kan een zaal doen ontploffen. Heeft ooit samen met Marc Verwilghen een sketch opgevoerd tijdens de revue van de balie. Zij beeldde muziekinstrumenten uit, die hij vervolgens bespeelde. En dat deden beiden, om onduidelijke redenen, in badpak! Achter een doorschijnend scherm met tegenlicht erop! U kunt zich indenken wat voor suggesties daar gewekt werden. In de zaal wisten ze niet beter of de beide acteurs waren poedelnaakt, en bezig met handelingen waarvoor markies De Sade het hoofd zou hebben afgewend.
Wij wankelen hier eens te meer op de dunne scheidingslijn tussen humor en vulgariteit, maar toen Mireille op meesterlijke wijze een fagot imiteerde en Verwilghen zijn lippen aan haar embouchure zette, in zwembroek en in tegenlicht, ging er zelfs door de meest geharde magistraten in het publiek een siddering die het midden hield tussen genot en afgrijzen. Ze hebben Karel met zes man moeten tegenhouden, of hij was dwars doorheen dat scherm gedoken om Verwilghen eens en voorgoed van zijn onnatuurlijke neigingen te verlossen. Karel is erg jaloers.
Veel van wat zich daarna in de liberale partij heeft afgespeeld, vindt zijn oorsprong in die revueavond. Verwilghen werd eerst weggepest uit Dendermonde, waar hij alle stemmen inpikte waarop Karel vruchteloos zat te azen. En in de regering werd hij verbannen van Justitie naar wij zouden niet meer weten wat. Ontwikkelingssamenwerking of economie of zoiets. Enfin, iets waarvan hij nóg minder wist dan van het gerecht.
Mireille heeft als jong meisje nog meegedaan in Mira, wist u dat? Speelde zonder moeite Willeke van Ammelrooy van de set. Qua figuur was dat niet moeilijk: Van Ammelrooy tegen Schreurs, dat was derde provinciale tegen Champions League. Maar echt ruzie ontstond er pas toen Jan Decleir, die de rol van Lander vertolkte, op erotische wijze moest worden besprongen. Dat deed Van Ammelrooy volgens Mireille helemaal verkeerd. 'Ik zal ekik het eens voordoen', sprak ze op dat aparte toontje van haar, waarmee ze thans verkeersovertreders de les leest. Na afloop moest Jan Decleir toegeven dat het beter was.
Waarna Willeke het in café 'De Meersblomme' dan maar aanlegde met Maurice Rondeau. En Jan Decleir in de gevangenis werd opgesloten. Over die brug over de Schelde zijn ze vandaag nog aan het discussiëren.
Hoog tijd dat Mireille de VLD opnieuw gaat leiden. Zoals toen Karel voorzitter was.
Koen Meulenaere
3 reacties op dit bericht
Een brok(je) geschiedenis...
Bij het overzicht van de reservekrachten waarop de Vlaamse Beweging in 1914 voor de toekomst nog kon rekenen, zagen wij drie faktoren: de demografie, de uitbreiding van het kiesrecht en de dynamiek van de Vlaamse gedachte(3). In 1914 waren er slechts weinige flaminganten die als een doorslaggevende faktor de groeiende industrializering zagen van Vlaanderen, met uitzondering natuurlijk van de grote verwachtingen die gebouwd wer-
den op het Kempens kolenbekken (eerste steenkolen pas in 1917 opgehaald). Wij willen thans onderzoeken in welke mate demografie, kiesrecht en ekonomische ontwikkeling aan deze flamingantische verwachtingen hebben beantwoord. De dynamiek van de Vlaamse gedachte vormt, als vanzelfsprekend, het voorwerp van onze hele studie.
