De sneeuw van mijn moeder ?
De lucht werd grijzer, de wolken hingen lager,
van zo’n grijs dat mij aan sneeuw liet denken.
Buiten werd alles stiller, de geluiden doffer,
geen schelle stemmen meer, geen harde woorden,
maar ’n zachte sfeer die ons omarmde, teer.
Ineens poogden flinterdunne witte sliertjes ons te raken,
ook de bevroren grond.
Ze dwarrelden naar beneden, en bleven zweven,
en plakten op mijn mond.
‘Kijk, het sneeuwt’, hoorde ik, hief mijn gezicht naar de hemel
en ontwaarde donkere plekken die ogen konden zijn,
een donkerder boog die de mond kon wezen
en een vlekje voor de neus…
Zou het mijn moeder zijn die dit fijne engelenhaar naar mij liet zweven?
Ik glimlach, staar haar aan en begrijp,
en ik weet dat ik nu heel dicht bij haar ben.
Of is het omgekeerd, ben ík naar haar opgestegen
om voorgoed bij haar te zijn?
De luchten trekken verder dicht, en heb verdriet omdat zij er plots niet meer is
maar weggeduwd door dikkere vlokken, die harder naar beneden tollen,
net of zij mij laten mij weten dat ik mijn moeder loslaten moet,
ooit.
Maar ik kan dit niet, zij is altijd zo dicht bij mij geweest, en ik kan haar niet missen,
nooit.
Een zacht velouren tapijtje dekt alle vuil dicht,
verstopt de harder realiteit van weggegooide dingen,
verzacht vleiend het harde leven, en strooit een beschermende lap wit
over ons donkere heden…
Ik treur niet en toch heb ik verdriet, want mijn moeder zien kan ik niet meer, niet…
Kristin - winter 2010