
Den 3en Mei 1913 overleed te Antwerpen Jan-Baptist de Winter, lid van de Kamer der Volksvertegenwoordigers.Na eene kortstondige ziekte, haast zonder doodsstrijd, ontsliep hij zachtjes, volkomen in vrede met den Heer, wiens trouwe dienaar hij steeds was, omringd door talrijke, teergeliefde kinderen, alom geacht en door ontelbare beschermelingen beweend. Tot het Paaschverlof toe woonde hij, met de voorbeeldige stiptheid die hem kenmerkte, geregeld elke Kamerzitting bij.
Die stiptheid, alsmede zijn innemende, hoffelijke omgang en zijn onbesproken levenswandel zouden schering en inslag van de meeste lijkreden zijner collega's en vereerders zijn. Want de Winter was een stil man, die nooit door geweldig optreden in eenig midden beroering verwekte en die in het openbaar slechts sprak als hij meende dat zijn woord nut stichten kon. Bescheiden ging hij zijnen gang, nauwgezet zijne taak volbrengend, en met onverdroten ijver naar het goede strevend.
Hoe verdienstelijk deze levensloop ook geweest zij, zal hij wellicht minder belangstelling dan hij waard is gaande maken bij hen die weinig met Antwerpen, met de geschiedenis der Antwerpsche Meetingpartij vooral, vertrouwd zijn. En toch heeft de afgestorvene dagen gekend die voor hem, en voor heel Antwerpen tevens, onvergetelijk zouden zijn; stormachtige dagen, dagen van heeten strijd, dagen van triomf en vervoering.
Zijn leven lang deelde hij lief en leed met zijne geboortestad. Vroegtijdig werd hij in de gebeurtenissen rondom hem verwikkeld. In ongestoorde gezondheid, met ongerepte kracht, zou hij eene halve eeuw lang daarin eene gewichtige, ofschoon niet steeds in het oog loopende rol spelen.
Als men zich dit tachtigjarig leven herinnert ―de Winter werd den 26en December 1831 geboren― ondergaat men eene gewaarwording alsof men een welbekend, geliefd oud boek opnieuw doorbladert. De allerbontste geschiedenis eener eigenaardige, machtige handelsstad, de aanhoudende strijd van een soort vrijstaat, van een klein gemenebest, tégen de centralisatie van den staat en vóór het achtenswaardigste onadhankelijkheidsbegrip, treedt, daarbij, met onweerstaanbare aantrekkingskracht, in de schelste kleuren en met de onstuimigste bewegingen, voor den geest.
Na zijne studiën op O.L.V. College en op het Athenaeum voltrokken te hebben, ging de jonge de Winter zich een paar jaren in Engeland tot den handel bekwamen. Te Antwerpen teruggekeerd, vond hij daar weldra een passend, eervol en winstgevend bedrijf: zijne nog steeds bloeiende stoomrijstpelderij, een onzer aanzienlijkste en best befaamde handelshuizen. “Ik heb al wat huizen zien vallen”, zei Multatulli's Droogstoppel. Welnu,dit huis is niet gevallen. En dat zègt wat, als men bedenkt hoe weinige firma's uit die dagen er thans nog gebleven zijn.
Evenals in Guicciardini's en Papebrochius' tijd, treft men hier evenveel Duitsche en Engelsche als Vlaamsche namen onder die der vorsten onzer handelswereld aan. Het is dan ook eene niet geringe verdienste de faam der vaderlandsche nijverheid gedurende zulke spanne tijds opgehouden te hebben.
Op de Beurs klonk de naam van de Winter-Lauwers als zuiver metaal. Geen wonder ook dat de voorzichtige, ervaren koopman sedert 1873 van de Handelskamer deel uitmaakte. In 1870 reeds werd hij lid van den Beheerraad van het Hooger Handelsgesticht. Gaarne hadden wij den bezorgden voogd dezer wereldvermaarde instelling gegund het nog te beleven ―wat kortelings gebeuren zal― dat onze hoogere handelsschool tot wezenlijke Universiteit verheven wordt.
In de Wetgevende Kamer zou hij vrij wat ruimer veld vinden om zijne vakbekwaamheden te doen gelden. De kamp om vrijhandel zou lang en hardnekkig zijn. In 1884-1885 trad hij in de bespreking over het vervoercontract op, korts daarna teekende hij krachtdadig verzet aan tegen de invoerrechten op de granen, later nog sprak hij voor de afschaffing der vuur- en baakgelden en tegen het heffen van accijnsrechten op margarine. Wijzigingen aan het tolstelsel stond hij voor.