In demografisch opzicht had Vlaanderen in 1918 een voorsprong op Wallonië en het heeft die in de volgende jaren behouden. In 1921 waren de verhoudingen in de bevolkingscijfers als volgt: Vlaamse provincies met arrondissement Leuven 3.540.523; Waalse provincies met arr. Nijvel 2.845.193; arrondissement Brussel 1.093.124. Dit maakt een totaal van 7.478.840. In 1939 waren deze proporties, op een totaal van 8.396.276 inwoners, aldus: 4.157.661 (Vlaanderen), 2.960.768 (Wallonië) en 1.277.847 (arr. Brussel)(4). In de bevolkingsevolutie behield Vlaanderen zijn betrekkelijk gunstige positie in het geboortenoverschot op het sterftecijfer. In 1938 was dit in heel het Vlaamse land (met weglating van het arr. Brussel) ruim boven het gemiddelde van het Rijk. In heel Wallonië, met uitzondering van Luxemburg, ligt het sterftekoëfficiënt alsdan hoger als dat van de geboorten. Alleen Luxemburg had een geboortenoverschot, maar dit lag dan nog lager als het gemiddelde van het Rijk. De procentuele bevolkingsaangroei, van 1920 tot 1928 was: West-Vlaanderen 20,1; Oost-Vlaanderen 7,7; Antwerpen, 23,1; Limburg 39,0 en het arr. Leuven 13,7. In Wallonië bereikte alleen de provincie Luik met 12,6 een hoger procent als het laagste in Vlaanderen(5).
Deze verhouding in de bevolking had ook haar weerslag op die in het aantal kiezers. In 1921 was ze als volgt: Vlaanderen 1.008.670; Wallonië 900.691; arr. Brussel 317.436 wat in 1939 geworden was respektievelijk 1.271.231; 999.126 en 396.984. Deze cijfers geven een merkelijk overwicht aan Vlaanderen op Wallonië, al wordt dit, wat de taalverhoudingen betreft, grotendeels gekompenseerd door het franssprekend gedeelte van de kiezers uit het arrondissement Brussel, wat de meeste Walen niet na-
men waar het ging om wat zij beschouwden als specifieke Waalse belangen. Deze verhoudingen hadden, hoewel onvolmaakt, hun weerslag op het aantal volksvertegenwoordigers. Deze verhoudingen waren als volgt. In 1919, voor 186 zetels, Vlaanderen 88; Wallonië 72; arr. Brussel 26. In 1926, voor 187 zetels, gaf dit respektievelijk 88, 73 en 26, maar na de zetelaanpassing als gevolg van de tienjaarlijkse telling van 1930, werden deze getallen 96 (Vlaanderen), 76 (Wallonië) en 30 (Brussel).
Deze demografische en elektorale verhoudingen hebben een heel sterke weerslag gehad op het politieke klimaat in België, vooral na 1930. Bij de bespreking van de bestuurstaalwet van 1921 was het reeds zichtbaar dat de Walen vreesden geminoriseerd te worden in België. Deze angst werd met de jaren groter en hij werd vanzelfsprekend niet verminderd door de verklaringen van zekere Vlaams-belgicistische leiders die beweerden het federalisme van de Vlaamse nationalisten te verwerpen omdat de Vlamingen hierdoor hun kans zouden verspillen om Brussel weerom te veroveren en om in België de leiding in handen te nemen(6). Vele flaminganten hebben hun minimalistische voormannen in deze opvatting gevolgd en hun politiek gesteund, tot op de dag dat zij ontdekten hoe de openbare mening er in Wallonië op reageerde door een eis van federalisme of eerder nog van pariteit der twee ongelijke delen in de eenheidsstaat.
Wat de Walen misschien nog meer getroffen en geschokt heeft, was de vaststelling dat het ‘arme Vlaanderen’ tussen de twee wereldoorlogen een hogere welstand begon te veroveren, terwijl Wallonië ontegensprekelijk erop achteruit ging of op zijn minst, ter plaatse trappelde. Dat Vlaanderen in zijn opgang nog sterk ten achteren was op Wallonië speelde voor de Waalse agitatoren geen rol(7). De periode 1918-1940 is inderdaad, in haar ge-
heel genomen, voor Vlaanderen een tijdvak geweest van groeiende welvaart en ekonomische opgang. De langzame maar aanhoudende verschuiving van het ekonomisch zwaartepunt van het zuidelijk naar het noordelijk gedeelte van het land, voornamelijk naar Antwerpen, Brabant (Brussel!) en Limburg, reeds zichtbaar bij het begin der eeuw, houdt aan en wordt sterker. Alles bij elkaar genomen kunnen we zeggen dat de Waalse nijverheid sedert 1896 gekenmerkt wordt door een kontraktietendens, terwijl zich voor het Vlaamse land het tegengestelde verschijnsel voordoet. Dit is goed merkbaar in de stijging van het aantal industriearbeiders in Vlaanderen, in vergelijking met Wallonië. In dit laatste gewest is dit van 1896 tot 1937 gestabilizeerd op ongeveer 400.000. In Vlaanderen is het, in dezelfde jaren, gestegen van 184.000 naar 400.000 terwijl ook Brussel een nijverheids-centrum werd, met een aantal werklieden, overwegend Vlamingen, dat steeg van 110.000 tot 200.000. Procentueel viel aldus Wallonië van 55,9 (1896) op 49,9 (1910) en uiteindelijk 40,0 (1937). Vlaanderen steeg intussen van 27,4 over 33,3 naar 40,1(8).
