Van toen naar nu - 8


mei 1897
Het verslag van de eerste Vlaamse hogeschoolcommissie ter vernederlandsing van de Gentse rijksuniversiteit wordt gepubliceerd.
In 1830 wordt na de Belgische revolutie het Latijn als onderwijstaal aan de universiteiten vervangen door het Frans. Tijdens de daaropvolgende decennia rijst daar nauwelijks verzet tegen. Op het einde van de 19de eeuw komt het vraagstuk van de vernederlandsing van het hoger onderwijs echter op de agenda van de V.B.
Beïnvloed door de sociale en democratische vernieuwingen en parallel met de grotere economische slagkracht van Vlaanderen verruimt de V.B. haar programma. De Gentse botanicus Julius Mac Leod heeft hier aanzienlijk toe bijgedragen. De V.B. moet volgens hem een intellectuele en sociale beweging zijn waarin volksontwikkeling en vernederlandsing van wetenschap en onderwijs centraal staan. Hij ziet in dat de intellectuele achterstand van Vlaanderen ook zijn sociale en economische achterstand veroorzaakt. Enkel kennisoverdracht in de moedertaal kan dit verhelpen. In de lijn van zijn ideeën ontstaan in verscheidene Vlaamse steden zgn. hogeschooluitbreidingen voor volwassenenonderwijs. Zijn Vlaamsche Wetenschappelijke Congressen, waarvan het eerste in september 1897 gehouden wordt, dragen bij tot de verbreiding van wetenschappelijke kennis in het Nederlands.
Op het 23ste Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congres in 1896 wordt de eerste Vlaamse hogeschoolcommissie opgericht. Mac Leod wordt benoemd tot rapporteur. In zijn verslag van mei 1897 pleit hij voor een geleidelijke vernederlandsing van de Gentse universiteit, met uitzondering van de technische hogescholen. Hij wil dit bewerkstelligen door de in functie zijnde professoren te verzoeken geleidelijk over te schakelen op het Nederlands en nieuwe professoren te verplichten meteen in het Nederlands te doceren. Vooraanstaande liberale Vlaamsgezinden wijzen Mac Leods voorstel af en pleiten voor een tweetalige universiteit.
18 april 1898
De zgn. gelijkheidswet wordt van kracht.
Na de invoering van het Algemeen Meervoudig Stemrecht (1893) groeit bij de Vlaamsgezinden in het parlement een consensus over de erkenning van het Nederlands als staatstaal naast het Frans. Dit noodzaakt een wijziging van de wet, die alleen Franstalige wetteksten als officieel erkent. Het voorstel tot de gelijkheidswet voorziet in de juridische gelijkwaardigheid van het Frans en het Nederlands. In de Kamer wordt het bijna eensgezind goedgekeurd. Hierop begint in het land een Fransgezinde agitatie. De senaat amendeert het voorstel: de Franse wettekst blijft voorrang hebben op de Nederlandse. Hierrond brengt de V.B. een massale partijoverschrijdende mobilisatie op gang. Katholieke, liberale en socialistische Vlaamsgezinden nemen deel aan meetings en betogingen. Hun acties zijn succesvol en de gelijkheidswet komt er. Van verdere samenwerking in de V.B. komt er echter niets meer terecht. De katholieke Vlaamsgezinden proberen de V.B. te monopoliseren om hun greep op hun eigen partij en op de geestelijkheid te versterken. Liberale en socialistische Vlaamsgezinden haken dan ook af.
Het Vlaamse ‘machtsvertoon’ wakkert het verzet van de Waalse beweging, die voornamelijk gesteund wordt door liberalen, aan. Voor de Franstaligen wordt het immers duidelijk dat de suprematie van het Frans en dus hun geprivilegieerde status in België door de taalwetgeving wordt aangetast. Van bij haar ontstaan op het einde van de 19de eeuw is de houding van de Waalse beweging tegenover Vlaanderen tweeslachtig. Enerzijds noemt ze de V.B. onvaderlands omdat de Belgische staat voor haar enkel Franstalig kan zijn. Anderzijds worden de Vlamingen beschreven als slachtoffers. Omdat zij geen Frans kennen, kunnen zij geen kennis nemen van de (liberale) vooruitgangsideeën en zitten zij gevangen in een reactionaire klerikale wereld
29 december 1899
Het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging bij verkiezingen wordt ingevoerd.
Het systeem van absolute meerderheid (dat alle zetels van een kiesdistrict geeft aan de partij met de meeste stemmen) wordt vervangen door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Dit betekent dat in een kiesdistrict de zetels verdeeld worden volgens het percentage stemmen dat elke partij behaalt. Na de invoering van de EV zijn er belangrijke zetelverschuivingen ten nadele van de katholieke meerderheid en ten voordele van de liberalen die opnieuw een belangrijke vertegenwoordiging krijgen in Vlaanderen en Brussel. Ook de socialisten boeken lichte winst en verwerven voor het eerst zetels in Vlaanderen.
De katholieke regeringsmeerderheid houdt stand maar brokkelt van 1902 tot 1910 bij elke verkiezing af, van 26 tot 6 zetels. Vanaf circa 1904 wordt de conservatieve regering bijgevolg afhankelijk van de steun van een handjevol christen-democraten of Vlaamsgezinden, terwijl ook haar Waalse vleugel aan belang wint. Zowel de sociale als de Vlaamse kwestie komen nu uitdrukkelijker op de politieke agenda, maar nieuwe taalwetten komen er voorlopig niet.
Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging





