Gave God dat er in de Kamer steeds met evenveel bevoegdheid en even weinig beslag gesproken werde, misschien kwamen wij tot iets dat de bedaarde, praktische Hollandsche Statenkamers benaderen kon.
Doch niet slechts als handelsman zou de Winter het algemeen welzijn dienen. De strijd om de gedachte vergde zijne toewijding en daarmede was hij nooit karig. Op staatkundig gebied zijn er even als elders velen geroepen maar weinig uitverkorenen. Hoe kwam het dat men hem onder de menigte begaafde mannen die destijds neiging tot het openbaar leven aan den dag legden, onderscheidde? Welke plaatsen zou hij daarin bekleeden? Wat zou zijne stelling zijn?
Een woordje geschiedenis moge hier niet van onpas zijn.
Antwerpen, het Noordsche Venetië, kwijnde sedert het Munstertractaat. Bij het begin van verleden eeuw was de bevolking er tot op 56.000 zielen geslonken. “Kant en diamant” brachten niet genoeg nering bij om te beletten dat het gras er in de straten tierde. Napoleon had gezegd dat hij van Antwerpen “een geladen pistool op Engelands borst gericht” maken zou. Maar het zou niet eens tot 1815 duren eer het werk op zijne timmerwerven alhier stil vallen zou.
Koning Willem betoonde ons wezenlijke bezorgdheid. Onder zijne bestiering werden hier dokken gegraven, die niet als die van Napoleon voor oorlogsbodems bestemd waren. Stapelhuizen werden gebouwd, handel en nijverheid namen een ongehoorde vlucht.
Na 1830, en ondanks de Scheldetol, bleef deze voorspoed toenemen, dermate dat in den beginne van de jaren '50 de woningen de gansche oppervlakte binnen de Spaansche omheining besloegen en dat er eene dichtbevolkte voorstad, de 5e Wijk, buiten de wallen, uit den grond verrees.
Elk ander landsbestuur zou zich in zulken bloei van zijne eenige zeehaven verheugd hebben, zou alles aangewend hebben om dien bloei te bevorderen. Hoe onbegrijpelijk het echter ook weze, hoe onaanneembaar het ook voorkome, onloochenbaar was het bewind te dien tijde Antwerpen vijandig. Niet slechts weigerde het de onontbeelijke tegemoetkomingen bij havenbouw en -onderhoud, bij tol- en scheepvaartrechten; maar nog legde het er zich op toe den handel, en de bevolking in 't algemeen, op alle denkbare wijzen te knevelen. Het hardnekkig weigeren de omheining te verruimen, en het opleggen der hatelijkste krijgsdienstbaarheden, hebben bij den Sinjoor tegen het Middenbestuur, inzonderheid tegen het legerbeheer, eene veete doen ontstaan die, taai als eene volksveete is, van geslacht tot geslacht overgeërfd wordt.
Sommigen zullen glimlachen wanneer er gewaagd wordt van krijgsdienstbaarheden en van een “Commissie van Krijgsdienstbaarheden” wier instelling1 van ruim eene halve eeuw her dagteekent. Zij, zij hebben het niet ondervonden wat het heet met die onaantastbare, naamlooze almacht te doen te hebben die men krijgsgenie noemt. Hier te Antwerpen werden de huizen der burgers in de nabijheid der vestingswerken, zonder voorafgaandelijke vergoeding, in strijd met de Grondwet zelve, zonder geding noch pleegvormen aangeslagen, hier heerschte oppermachtig willekeur en soldatenbaldadigheid, hier werden ingezetenen lastig gevallen, werden weerlooze lieden neergesabeld.
Er is geen verzinsel in dit alles. Loutere waarheid, onwraakbare geschiedenis is het. Elke daadzaak staat met naam en plaats en datum in de dagbladen en geschriften van dien tijd, in de zittingsverslagen van Gemeente- en Provincieraad en in de Handelingen der Wetgevende Kamers geboekt. Tusschen Antwerpen en de Regeering werd een strijd aangebonden die nog niet uitgevochten is.
Ja, wat de havenbelangen2 betreft is men later aan hoogerhand tot inkeer gekomen. Doch nog lang niet vergeten is het, dat koning Leopold in 1902 Antwerpen voor de keuze stelde: geene havenuitbreiding ofwel eene die met de reusachtige nieuwe omheining van honderd kilometers omvang gepaard ging. Antwerpen werd nogmaals op losgeld gezet. De wrok is nog niet gekoeld.