Niettegenstaande deze merkbare groei van de nijverheid in Vlaanderen, blijft de betekenis van de landbouw er nochtans zeer groot, maar het uitzicht ervan verandert grondig. Volgens de landbouwtelling van 1939, waren op een totaal van 662.382 personen, bestendig werkzaam in de landbouw, er (afgerond) 308.000 in Vlaanderen, 106.000 in Brabant en 248.000 in Wallonië. Het kenmerk van dit landbouwbeeld in Vlaanderen is het kleine landbouwbedrijf en de intensieve bewerking. Sedert 1918 werd een grote inspanning gedaan om de intensieve kultuur van industriegewassen en de kwaliteitsproduktie van de veeteelt, de tuinbouw en de fruitteelt op te voeren. In dezelfde richting werkte ook een betere marktorganizatie. Bij dit veranderd uitzicht van de landbouw in Vlaanderen dienen nog een paar kenmerken onderstreept waarvan wij verder de grote betekenis zullen zien voor de emancipatie van de Vlaamse boer: vooreerst het feit dat, als gevolg van de mechanizering van de landbouwexploitaties en van de
stijging van de lonen, het aantal tewerkgestelden in de agrarische sektor voortdurend verminderde en een gedeelte van deze krachten afgeschoven werd naar de industrie en de steden. Ten tweede dat op zijn minst een derde van het grondbezit niet in handen was van de landbouwers, maar van de kasteelheren en van de burgerij uit het platteland en uit de steden. Ten derde dat, als kompensatie voor deze afhankelijkheid die in het verleden zo zwaar op de pachter gewogen had, een betere pachtwet de boer beschermde tegen het gevaar van willekeurige pachtopzegging (wet van 7 maart 1929). De groeiende welvaart van de boerenstand in Vlaanderen is, na 1918 en tot bij de krisis van 1930, zichtbaar in de deposito's van de Middenkredietkas van de Belgische Boerenbond 380.000 goudfranken (1900); 16 miljoen goudfranken (1913); 229 miljoen (1920) en 750 miljoen (1926)(9).
Deze ekonomische ontwikkeling had tot gevolg dat het volk van Vlaanderen welvarender en ook geestelijk meer ontwikkeld werd, waardoor het ook vrijer en zelfstandiger kon gaan denken en handelen. In ruime mate werd hier ook toe bijgedragen door de Belgische wetgeving op het gebied van onderwijs en sociale hervormingen, ook zelfs door de taalwetgeving. Na 1918 werd de wet op het lager onderwijs (leerplicht) van 19 mei 1914 streng toegepast en ging het analfabetisme snel achteruit. Door de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs, werd later de doorstroming van de lagere naar de middelbare school vergemakkelijkt voor de minder begaafde elementen die vroeger struikelden over de taalbarrière. In de doorstroming naar de Universiteit bleef het nederlandstalig gedeelte van de studentenbevolking nochtans ten achteren op het franstalige. De sociale wetgeving anderzijds had een grote invloed op de geestelijke verheffing van het volk. Wij vermelden hier alleen maar de wet Vandervelde op het alkoholgebruik (30 aug. 1919) en die tot invoering van de achturendag en van de 48-urige werkweek (14 juni 1921)(10).
