Van toen naar nu - 6


15 juni 1883
De taalwet op het officiële middelbaar onderwijs wordt van kracht.
Tijdens de liberale regeringsperiode die duurt van 1878 tot 1884 wordt deze derde taalwet goedgekeurd. De onderwijsproblematiek krijgt immers prioritaire aandacht van het liberale ministerie. In 1879 ontketent het met een wet ten voordele van de laïcisering van het lager onderwijs een schoolstrijd die de politieke tegenstellingen in het land naar een hoogtepunt drijft. In 1881 breidt het het aantal middelbare rijksinstellingen uit. Als reactie richten de bisschoppen een aantal nieuwe colleges op. Vlaamsgezinden grijpen deze belangrijke toename van het aantal middelbare scholen aan om een betere plaats op te eisen voor het Nederlands als vak en onderwijstaal. Het is voor hen duidelijk dat, als zij greep willen krijgen op de verfransing, zij in eerste instantie de Franstalige bovenbouw van het onderwijs in Vlaanderen moeten doorbreken.
De wet van 1883 bepaalt dat het Nederlands de onderwijstaal moet zijn in de lagere schoolafdelingen die aan de officiële middelbare onderwijsinstellingen van het Vlaamse land gehecht zijn. In de middelbare scholen moeten er in totaal vijf vakken in het Nederlands worden onderwezen. Niettemin mogen die gelijktijdig in het Frans gegeven worden. Ondanks zijn gebreken betekent deze taalwet de start van een langzaam, maar onomkeerbaar vernederlandsingsproces in het hele secundair onderwijs (het officiële en het katholieke). De verfransing van de intellectuele en sociale elite via het onderwijs wordt afgezwakt.
De taalwetten die tijdens de 19de eeuw goedgekeurd worden, tasten de positie van het Frans als nationale taal niet aan. Vlaanderen krijgt een tweetalig statuut, Wallonië blijft eentalig Frans. Brussel krijgt bij elke taalwet een apart regime dat de Nederlandssprekende bevolking nauwelijks enige bescherming biedt en bovendien nauwelijks in praktijk wordt gebracht. Parallel met de uitdijende verstedelijking zal dat aparte taalstatuut zich tot een toenemend aantal oorspronkelijk Vlaamse gemeenten in het Brusselse uitbreiden.
In de hoofdstad is de verfransingsdruk veel sterker dan elders in Vlaanderen. Niet alleen het veel grotere aantal Franstaligen (in 1846 rekent reeds 37,6% van de Brusselaars zich tot die taalgroep), maar ook de centrumfunctie van de hoofdstad draagt hiertoe bij. Zowel in de openbare als in de privé-sector zijn er meer betrekkingen te begeven dan waar ook in België, wat de aantrekkingskracht op vooral Waalse immigranten verklaart. Zij behoren tot een middenklasse van Franstalige ambtenaren en bedienden die aan de oorsprong van de Waalse beweging liggen. Die ontstaat in liberale Franstalige kringen van Brussel, Antwerpen en Gent uit onvrede met de eerste taalwetten die de carrièrekansen van eentaligen in Vlaanderen en Brussel bedreigen.
1884
Na een liberaal intermezzo van zes jaar komen de katholieken voor dertig jaar alleen aan de macht.
Onder het katholieke bewind komt er een beperkte democratisering van de instellingen, onder druk van het opkomende socialisme. Opvallend zijn de talrijke administratieve en wetgevende maatregelen inzake het taalgebruik, zeker in de periode 1884-1900. De regering past eindelijk de bestuurstaalwet van 1878 toe en versnelt daarmee de vernederlandsing van de gemeentelijke besturen. Munten (1886), bankbiljetten (1888), postzegels (1891) en het Staatsblad (1895) worden tweetalig. De vernederlandsing van het strafgerecht wordt voortgezet met de wetten van 1889 en 1891. De wet van 1890 op het hoger onderwijs verplicht rechters en notarissen in Vlaanderen Nederlands te kennen.
Dit lange katholieke bewind werkt een verdere polarisatie in de hand, zowel tussen katholieken en liberalen als tussen Vlamingen en Walen. De twee tegenstellingen gaan grotendeels samenvallen en elkaar versterken omdat de liberalen vanaf 1886 nagenoeg geen Vlaamse parlementsleden meer hebben.
De V.B. wordt nu nog meer dan voordien vereenzelvigd met de katholieken en de liberale afkeer ervan wordt heviger.
1885
De BWP wordt opgericht.
In de jonge arbeidersbewegingen van de jaren 1850 groeit er een bondgenootschap met de V.B. Daar komt echter een einde aan door de levensbeschouwelijke polarisering in de tweede helft van de jaren 1860. Het ontluikende socialisme gaat zich wantrouwig opstellen tegenover de ‘klerikale’ en ‘kleinburgerlijke’ V.B.
De BWP wordt in 1885 opgericht als een bundeling van bestaande arbeidersverenigingen. De taalstrijd is voor de socialisten van ondergeschikt belang. Prioritair is de materiële lotsverbetering van de arbeiders en de zoektocht naar bondgenoten in de strijd voor het algemeen enkelvoudig stemrecht. Die vinden de socialisten nauwelijks in de V.B., vandaar hun terughoudenheid tegenover de Vlaamsgezinden. Van bij het begin echter maakt de BWP werk van een Nederlandstalige populaire pers en van een vormings- en bibliotheekaanbod in het Nederlands. Haar officiële houding blijkt uit het socialistische verkiezingsprogramma van 1894 waarin het recht wordt opgeëist "voor alle inwoners van bestuurd, onderwezen en geoordeeld te worden in hun eigen taal". Door het algemeen stemrecht af te dwingen hebben de socialisten een zeer belangrijke onrechtstreekse bijdrage tot de V.B. geleverd.
Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging


















