
Ida de Ridder (rechts) de dochter van Willem Elsschot met haar eigen dochter Ida Dequeecker, die jarenlang de partner is geweest van de cineast Robbe de Hert en toonaangevend lid van de Socialistische Arbeiderspartij SAP. Ida de Ridder is de enige nog levende dochter van Elsschot.
***
In mijn vorige bijdrage had ik het over de schokgolf die de publicatie van het “Borms-gedicht” ten huize Willem Elsschot had veroorzaakt en de mentale dreun hem toegebracht nadat hij heel literatuurminnend Vlaanderen over zich heen had gekregen.
Hoog tijd om een stem uit het andere kamp te laten horen.
Dochter Ida De Ridder, zelf niet gespeend van enige literaire aanleg, trok van leer tegen de hetze met de publicatie van
HET OORLOGSGEDRAG VAN WILLEM ELSSCHOT”
Ik laat haar hier aan het woord:
Dat men in Vlaanderen geprobeerd heeft, en vandaag- meer dan dertig jaar na zijn dood- nog probeert Willem Elsschot een zwart oorlogskleedje aan te passen, heeft maar één verklaring: Elsschot was vrijdenkend. Zijn romans en verhalen en de meeste van zijn gedichten getuigen van een kritische opstelling ten overstaan van de godsdienst. Wie niet katholiek is, zal in Vlaanderen niet gedijen.
Elsschot, godlasteraar, mocht niet zonder blaam de literatuurgeschiedenis ingaan. Het Borms-gedicht was een gedroomde gelegenheid om de auteur in de verdomhoek te zetten; de felle reacties tegen deze hommage betekenden het einde van Elsschots literaire activiteit.
Na zijn overlijden is men ook begonnen de zakenman Alfons de Ridder aan de kaak te stellen. Met grote speurzin hebben (na)ijverigen – soms onder het mom Elsschottiaan te zijn – willen aantonen dat De Ridder in de oorlog “fout” was geweest, zij het maar een beetje fout.
In de Nederlandsche krant “Het Algemeen Dagblad” van 31 oktober 1991 stelt ene L. Oomens: “Zo zag hij (Elsschot) er geen been in om tijdens de oorlog advertenties te werven van de Belgische Voedsel en Distributiedienst en ook wel van andere foute firma’s”.
Ik laat hier in het midden in hoeverre de Voedseldistributie al dan niet besmet was, maar mijn vader ondervond toen – aan het hoofd van een groot gezin – de grootste moeite om financieel het hoofd boven water te houden. Anders dan zijn collega-schrijvers die van hun pen leefden, bestond Elsschot van de reclame, in de oorlogsjaren een weinig renderend beroep. De “Almanak der Kroostrijke Gezinnen” was opgedoekt bij gebrek aan adverteerders, de reclame aan de dagbladstalletjes was gering: er waren nauwelijks sigaretten, chocolade of dagbladen. “Snoeck’s Almanak” bleef moeizaam verschijnen en leverde een mager inkomen op; De Ridder had wel een commissie op de advertenties, maar niet op de verkoop van de Almanak. En met Duitse kranten weigerde hij contracten af te sluiten.
Kortom, De Ridder mocht dan een oplettend zakenman zijn, na drie oorlogsjaren had het gezin de spaarcenten opgegeten.
Niemand heeft zich ooit afgevraagd waarom Elsschot zijn oorlogsstukjes voor “Snoecks Almanak” had geschreven. “De Bekeering van Viaene” voor de “Grote Almanak”van 1943 en “Drama in vier bedrijven”, ook dat jaar, voor de Kleine Snoeck. Heel eenvoudig: uit geldnood.
Waarom heeft hij, nog steeds in 1943, “Genezing door Aspirine” van Gerard Walschap vertaald in het Frans? Zeker niet uit bewondering voor het werk; er bestond geen Baudelaire-Poe-verwantschap tussen beide schrijvers. Elsschot wist dat vertalen niet zijn beste kant was. Hij had het eerder geprobeerd met “Lijmen” en na een paar hoofdstukken hield hij er mee op en vernietigde (waarschijnlijk) zijn probeersel. Nu zat hij dringend om geld verlegen en hoopte dat die vertaling goed genoeg zou bevonden worden, dan volstond vertaalwerk misschien om de oorlog door te komen.