De voortschrijdende industrializering van Vlaanderen, die meer werkgelegenheid, hogere lonen en meer onafhankelijkheid bracht aan de fabrieksarbeiders, had in Vlaams opzicht een paar zeer duistere schaduwzijden. Naast zuiver ekonomische nadelen en gevaren (te groot aantal kleine en marginale bedrijven - lagere lonen in Vlaanderen als in Wallonië - te groot aantal forensen - gemis
aan basisbedrijven), lag er op het gebied van de verfransing van Vlaanderen een grote bedreiging in deze industrializering besloten, doordat in de voornaamste handels- en industriesektoren het kapitaal verfranst was en Brussel, het verfransende, een financiële macht geworden was die heel België beheerste. Uit een onderzoek, kort na de tweede wereldoorlog ingesteld, van de financiële positie van Brussel, blijkt dat aldaar 56% van al de Belgische maatschappijen, waarvan de waarden ter Beurs gekwoteerd worden, gevestigd zijn en dat 57% van de beheerdersmandaten van deze maatschappijen in de handen zijn van personen die in de hoofdstad of hare omgeving wonen. Daarbij wordt meer als drie vierde van alle kapitalen, in België geïnvesteerd in banken en maatschappijen, beheerd vanuit Brussel. Dit was ook het geval voor bijna al de Belgische maatschappijen gevestigd in de kolonie en in het buitenland, en voor meer als een derde van de kapitalen der maatschappijen gevestigd in Vlaanderen en in Wallonië. Zelfs het beheer van de import- en exporthandel en de scheepvaartondernemingen werd naar Brussel verlegd(11).
De verfransingspolitiek die in Vlaanderen gevoerd werd door deze verfranste financiën was vooral dreigend in het Limburgs kolenbekken waarop nog steeds de grootste verwachtingen werden gebouwd, niettegenstaande het uitblijven van de industrializering waarop men gehoopt had. De aandacht van de vlaamsgezinden moest hier wel op gevestigd worden en weldra werd alarm geklept. Op het kongres van de Katolieke Vlaamse Landsbond in 1925 werden niet minder dan vier referaten voorgedragen over het vraagstuk van de ekonomische ontwikkeling van de Kempen en werd ook het probleem van de verfransing behandeld dat er dreigde mede samen te hangen. Kort vóór de tweede wereldoorlog werd de openbare opinie in Vlaanderen gealarmeerd met de slagzin: ‘Vlaanderen, het kolonizatiegebied’(12). Daarenboven dreigde de grote uitbreiding van het toerisme aan de kust een bron van verfransing te worden.
Naast de politieke druk die de vlaamsgezinden op deze toestanden konden uitoefenen, vooral op het gebied van het schoolwezen, hebben zij ook, na 1918, getracht zich te verweren tegen deze ver-
fransing van en door het kredietwezen, door een groepering van Vlaamse ekonomische krachten in het Vlaams Ekonomisch Verbond (v.e.v.) in 1926 en door de oprichting van Vlaamse banken en kredietinstellingen. Zij verkeerden in de waan, kort vóór de krisis van 1930, ook in dit opzicht, een macht te worden. In de Vlaamse Beweging was, in de jaren die voorafgingen, de slagzin verspreid van de ‘word-rijk-politiek’(13). Deze financiële opgang werd alsdan vertegenwoordigd door drie groepen: de zgn. ‘groep van Leuven’, de groep van de Handelsbank in Gent en de groep van het Algemeen Beleggingskantoor.
De voornaamste van de drie was de groep van Leuven. Aan de oorsprong ervan ligt de Volksbank van Leuven, gesticht in 1889, maar waarvan de groei pas begint na 1918. Het kapitaal van de bank werd, in 1924, gebracht op 40 miljoen en, in het kader van een algemene tendens in het Belgische bankwezen, begon ook de Volksbank deel te nemen aan de kapitaalvorming, de kapitaalverhoging en de opslorping van een reeks kleinere Vlaamse kredietinstellingen: de Bank voor Handel en Nijverheid te Kortrijk (een deel van de kliënteel ging naar de Bank van Roeselare), de Bank van Ronse, de Gentse Bank voor Handel en Nijverheid, de Algemene Bankvereniging (opgericht te Antwerpen in 1921), de Burgersbank van Geraardsbergen, de Crédit Général du Brabant Wallon. Het jaar 1928 ziet dan de fusie van de Volksbank met de Algemene Bankvereniging. Deze laatste, filiaal, slorpt de moederbank op. Tegelijkertijd had een provinciale koncentratie plaats in Oost-Vlaanderen, door de oprichting in 1928 van de Bank van Oost-Vlaanderen, voortgekomen uit de versmelting van de Gentse Bank voor Handel en Nijverheid, de Bank van Ronse, de Burgersbank van Geeraardsbergen, de Volksbank van Wetteren en de Beleggingsbank van Aalter. In 1930 werd deze Bank van Oost-
Vlaanderen opgeslorpt door de Algemene Bankvereniging die op dat ogenblik meer als 200 zetels of agentschappen had in het Vlaamse land. Ze was een bank van eerste rang geworden. De versmelting van de Volksbank van Leuven met de Algemene Bankvereniging was geschied met de medewerking van de Middenkredietkas van de Boerenbond. Deze bereikte in 1931 haar hoogtepunt: 1.200 miljoen fr. opgenomen door 1.089 Raiffeisenkassen en 700 miljoen fr. rechtstreeks bij haar geplaatst.
