
Ik was vandaag op wandel in de stad van iedereen, gewapend met goed humeur en met de handen voor de ogen, omdat er veel door de vingers moet gezien worden.
Om de grote toeloop van dit weekeinde naar het Museum aan de Stroom (het MAS) te vermijden, wil ik vandaag een blik werpen op de donkerrode klomp die ons plechtig aangekondigd wordt door de Weldoeners van het Schoon Verdiep als een "landmark". Het moet zoveel mogelijk in het Engels tegenwoordig. Franskiljons hebben wij in het zand laten bijten, nu hoor je er pas bij, als je kan zeggen "Aai laaik joe". Onze eigen prachtige Nederlandse taal is enkel goed om te gebruiken op intieme momenten, liefst in haar verkavelingsversie : "Nondedju, Sabine, d'er is geen zout oep de patatten". De conversatie daarentegen bij terrasjesweer op het Zuid with the friends klinkt nonchalant met een kauwende bek in juke-box Engels : The new museum, de Maas, is a landmark laaik den Boerentoren, but massiever and loemper. O look; what did me say, the maas is maassive. Me am funny !" Bob Cools was de enige bewoner ooit van het Schoon Verdiep die zich in correct King's English tot buitenlandse gasten kon wenden. Het was nagenoeg het enige waarin hij uitblonk, voor de rest overlaadde hij iedereen die in zijn omgeving kwam met de grofste schimpscheuten. "Amai, Simonne, gij hebt nogal een dik gat gekregen, zenne ..." De burgervaders en -moeders van Antwerpen hebben zelden de klasse geëvenaard van een Lode Craeybeckx en de beschaafde bescheidenheid van Mathilde Schroyens.
De sfeer in deze stad laat geen ruimte meer voor nostalgie sinds de Grote Invasie. Het Schipperskwartier, Sint Andries, de Seefhoek, Stuivenberg, deze wijken en menig andere zijn gezwicht onder de jarenlange sirocco. Zelfs de oude Antwerpse geesten zijn op de vlucht geslagen voor de wind en het zand uit de verre woestijnen.

Nauwelijks tweehonderd meter verwijderd van het MAS-van-de-Antwerpse-Gloriol strekt zich een van de meest naargeestige straten van deze buurt uit, het Klapdorp. Tot voor een aantal jaren een aangename winkelstraat die de grens vormde tussen het rode lichtjeskwartier en de deftige burgerwijken. Nu een verlaten spookstraat. De geniale bestuursploeg van 't stad heeft er een Woonkantoor gevestigd. Als je er voorbijwandelt, barst je in tranen uit, zo zielig ziet het er uit. Toen ik even haltte om een foto te maken, kwam een oudere mevrouw naar me toe : "Awel jongen, zedde van de gazet ?" Ik ben blij dat ik voor een keer niet als eerste een gesprek moet aanknopen. Mevrouw heet Francine (op zijn Antwerps uitgesproken : Frànsin) en ze "weurdt misselak van de centen die tegen dat mottig museum zijn gesmeten terwijl dat de gewoon mengse van de wijk aan hun lot weuren overgelaten. En die Janssens da's een remedie tegen de liefde. Ik hem in mijne joenge tijd genoeg vengten versleten ... " Die laatste ontboezeming had ik helemaal niet uitgelokt, ze was niet terzake maar ze kwam recht uit het hart van deze ontgoochelde dame die ooit van een andere oude dag zal gedroomd hebben.

Kinderlawaai, ik hoor en zie kinderen in gele jasjes aankomen. Het trieste Klapdorp verandert in een joelend, kleurrijk speelplein. Ik sta tegen de huizen met mijn cameraatje, en ik wuif naar de kinderen : dat vinden ze leuk een man met een fototoestel, ze trekken gekke bekken en ze lachen zoals kinderen dat kunnen, blij en gelukkig met een niks. Een kinderuur duurt soms een ganse dag en het scala van vele gevoelens wordt er in ijltempo doorgejaagd, als een toegangsexamen voor Grotemensenland dat grijnzend wenkt. De ontluikende minnaresjes in sommige meisjes lonken hoopvol of pruilerig alsof de oude mijnheer met zijn prutscameraatje de deur op een toekomst à la Heidi Klum kan openen. Ik klik enkele malen alsof het echt is. De kinderen stralen.