Men verwondere zich dus ook niet dat van Antwerpen steeds de hevigste tegenstand tegen alle krijgslasten uitging en dat nog steeds elke vraag om nieuwe uitgaven of manschappen er bevochten wordt.
In zulke gesteltenis, oneindig bitsiger dan heden nog, verkeerde Antwerpen toen de Winter zijne staatkundige loopbaan intrad. Heel eene bevolking, en eene bevolking die opnieuw welstand had leeren kennen en de langgesmoorde zucht naar onafhankelijkheid weer voelde ontwaken, werd door laatdunkende krijgsoverheden niet alleen, maar door al wat met het Staatsbestuur samenhing, ja, zelfs door 's Konings raadsheeren, met daden gesard en met woorden gesmaad.
Een voorbeeld, het dagteekent uit de jaren 1860:
Kolonel Hayez, een officier met ruste, was de Antwerpenaars moedig terzijde gesprongen. Om hem onschadelijk te maken, riep Minister Chazal hem terug onder de wapens... Zoo kon hij hem als verrader voor eenen krijgsraad verzenden. Het vonnis van den krijgsraad, bekrachtigd door het Verbrekingshof, herstelde hem volkomen in zijne eer. Toch was de dappere Hayez als een booswicht weggehaald en in ziltige casematten der Diestersche vesting opgesloten geworden.
De Antwerpenaars hebben hem toen als kandidaat voor de wetgevende verkiezing aangeduid.
Dat alles moest onvermijdelijk eenen schier revolutionnairen toestand uitlokken. Wie, zonder het voorgaande voor oogen te houden, afzonderlijke uitingen van den toenmaligen volksgeest verneemt kan die bezwaarlijk verklaren.
Ook slechts als men met de uiterste verbittering der gemoederen rekening houdt kan men begrijpen hoe alle geloofsgeschillen3 tot zwijgen gebracht waren. Zoodanig heerschte de eensgezindheid dat, bij de verkiezingen van 1862, op een kiezerskorps van 4590 man4, er slechts 151, en dan nog bij vergissing, kwamen stemmen en dat, twee uren later, toen, naar destijds in voege zijnde gebruik, er bij klokgelui herstemming aangekondigd werd, tot den laatsten man toe het wachtwoord hield: niet gaan stemmen, bij wijze van verzet tegen de Regeering.
Menig ander kenschetsend voorval zouden wij alzoo nog kunnen achterhalen.
De luisterrijke namen der oud-adellijke geslachten, uit den groothandel en van de balie, prijkten onder de vlammendste vertoogen naar de overheid, onder de krijgshaftigste oproepingen tot de woeligste aller meetings. Naar deze meetings, in de Overdekte Markt, de Cité, en vooral in de uitgestrekte zalen der oude Variétés, stroomden soms wel tien duizend man heen.
Aan die beruchte vergaderingen heeft de Meetingpartij haren schilderachtigen naam ontleend. Het is de Antwerpsche vrijheidspartij, die oorspronkelijk alle burgers zonder onderscheid van denkwijze verbond. Op haar vaandel, wit-rood zooals de rozen uit het stadswapen, kon men dezer dagen, toen het, bij de Winters overlijden, aan het vereenigingsgebouw op het Vleminckxveld halftop hing, in groote letters nóg te lezen vinden, de leus die bij het het ontstaan der Meetingpartij aangenomen werd: “Vrijheid in alles en voor allen”.
De aloude vrijheidszin, de geest der Vlaamsche gemeenten uit vroeger dagen was in den Antwerpenaar gevaren. Vrijheid is heel het programma der Meeting. Vrijheid van krijgsdwang was haar eerste streven, omdat het voor de hand lag, maar vrijheid op elk ander gebied was daarmede ook bedoeld, vrijheid van denken en doen, vrijheid van taal vooral.
