Bomen zien en tekenen

Wie niet dient, dient tot niets
Bomen zien en tekenen
Gebedsdienst bij de begrafenis van dhr Luc Stevens- De steen -
Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier hou je niet tegen.
Het water vindt er altijd een weg omheen.
Misschien eens gevuld van sneeuw en regen,
Neemt de rivier mijn kiezel mee.
Om hem dan glad en rond gesleten,
Te laten rusten in de luwte van de zee.
Ik heb een sten verlegd in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,
Ik leverde 't bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
De stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.
(Bram Vermeulen)
Luc heeft in ons leven een steen verlegd, waardoor ons leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Als herinnering aan hem krijgen de aanwezigen, als ze naar voor komen om Luc de laatste eer te bewijzen, een wit steentje mee. Het is een symbool dat hij ook in ons leven aanwezig zal blijven.
Bomen kijken en tekenenHierboven zou ik de boom, getekend door André Van Laere, willen afdrukken. Indrukwekkend.
Een deze dagen hoop ik erin te lukken. Hieronder beschrijft hij het scheppingsproces
Bomen kijken en tekenen
Een boom is een individu, vooral als hij alleen staat, zoals hier, temidden vaneen gras veld. Hij heeft zijn eigen gestalte, zijn eigen bewegingen en zelfs zijn eigen inwendig leven. Deze is er een die zich weelderig ontplooit en onmiddellijk imponeert. Tegenover hem gaan zitten betekent: zeer klein worden. Toch doen wij het, bijna als een oefening in nederigheid. Deze vast gewortelde, traag groeiende en verder niets doende takkendrager daagt ons uit, nietige, haastige wezens.
Wij wennen niet aan zijn altijd eender geruis. Hij bestaat al zoveel langer dan wij, hij heeft zijn aanhechtingspunten in een andere, geschiedenisloze wereld, hij welft zich onverschillig over ettelijke mensengeneraties heen. Dit doet ons onwillekeurig duizelen. Hij schijnt ons te bedreigen, wij verliezen er weldra onze alledaagse zekerheid bij. Maar hij lokt ons eveneens naar zich toe, want hij is volmaakt en rustig en sterk.
Wie hem van naderbij wil leren kennen, neme tekenboek en pen en zoeke een geschikt contemplatiepunt uit, om hem over te brengen op het witte blad. De late avondzon zal zorgen voor licht en reliëf.
Wist u dat bomen spreken?!“Indianen die in nauw contact staan met de Natuur en haar Meester, leven niet in het duister. Wist u dat bomen spreken? Ja, dat doen ze. Ze spreken tegen elkaar, en ze spreken ook tegen u als u maar luistert. Maar blanken luisteren jammer genoeg niet. Ze hebben nooit naar Indianen leren luisteren, wat zouden ze dan naar de stemmen van de Natuur luisteren? Zelf heb ik van de bomen veel geleerd: soms vertellen ze van het weer, dan van de dieren, dikwijls ook van de Grote Geest.”
“Mijn volk en de blanken weten dat ik er niet aan denk om ook maar het kleinste stuk van mijn grond te verkopen, en ik wil ook niet dat de blanken de bomen omhakken, vooral de eiken niet. Ik houd erg veel van de eikenbosjes. Ik kijk er graag naar, omdat ze de stormen van de winter en de hitte van de zomer trotseren. Ze lijken op ons, want hoezeer ze ook bloot staan aan het geweld van weer en wind, ze krijgen daarvan ook kracht.”
“Alles wat beweegt, staat van tijd tot tijd hier en daar stil. Een vogel vliegt rond, maar hiér blijft hij een tijdje zitten om zijn nest te bouwen, en dáár om van het vliegen uit te rusten. Een man die op weg is, blijft staan als hij wil. Zo heeft ook de Schepper gepauzeerd. Een plaats waar hij zijn tocht heeft onderbroken, is de zon, de mooie, stralende zon. Ook bij de maan, bij de sterren en de winden heeft hij gestaan. Waar bomen groeien en dieren leven, heeft hij vertoefd, en een indiaan is die plaatsen indachtig, en stuurt zijn gebeden daarheen, om de plek te bereiken waar de Schepper gerust heeft, en om haar hulp en zegen te verkrijgen.”
Getuigenissen van Noordamerikaanse Indianen, opgetekend door T.C. McLuhan, Canadese antropologe, in: Wie der Hauch einen Büffels im Winter
Ook bomen zijn eindigLaat de bomen leven.
maar laat ze ook sterven als hun tijd is gekomen.
Laat dendrologen zieke bomen genezen.
Maar houd stervend ebomen niet in leven
tegen hun wet enwil,
met injecties en ijzeren hoepels om hun stam.
Oude mensen zeggen: Eens
stond hier de linde op het plein.
Ook dat is goed.
Ik ben geen meester over leven en dood.
Ook bomen zijn eindig.
Frans Cromphout
Bomen dringen zich niet op!Bomen dringen zich niet op!
Mensen vragen om je aandacht.
Zie je me? Hoor je me?