Dat lukte dus niet; in het voor hem zo beroerde jaar 1943 diende hij zijn huis aan de zee, “De Kerkepanne” van de hand te doen. Voor Fons en vrouw Fine een pijnlijke beslissing; gedurende meer dan tien jaar diende De Kerkepanne iedere zomervakantie als verzameloord van de “clan”: kinderen, vrienden, kleinkinderen. Hier was Adele getrouwd en was “Tjip” ontstaan.
De opbrengst van het huis strekte tot het einde van de oorlog. In 1945 moest De Ridder opnieuw van “nul” beginnen. Hij was dan een man van 63 jaar oud met geen frank op de bank, omdat hij - én als schrijver én als zakenman – geweigerd had met de bezetter samen te werken.
Tot daar het betoog van Ida De Ridder, dat er alles wel beschouwd voornamelijk op neerkomt dat haar vader nooit met de bezetter heeft samengewerkt, maar wel, puur uit noodzaak en ter ondersteuning van zijn gezin, zijn zakelijke activiteiten heeft voortgezet.
Maar er is mijns inziens meer dat pleit voor haar vader dan dat. Niet alleen voor het schrijven van het Borms-gedicht en de publicatie ervan – hoewel dit laatste een blunder was, laat daar geen twijfel over bestaan – maar vooral voor de beweegredenen die hem daartoe hebben aangezet. Wie heel het oeuvre van Elsschot heeft doorgenomen, ontsnapt er niet aan: deze non-conformist pur sang trok instinctmatig altijd partij voor de verliezer, de mindere, de sukkelaar en was altijd oprecht bekommerd om de loser. Hij deelde de mensheid op in Enerzijds en Anderzijds, de Verdrukkers en de Verdrukten. Heel illustratief voor deze benadering is zijn brief van 9 juli 1947 gericht aan de bevriende schrijver Peter van Steen:
“Wat het gedicht aan B. betreft, zand daarover Het eenige wat mij erin interesseert is de lyrische waarde en om die te kunnen beoordelen moet men abstractie maken van de politiek. Het gedicht van Vondel op Oldenbarnevelt vind ik prachtig, maar ik weet absoluut niet of die man onschuldig was. Ik heb nu eenmaal de verwenste manie om, als het ware onbewust, aan de zijde van de slachtoffers te gaan staan, peu importe of het democraten of fascisten, Franschen of Duitschers zijn. Ik heb een instinctmatige afkeer voor de overwinnaars, wie of wat ze ook mogen zijn en het zou mij liever zijn dat zij aan den slag bleven tot beide partijen, na een eeuw of zo, zich plotseling zouden afvragen “zijn we eigenlijk niet gek?”
Ik verwijs ook graag naar “Tjip” waarin hij als slotboodschap voor zijn kleinkind onder meer letterlijk schrijft: “Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen”.
Dat het hem met dit laatste menens was blijkt overduidelijk uit briefwisseling gevoerd tussen Elsschot en de uitgever van een Tjip-vertaling waarin, zeer tot ongenoegen van de schrijver, deze zin weggelaten was. Met als verklaring dat het strijdig was met het klaarblijkelijk dictatoriale bewind van het land in kwestie. Maar Elsschot wou van geen wijken weten en hield halsstarrig vast aan zijn zin
En dit brengt me tot de tweede constante in zijn werk: zijn vasthoudendheid aan zijn teksten, zijn hardleerse weigering om er te laten aan tornen. Men kan gerust zonder schroom deze lijn doortrekken naar het Borms-gedicht. Ook hier is hij vol van “zijn Borms” , hij koestert het en wil het mordicus gepubliceerd zien. (Met alle rampzalige gevolgen van dien zoals later zou blijken).
Leg dit alles naast elkaar en we komen als vanzelf tot de conclusie dat vanuit zijn optiek Enerzijds “die oude kreupele man” de underdog, de Verdrukte was en Anderzijds de Belgische staat de Verdrukker. En dat het voor hem een onontkoombare noodzaak was zijn woede daaromtrent in de pers te ventileren.
Ik vind er geen woorden voor dat in het kamp van zijn tegenstanders dit aspect van zijn schrijverschap nooit in overweging is genomen, laat staan dat het zou geleid hebben tot een tegemoetkomende houding. Hetgeen me sterkt in mijn overtuiging dat laster, afgunst, kwade wil en verhitte gemoederen een heel dominante rol gespeeld hebben in het neerhalen van het literaire monument dat Willem Elsschot toen al was.
Raymond