Dat bleek al bij den aanvang der beweging. Toen op een der eerste meetingen, den 10en Februari 1862, voorzitter D'Hane in het Fransch eene redevoering wilde beginnen, werd hem langs alle kanten toegeroepen: “Vlaamsch!”... Slechts door bemiddeling van Jan Van Rijswijck, Theodoors broeder, den meest gegeerden volksredenaar dier dagen, en na zich verontschuldigd te hebben niet voldoende Vlaamsch te kennen, kon D'Hane voortspreken. Toen zelfde heer D'Hane later een Fransche vertaling van het vertoog naar de Kamer eischte, werd het hem kortweg geweigerd, na een kranig optreden van Lodewijk Vleeschhouwer; dit geschiedde den 10en Maart daaropvolgende in de Variétés.
Toen reeds was het de Liberale Associatie die poogde de volkstaal te verdringen. Zij ook was 't die het eerst het eerlijk aangegaan verbond verbrak. Na korten tijd wierp zij onbeschaamd het masker af en gaf openlijk het antimilitarisme prijs. Haar afvallen verbrokkelde de Meeting en de verdeeldheid woekerde voort.
De “Conservatieve Vereeniging” en de “Nederduitsche Bond” met de “Commissie van Krijgsdienstbaarheden” zijnde het Uitvoerend Comiteit der Meetingpartij, bleven het programma handhaven. De “Nederduitsche Bond” bleef bij uitstek het midden waar de grootste vrijheid van denken en handelen gehuldigd werd, mits de vrijheid van anderen niet gekrenkt werde. De Bond was het bolwerk van het verzet. Hij was ook de inrichter ervan. Hij stichtte de Wijkkommiteiten, propagandakringen voor elk deel der stad, de kern der latere partijwerking.
In deze Wijkvergaderingen trad de Minister als spreker op. Zijn rond Antwerpsch woord en voorkomen, zijn iever en het aanzien dat hij genoot deden hem tot vertegenwoordiger zijner medeburgers aanduiden. In 1869 werd hij gemeenteraadslid gekozen en hij bleef dit tot den val onzer vrienden in 1872. In 1876 tijdens de straatwoelingen, waarbij het huis van Coremans door het janhagel stormerderhand ingenomen en verwoest werd, genoot hij ook de eer van dergelijk bezoek.
In 1884 werd de Winter volksvertegenwoordiger. Hij zou zich door tien opvolgende verkiezingen in zijn mandaat bevestigd zien.
In 1900, bij de nieuwe indeeling der zetels, werd hij tot bijzonderen vertegenwoordiger der kantons Santhoven en Contich op de Meetinglijst aangeduid. In die hoedanigheid werd hij eene ware voorzienigheid van zijne lastgevers. Telken Vrijdag was het ook eene begankenis naar zijne woning op de Maria-Theresialei en niemand ging daar ongeholpen of ten minste ongetroost heen.
Onder de menigvuldige diensten die de Winter bewees zullen de Vlamingen dankbaar zijn aanhoudend aandringen gedenken om Benoits Muziekschool tot Koninklijk Vlaamsch Conservatorium te verheffen.
Eene lange reeks eeretitels, eene aanzienlijke reeks onderscheidingen staat op de Winters doodsbericht te lezen. Slechts een titel zullen wij daarvan vermelden: hij was voorzitter van het Sint Vicentius Genootschap in zijne vroegere parochie. Liefdadig was hij en die verdienste is wel de duurzaamste die iemand verwerven kan.
In de Meetingpartij heeft het menigmaal gestormd. Tusschen den “Nederduitschen Bond” en de “Conservatieve Vereeniging”, bij dewelke de Winter aangesloten was, heerschte er geen eeuwige vrede. Vrijmoedigheid in zeggen en doen heeft bij ons immers als eene deugd gegolden. Des te meer zullen zij die niet in de meest vooruitstrevende rangen der Vlaamsch- en anti-militaristgezinden staan, deze hulde op prijs stellen.
Schoïers en Coremans zijn ten grave gegaan. Waren zij nog onder ons, overtuigd zijn wij dat zij niet anders dan wij vóór de Winters graf zouden hebben gesproken.
Voor meer dan een zal het echter niet overbodig geweest zijn onze voorgangers in hun waar daglicht te zien en te vernemen wat van de nazaten verwacht wordt.
Jozef Van den Broeck, adv
http://users.skynet.be/ovo/JanBaptistDeWinter.html
4 reacties op dit bericht
allemaal appetijtelijk
Antwoord: Europa! (zeker weten)
Vraag aan "dom blondje": Wat is het toppunt van kleptocratie?
Antwoord: 't kruidvat?
Geen democratische verkiezing van de President !
Het kan mij eigenlijk geen bal schelen ...
Spijtig dat turkije nog niet mee doet.