Langs de Stadswaag wandel ik naar de tuin van de Academie voor Schone Kunsten waar Vincent van Gogh het na drie maanden voor bekeken hield. Enkele studenten zijn aan het zwoegen in het paviljoen om de verlichting hoger te hangen. Is er geen technische ploeg die dat kan doen ? Neen, want hier gaan zij een groot project bouwen en dan moeten zij alles zelf verstouwen en als het klaar is, zal ik zeer welkom zijn. Het ontroert mij, het enthousiasme van deze jonge mannen en vrouwen. Zowat vijfenvijftig jaar geleden zat ik op de Stadswaag om de hoek van de Academie, in de Gard Sivik bij Herman Denkens of op de Zolder bij Marc de Schrijver te dromen en te zagen over de nieuwe poëzie en het experimenteel theater waarmede wij de wereld gingen veroveren en veranderen. Op de gevel van café Köln op de hoek van de Stadswaag en de Hoornstraat prijkt een gedicht van Gust Gils. Ik heb hem nog gekend, de experimentele poëet en ik voel me gelukkig dat hij op deze manier geëerd wordt. Een moeilijk leven, een getormenteerd man, een gevoelig cynicus.

Onderweg zie ik nog verschillende groepen schoolkinderen die op stap zijn. Even later merk ik dat ze allen verzamelen op de Grote Markt bij een podium met luide muziek. Alweer feest in de stad. Naast mij lopen enkel klassen en aan een onderwijzeres vraag ik wat er aan de hand is. "Ha, mijnheer, dit is voor een goed doel dat wij naar hier komen, om te zingen voor Venetië". Ze is ontzettend vriendelijk, deze mevrouw met de enorme verantwoordelijkheid om van kleine mensjes behoorlijke jong-volwassenen te maken. Op mijn vraag wat dit inhoudt, spreekt ze als een pamflet : "Aan de scholen werd gevraagd om aanwezig te zijn met zoveel mogelijk kinderen, die allen een klein bedrag betalen en dan zullen zij liedjes zingen, begeleid door een orkest en de opbrengst komt integraal ten goede aan een goed doel in Venetië." Nu, dank u wel, mevrouw, en ik bedenk stilletjes dat ik het wel zou zien zitten dat zij in mijn keuken lekker kookt en me dan vrolijk toeroept "Komen eten, het is spaghetti alla Veneziana". Hoe we de avond verder doorbrengen in onze Venetiaanse gondel, daar heeft niemand zaken mee. Een "goed doel" in Venetië, vind ik nochtans vreemd.
Een zestal agenten geven mij vriendelijk toelating om binnen het omheinde gedeelte van de Grote Markt enkele foto's te nemen. Er staan honderden kinderen te joelen en te dansspringen. Een aantal onder hen zwaait met zelfgemaakte Viëtnamvlaggetjes. Vreemd. Ik vraag aan enkele volwassenen wat er aan de hand is en zo sprokkel ik bij mekaar dat dit een initiatief is van de VZW "Children of the Street" die een grote zangstonde inrichten ten bate van een dovenschool in Viëtnam. Niet in Venetië, mevrouw de onderwijzeres was even in de war. Het is niet erg. De enkele kindjes die ik nieuwsgierig vraag of zij weten wat of waar Viëtnam is, schudden heftig neen met het hoofdje, maar ik mag wel foto's nemen, mijnheer, is het voor de gazet ?

Met gemengde gevoelens ga ik naar huis. Ik heb vandaag veel jeugdig enthousiasme ervaren en ik heb genoten van blinkende kinderogen. Dit heeft me ontroerd en blij gemaakt. Nog meer dan voorheen ben ik bezorgd voor de toekomst van deze jongeren. Mijn stad heeft al zovele generaties laten leven in de meest verwarrende, gelukkige en intrieste periodes.
Antwerpen, mijn lieve stad, bekommer je met evenveel liefde over de kleintjes en de jeugd die morgen met jou zullen leven en hopelijk evenveel van je houden als wij, de scheidende generatie, dit doen. Want op de bestuurders die in je sierlijke stadhuis verblijven, moeten we niet rekenen.

Tekst en foto's : Ray