
Jan Greshoff (1888 - 1971) hier rond 1935
Als er iemand is die de naambekendheid van Willem Elsschot een literaire boost heeft gegeven, dan is het ongetwijfeld zijn vriend Jan Greshoff. Zo deinsde hij er bijvoorbeeld niet voor terug Elsschot ‘De eerste cosmopoliet in de Vlaamse literatuur’ te noemen. Volgens hem waren bovendien Elsschot en Jan van Nijlen de enige Vlaamse schrijvers die niet overschat werden, maar eerder onderschat.
Bekend is ook hoe Greshoff Elsschot na tien jaar zwijgen (na Lijmen dat in 1923 verscheen)) weer aan het schrijven kreeg. Elsschot had zich aangesproken gevoeld toen Greshoff bladerend in Lijmen had opgekeken en gezegd: ‘1923’. Voor de schrijver van het boek had het als een verwijt geklonken en gewerkt als een zweepslag. In veertien dagen schreef Elsschot Kaas, als goot hij melk in de vorm.
Greshoff stuurt op 28 september 1923 Lijmen als drukwerk naar de uitgever Alexander Stols, maar uiteindelijk zal het werk verschijnen bij de Wereldbibliotheek, “monsterlijk” geïllustreerd door Henri van Straten, vindt Greshoff. Jan Greshoff wordt, op eigen verzoek de literaire agent van de Antwerpse schrijver en kwijt zich voortreffelijk van zijn taak.
Wanneer Van Kampen in 1934 de novelle Een ontgoocheling heruitgeeft, wordt die voorafgegaan door een studie van Greshoff, die een ware schokgolf teweeg brengt in de Vlaamse en Nederlandse gemoederen. Niet alle Vlamingen zijn Pallieters, laat hij weten. En de neiging om uit Vlaanderen alleen maar rustieke en opgewonden verhalen te aanvaarden, heeft volgens hem het Nederlands publiek ongunstig gezind gemaakt tegenover Willem Elsschot.
Vervolgens begint hij aan de rehabilitatie van de schrijver. Zeg maar de lancering in Nederland. Hij loopt zodanig hard van stapel dat zelfs De Ridder ongemakkelijk wordt bij zoveel lof.
In 1933 verdeelt Greshoff de hefboomfunctie, benevens zichzelf, over zijn vrienden Ary Delen en Jan van Nijlen. Op die manier slagen zij er in hem over deze waanvoorstelling heen te helpen.
Greshoff bestempelt precies de literair stille jaren tussen de publicatie van Lijmen en Kaas als de belangrijkste van De Ridders leven. ‘Omdat daarin, na een tijd van vertwijfeling, de innerlijke noodzaak van zijn schrijverschap zich onmiskenbaar openbaarde.’
Nadat Greshoff er in slaagt Lijmen van een kleine Belgische uitgever over te hevelen naar een belangrijkere, met name de Wereldbibliotheek, krijgt Elsschot een brede schare geestesverwanten rond zich heen geschaard.
In november 1937 maakt Greshoff een uiterst belangrijk statement in een brief aan Elsschot: ‘De Vlaamse collega’s zullen steeds met Elsschot in hun maag zitten, hetzij omdat Elsschot buiten den toon valt, of omdat hij niet Rooms Katholiek is of omdat hij weigert het gat der letterkundige machthebbers te lekken.’ En de zweep knalt weer wanneer hij in dezelfde brief schrijft: ‘Ik denk nog heel dikwijls aan het vervolg op Lijmen. Dat is een prachtig gegeven.Laat het door niets uit je hoofd halen.’
Op 20 februari 1939 krijgt ‘Beste Jan’ deze Elsschottiaanse brief:
Jan van Nijlen beweert dat ge over een paar maanden naar Z. Afrika trekt. Om daar eens rond te kijken, soit. Maar met de bedoeling daar te blijven? Dat moet ik je ernstig ontraden want ik geloof dat het een land is, zonder boomen en zonder negers. En dan de boeren zelf, dat is het ergste. In jou plaats zou ik hier blijf en nie gaan nie.
Maar niets weerhoudt Jan Greshoff ervan zijn plan uit te voeren. Hij vertrekt inderdaad richting Kaapstad in 1939 met zijn echtgenote en twee zonen, Jan en Kees. Deze laatste leeft met de gedachte zich vroeg of laat aan het schrijven te zetten en heeft overigens verschillende werken van Elsschot in zijn bibliotheek.
Via Angèle Manteau komt het Greshoff ter ore dat ze Elsschot (en anderen) heruitgeeft tijdens de oorlog.
‘Elsschot was niet landelijk, niet lyrisch, niet gemoedelijk, niet goedleefs. Hij was te nieuw. En al wat werkelijk nieuw is, wordt aanvankelijk en steevast verworpen door de spraak- en faammakende gemeente’, schrijft Greshoff jaren later vanuit Zuid Afrika.
Nadat Greshoff zich later vrij kritisch over Elsschot heeft uitgelaten (onder meer over Het dwaallicht en Het tankschip), voelt Elsschot zich diep gekrenkt. De verhouding tussen beiden verzuurt. De afstand is behalve letterlijk nu ook figuurlijk geworden.
Een nieuwgevonden brief van Greshoff, van 20 november 1952, is aandoenlijk. Hij wil opnieuw contact zoeken met zijn oude vriend, aanhaken bij een lang geleden verleden.
