
Waar niemand in gelukt is, namelijk de Libische vluchtelingenkindjes hun exclusiviteitrecht op het gebruik van de biljarttafels te ontfutselen, daarin slagen de Turken. U leest het goed : de Turken. De avond voordien in het restaurant werden enkele tafels bezet door zwartharige mannen, slecht gekleed, nog slechtere tafelmanieren, allemaal in de leeftijdklasse tussen 30 en 40. Moeilijk in te schatten wie ze waren en waar ze vandaan kwamen.
Ze pasten in geen enkel plaatje: Libische vluchtelingen? Neen, duidelijk niet. Toeristen? Onmogelijk. Eeltige handen, nogal gespierd, mannen die met hun handen hun brood verdienen. Geen Noord-Afrikaanse gelaatstrekken: Roemenen of Kosovaren, dacht ik. Niet dus: het bleken Turken te zijn. Het verklaarde meteen waarom ze zo op zichzelf gesteld bleven: niemand – buiten enkele animatoren met Turkse achtergrond – spreekt in Djerba, of elders in Tunesië, Turks.
Ik verneem dat ze enkele weken geleden daar ook al eens gedropt werden, recht van de luchthaven naar de club, één overnachting. De volgende ochtend werden ze door een bus opgehaald en naar de Tunesisch-Libische grens gereden, waar aansluitend vervoer hen opwachtte. Ze moesten ergens in Libië een karwei gaan opknappen. Ik heb niet kunnen achterhalen wat ze daar moesten gaan doen, maar het lijkt me niet onlogisch dat er een geurtje aan vastzit. In oorlogsgebied, een groep van 35 Turkse arbeiders, die met niemand in dat land kan communiceren, met een opdracht… Misschien zou de opheldering tot een diplomatisch incident kunnen leiden… We zullen het nooit te weten komen. Ik hoop voor hen dat ze een gevarentoeslag bovenop hun loon kregen. De groep bleef twee dagen: ze aten en dronken, praatten met niemand en verdwenen op dezelfde manier als ze gekomen waren: in een bus, in de omgekeerde richting, naar de luchthaven.
Er zijn zo van die raadseltjes. Op vakantie is mensen observeren even boeiend als de boeken van Colin Dexter. In een vroeger leven kon met dit doen op de De Keyserlei in Antwerpen. In één van die zgn. visbakken, de glazen terrassen, een stoel aan het raam en naar buiten kijken. Nu doe ik dat niet meer: te deprimerend. Na een aankomst van nieuwe vakantiegangers-landgenoten, is het een uitdaging te raden waar ze specifiek vandaan komen. West-Vlamingen, da’s niet moeilijk, ik versta hen niet. Limburgers, da’s even gemakkelijk, ik hou ze meestal voor koorleden op retraite. Oost-Vlamingen, die zijn meestal nogal betweterig en Vlaams-Brabanders, zijn de minst ingewikkelde. Antwerpenaren zijn wereldreizigers, of ze denken dat toch te zijn. De Walen zien “mijn” club blijkbaar niet zitten. Ik maak kennis in de bar (meestal is het daar) met een man uit een kleine Oostvlaamse gemeente. Bij het zien van de zwarte madammen buiten op het terras, verklaart hij dat hij de pest heeft aan de cultuurverrijkers. Hij gebruikt een minder lieflijke, doch zeer duidelijke beschrijving, die ik als welopgevoede dame niet kan herhalen… En voegt eraan toe dat hij, in zijn gemeente, de eerste was om lid te worden van het Vlaams Blok.
En hij wacht af hoe ik zal reageren. Ik vraag hem te raden naar mijn politieke voorkeur. En hij doet het niet slecht: hij stelt dat ik geen meeloper ben, en dat ik daarom slechts bij één van de twee uitersten van onze kiesmogelijkheden in te delen ben. Als ik hem antwoord mij aub niet te beledigen, dan is het voor hem duidelijk dat we dezelfde partij in ons hart dragen. Ons kent ons.
Bij een animatrice – ze moet de kleine kindjes overdag opvangen – ligt het iets anders. Na een zoveelste opmerking van een niet zo snuggere buitenlander over talen, nl. dat ik “belgisch” spreek, probeer ik nog maar eens uit te leggen hoe de taalonevenwichten in het land b in elkaar zitten. Zij voegt eraan toe dat ik haar vergeten heb: ze is immers Brusselse… Het wicht, een lief blond meisje, hoort mijn repliek eerder stoïcijns aan: “Brussel is – tot nader bericht – de hoofdstad van Vlaanderen, zijzelf is Nederlandstalig, ik beschouw haar bijgevolg als een Vlaamse, dat Brussel slechts een stad is met een over het paard getild schepencollege”, dan weet ze niet meer goed hoe te reageren. Ik kom tot de conclusie dat men bij de hoteldirectie een zeer goed profiel van haar geschetst heeft: bij de kleuteranimatie zit ze op haar plaats.
Waar men ook kan naar raden is naar de burgerlijke staat van koppeltjes. Vanaf 35 is een dolverliefd koppel met quasi zekerheid getrouwd – maar niet met elkaar. Het normale gezin heeft dan een min of meer onopvallende relatie, met kindjes, met de halve trouwbroek die regelmatig de toog opzoekt, gaat sporten, zich sociaal ontspant bij het animatieteam, een haantje de voorste is bij allerlei spelletjes, enfin, de modelechtgenoot die twee weken probeert te ontsnappen aan de werkelijkheid van “samenzijn”. Misdoet hij iets? Neen, hij is gewoon op zoek naar zijn verloren vrijgezellenbestaan. Zo zijn mannen. De verstandige wederhelft laat hem begaan.
Linde Edelinck
Wordt vervolgd.
1 reactie op dit bericht
Dat
Maar hier in eigen belastinparadijsland kunnen ze amper de pensioenen uitbetalen, of voor een degelijk loon zorgen.
Hier bij ons (in onze straat) is zo een geval bekend , wanneer dat de vader het land van herkomst gaat bezoeken, komt hij steevast terug met een achtergebleven telg, en ze zijn allemaal van hem,(hij kan bijna zijne ene poot niet meer voor de andere zetten) langs kassa geen mens kan dat controleren met hun voddepapiertjes, ze weten amper hun geboortejaar.