De tweede groep was die van de Handelsbank in Gent, gesticht einde 1918. In maart 1925 ontstond hieruit de Fondsenbank in Brussel en later ook de Landbank, insgelijks daar. Tot de groep van de Handelsbank behoorden de vijf maatschappijen van de verzekeringsgroep Noordstar-Boerhave. De Handelsbank kontroleerde verschillende industriële maatschappijen, vooral in de textielbranche.
De derde groep is vertegenwoordigd door het Algemeen Beleggingskantoor, gesticht in 1925 te Antwerpen. Tal van bekende namen uit Vlaanderen waren aan de stichting verbonden. Haar vertegenwoordigers speelden een leidende rol in het v.e.v. De Algemene Verzekeringsmaatschappij Mercator, gesticht op 24 jan. 1920, met Dr. A. Van de Perre als voorzitter van de Raad van Beheer, werd door zekere auteurs ten onrechte beschouwd als behorende tot de groep van het Algemeen Beleggingskantoor. Dit was slechts tijdelijk het geval voor Mercator-Leven, gesticht op 12 dec. 1927, door overname van de portefeuille Leven van Mercator. Voorzitter van de beheerraad der Levensverzekeringsmaatschappij Mercator was Frans Van Cauwelaert.
Dit opkomende Vlaamse bankwezen vervulde de Vlamingen met trots en versterkte hun zelfvertrouwen. Velen dachten reeds dat het gebeurd was: Vlaams kapitaal in vlaamsgezinde handen! In feite was het nog zeer bescheiden, bijna onbeduidend in vergelijking met de verfranste wereld van de Brusselse financie die eveneens in deze jaren tot fusies en tot koncentraties overging. Deze bescheiden Vlaamse financiële macht werd dan nog in de krisis van 1930 gebroken. De Handelsbank en het Algemeen Beleggingskantoor gingen ten onder. De Boerenbond zelf werd maar gered door een staatsussenkomst die men aan de andere groepen niet gegund had, karig aan de kapitalistische droom van Anseele, de Banque Belge du Travail. Toen het bankwezen gereorganizeerd werd, kwam als Vlaamse bank de Kredietbank voor Handel en Nijverheid tot stand die de successie overnam van de Algemene Bankvereniging. Deze nieuwe Vlaamse bank vertegenwoor-
digde, in 1938, slechts 4% van alle Belgische banken(14)! De Société Générale en de Banque de Bruxelles beheersten, met hun beiden, meer dan 50% van het kredietwezen in België. Dit beeld van het Vlaamse bankwezen dient, volledigheidshalve, aangevuld door een geslaagd experiment van gewestelijke bank: de Bank van Roeselare, gesticht in 1924 als een bank voor middenstandsbelangen, die de krisis van 1930 overleefde en tot op heden is blijven bestaan als de Bank van Roeselare en West-Vlaanderen.