Beste Fons,
Ken je me nog? Weet je dat ik nog leef?
Hoe maak je het? Heb je de schrijver geheel en voor goed stop gezet? Ben je gezond, opgewekt, vol goeden moed?
Mag ik je, verwijzende naar onze oude vriendschap, een dienst verzoeken?
Er woont in dit verre land een stille bewonderaar van je, een voortreffelijke kerel, waar je het zeker goed mee zoudt kunnen vinden. Die man zou je (en mij ook) zielsgelukkig maken als je hem een boek van je wilde opsturen met een eigenhandige opdracht erin geschreven. Ziehier zijn naam en adres:
Wim Hardonk
Postbus 437
Germiston (Transvaal)
Zuid Afrika
Ik denk dikwijls aan de heerlijke tijd dat (je) mij en ons beider vrienden je nieuwe werk voorlas.
Het gaat alles goed. Ik ben als een kluizenaar en teer op mijn oude herinneringen. Een tijd zoo heerlijk als die in België heb ik sindsdien niet meer gekend.
Bij voorbaat hartelijk dank, met niets dan goeds en hartelijks voor jou en de jouwen,
Steeds je oude
Jan
Willem Elsschot voldoet aan de bede, maar houdt er blijkbaar het zwijgen toe, waarop Greshoff hem op 1 december 1952 een herinneringsbrief stuurt, ook deze keer zonder succes.
Een paar jaar voor Elsschots dood zoekt Greshoff hem in Antwerpen op, samen met Marnix Gijsen. Over het verloop hiervan bestaan er helaas geen gegevens.
De allerlaatste brief schrijft Greshoff op 31 oktober 1955 vanuit New York. Elsschot heeft hem dan al ondubbelzinnig laten weten dat hij niet meer schrijft, dat het hem niet goed gaat. Greshoff is ontmoedigd omdat Elsschot hem niet op de hoogte heeft gebracht van een Amerikaanse vertaling die hij toevallig heeft ontdekt in een boekenhandel.
Niets zou me liever zijn dan dat het je in elk opzicht wèl ging. De reden van deze brief schuilt in een bittere teleurstelling. Gisteren, bij Clark Stillmann, zag ik een exemplaar van je Verzamelde Gedichten, kloek en fraai in Moffrika gedrukt. Het bestaan hiervan was mij niet bekend. Ik behoef zoo iets kostbaars niet ten geschenke te ontvangen, doch men kan mij toch van het verschijnen ervan op de hoogte stellen.
Jij weet toch hoe oprecht en innig ik met je werk heb meegeleefd. De middagen dat je iets nieuws bij mij kwam voorlezen of dat wij daartoe bij jou kwamen, staan in mijn herinnering gegrift. Mijn genegenheid voor Fons De Ridder evenaarde mijn bewondering voor Willem Elsschot. Ik vergeet mijn vrienden niet en blijf mij steeds aan hen gebonden voelen.
Jan Greshoff junior: ‘Ik kan je alleen vertellen dat mijn vader een ongelofelijk enthousiasmerend iemand was. Als hij mensen aan het schrijven wilde krijgen, deed hij daar alles voor. Sprak en schreef hij daar met ophef over. Altijd had hij voorstellen, advies en aanraders klaar. En hij kreeg ze ook aan het schrijven. Elsschot niet in het minst.’
‘Hij was overtuigd van de kwaliteit van het werk van Elsschot. Tot op het laatst. Hij schreef eerlijk zijn mening. En bij Het tankschip en Het dwaallicht had hij meer kritiek, dat klopt.’
‘Recensies hadden niets te maken met vriendschap. Ik kan me niet voorstellen dat Elsschot daarover is gestruikeld. Mijn vader heeft altijd op een eerlijke wijze kritiek geschreven. Of dat nou om Ter Braak ging of om Elsschot.’
Greshoff junior heeft één herinnering aan de Lemméstraat, waar hij Elsschot met zijn broer Kees en vader en moeder ooit bezocht. Haarscherp ziet hij voor zich hoe de vrouw en een dochter van de schrijver het eten op tafel brachten, maar zelf niet aan de maaltijd deelnamen. ‘Dat vonden wij hoogst opmerkelijk’, zegt Jan. ‘Dat zijn Kees en ik nooit vergeten. Wij waren gewend dat moeder overal bij was.’
Raymond
(Vrij bewerkt naar “Een Man van Woorden” door Martine Cuyt)
6 reacties op dit bericht
ik mis een paar afbeelding op CAP- kaartje
http://www.hetvrijevolk.com/index.php?pagina=9740
onverenigbare visies
"We moeten psychopaten behandelen als mensen, niet als monsters."
Jan met gezond verstand onder de pet:
"We moeten monsters behandelen als psychopaten, niet als mensen."
Departement Justitie:
"We moeten mensen behandelen als monsters, niet als psychopaten."
Lucky9: We moeten helemaal niets, en zeker niet nutteloos behandelen.
" genoten "
Vlaamse gevangenen
In zijn boek "Boete zonder schuld" beschrijft de gewezen en destijds aangehouden (maar later vrijgesproken) raadsheer Jan Beirens hoe hij in het Nederlands aan een bewakende rijkswachter bij een transport vroeg om zijn boeien iets losser te maken omdat zij geweldig klemden. Waarop deze antwoordde "Je me fous de ton flamand". Toen Beirens het nogmaals in het Frans vroeg, draaide de rijkswachter zijn boeien nog wat vaster.