Wij hebben, in de voorgaande bladzijden, slechts in zijn grote trekken het beeld weergegeven van de ekonomische groei van Vlaanderen en van zijn ontgoocheling op financieel gebied. Wij zullen de gelegenheid hebben hier herhaaldelijk op terug te keren in het verhaal van de politieke geschiedenis in deze tijdsspanne, om erop te wijzen hoe dit ekonomisch aspekt van de Vlaamse ontvoogding steeds meer en meer op de voorgrond komt en hoe het ook de Waalse reakties heeft bepaald. Het was echter nodig dit globaal te zien om de juiste betekenis ervan te begrijpen en ook de oorsprong van veel Vlaamse wrok die hoe langer hoe meer vóór 1940 de opvatting deed veld winnen, dat slechts een politieke hervorming van de staat kon verhelpen, niet alleen aan de grote karentie van de taalwetten, maar ook aan een ‘kolonizatie’ van Vlaanderen door Brussels, verfransend kapitaal, gesteund op Brusselse en Waalse politieke macht.
ik zal het kort houden
Het Britse imperium haalde veel soldaten uit zijn kolonies,dat kunnen wij zien aan de graven in de Westhoek en Noord-Frankrijk.Churchill ( minister van marine) zette Anzac-troepen in bij Gallipolli ( Turkije) met katastofaal resultaat.Zijn hoge afkomst redde hem maar hij werd wel in de ijskast gezet en pas bij het uitbreken van WO II kon hij een 'come back' maken.
Overigens is de oorlog is niet gewonnen door de geallieerden maar 'verloren' door de Centralen die in 1918 van uitputting de strijd opgaven.Bij de wapenstilstand stond er geen enkele geallieerde soldaat op Duitse bodem.Het mengen van de VS in de strijd gaf hen het inzicht dat de oorlog niet meer te winnen was.De Duitsers vochten tot in 1917 aan 2 fronten en moesten bovendien overal inspringen om de gaten te dichten waar het operetteleger van de Oostenrijks/Hongaarse dubbelmonarchie ,zonder hun bondgenoten in te lichten,aanvallen uitvoerden en dan in de pan gehakt werden.De Duitsers konden dit lang volhouden omdat zij over een uitstekend spoorwegennet beschikten en de troepen snel konden verplaatsen.De verhouding in de strijd was gemiddeld 1 op 2 in het nadeel van de Duitsers die dit konden goedmaken door hun efficientie en militaire superioriteit.
In 1917 braken er aan het Westelijke Front muiterijen uit bij de Fransen nadat sommige generaals besloten hadden hun eigen frontlinies te laten beschieten omdat de soldaten nog weigerden als slachtvee in het machinegeweervuur te lopen.Ganse eenheden werden als straf 'gedicimeerd' ,een straf die uit de Romeinse tijd stamde tegen vaandelvluchtige legioensoldaten.Het gebeuren is verborgen kunnen gehouden worden voor de Duitsers.Zouden zij van deze malaise op de hoogte zijn geweest dan hadden zij een beslissende aanval uitgevoerd en was de oorlog door de centralen gewonnen.Zij stonden op dat moment dichter bij Parijs dan ooit.
WO I is vooral een oorlog geweest waar de absolute minachting van de heersende klasse getoond werd voor de gewone man die in afgrijselijke omstandigheden en in onvoorstelbare aantallen de dood werd ingejaagd terwijl de heren generaals comfortabel in hun kastelen stratego speelden.
De geschiedenis van WO I en WO II moet kunnen herschreven worden om een genuanceerder beeld te kunnen geven.
Gelukkig...
Heb ik nog naar geen enkele aflevering gekeken, het effect wat ze (de anti Vlaamse staatszender betaald met Vlaams belastingsgeld) willen bereiken werkt averechts, hetgeen die extreem linkse smeerlap, Hitler genaamd, op zijn geweten had wil ik zelfs niet meer van horen, we hebben momenteel al veel te veel extreem linkse smeerlappen rondlopen in Vlaanderen, daar moeten we niet veel kilometers voor af te leggen om ze bezig te zien of te horen!
Ze worden ons elke dag voorgeschoteld, gelukkig ligt de afstandsbediening steeds in aanslag, of het nu een corrupte waalse politieker, een coburger, een franskiljonse rover, een rood/groene mestkever of een vreemdeling betreft, een fractie in beeld en zap, weg ermee.
Het geeft je een vrij aangename avond zonder die bovenvermelde onbetrouwbare graaiers.
Er is nu ook nog de core business van het blauwe leugenfabriekje bijgekomen, de scharrelkippen en –hanen, maar dat is nu amusement geworden, het beeld verkleurd van de leugens en bedrog, maar.......ze weten van niets, ha ha ha, prachtig toch!!!!