Wil je? Kun je?
Mensen wekken en prikkelen je,
dagen je uit.
Bomen dringen zich niet op. Ze zijn er
als alle zwijgende dingen,
water, aarde, steen en plant.
Ze vragen of willen niets van je.
Ze zijn er, als je oog ze nodig heeft
of je hand.
Daarom zijn bomen herbergzaam.
Vogels wonen erin.
En kinderen soms.
Tussen bomen wandelen.
Opgenomen zijn.
Rust vinden.
De gestalte van de boom verandert met de seizoenenMet de seizoenen
verandert zijn ( = de boom) gestalte.
Voor mij is hij het zuiverst boom in de winter:
naakt skelet,
boom tot zijn pure vorm herleid.
Met de seizoenen
verandert zijn relatie tot het licht.
Pril en speels het licht van het voorjaar
door nieuw groen en bloesems.
Hoog en ernstig de zomerzon
boven de volle kruinen.
Het wijkende, zinkende najaar
kleurt boom en blad en grond.
Het lage, schaarse winterlicht
rust op zijn lege takken.
Ik heb de donkerte nodig. Ik heb de hemel nodig!
De gestalte van de boom.
Zijn wortels. De donkerte waar alles begint.
Ik heb donkerte nodig, en
grond, diepte, slaap, onbewogenheid.
Zijn kruin. Reiken naar het licht.
Speling van twijgen en bladeren.
Ik heb de hemel nodig.
Hoogte. Licht. Bewogenheid.
De stam is ernst. Is kracht.
De zijtakken: spanning naar alle zijden.
Evenwicht van spanningen.
Eén keer per jaar is voldoende!
Eén keer per jaar is voldoende!Ik zou, denk ik, niet zoveel houden van boom
die “twaalf maal vrucht draagt, elke maand eens” (Apok. 22, 2).
Het is te veel.
Ik zou minder verwonderd zijn, minder dankbaar.
Eén keer per jaar is voldoende.
Dan ben ik weer diep met de tijd verbonden.
Waarom dragen 'macht'-hebbers lange kleding?
Fruit is geweldloos voedsel!Fruit is geweldloos voedsel
In de krant van las ik ooit, Mother Lea Provo,
stichteres van Seevapoor, bij Madras,
een dorpsgemeenschap in de geest van Gandhi:
“De aanleg van een tuin was één van de eerste dingen.
We plantten er fruitbomen in.
Je doet er niets aan
en toch vallen de vruchten, elk seizoen.
Je moet alleen je hand uitsteken.
Fruit is geweldloos voedsel.”
Alles heeft zijn tijd: dat leren ons de fruitbomen!In verzamel de bloesem van linde en vlier;
ik pluk de vruchten van kerselaar en pruimeboom.
Dan peren, de appelen.
De najaarswind slaat de okkernoten los:
ik raap de laatste vrucht van het jaar
uit het vochtige gras.
Nu komt de winter.
Alles heeft zijn tijd.
Zolang je er de kracht toe hebt,
moet je één keer per jaar in een appelboom klimmen.
Om te voelen hoe de boom gewillig loslaat
wat hij maanden lang heeft gedragen.
Om dankbaar te zijn en te zeggen dat het goed is.
Het bestaan is gezegend.
En als de oogst schraal is,
méér genieten van minder.
Iedere boom is een levensboomIedere boom is levensboom.
Sappen worden omhooggezogen door de schors.
Groei is onzichtbaar, onhoorbaar.
Jaarringen zijn de traagst denkbare zandlopers.
Wie een boom plant,
gaat een verbond aan met de tijd.
En leer wat geduld is.
Plant een boom,
als er een kind geboren wordt.
Dan zie je ze samen groeien.
Het kind groeit snel, de boom langzamer.
Maar hij wordt groter dan het kind, de vrouw, de man.
En het duurt langer.
Waarom dragen 'macht'-hebbers langer kleren?Waarom dragen 'macht'-hebbers lange kleren?
Priesters liepen tot voor kort in lange kleren rond en dragen nog altijd lange kleren tijden liturgische vieringen. Rechters dragen een lange toga en de advokaten evenzeer. Koningen en keizers liepen vroeger - zeker in statiegewaad - met lange kleren getooid. Waarschijnlijk kan je zelf nog talrijke andere voorbeelde geven.
De vraag is: Waarom dragen 'macht'-hebbers of als je wil 'gezags'-dragers lange kleren?
Wie kan mij helpen aan een zinvol antwoord?
Omgaan met bomenOmgang met bomen
Bomen zijn niet alleen natuur.
Ze zijn evenzeer cultuur.
In het oerwoud is de boom naamloos onderdeel van blinde woekering.
De mens heeft de boom apart gezet.
Hij plant een boom bij het huis, bij het water,
Aan weerszijden van de weg.
Ik heb tuinen en parken aangelegd, zegt koning Salomo,
En ze met allerlei fruitbomen volgeplant.
Bomen hebben namen gekregen,
Zoals de dieren, de planten, de sterren.
De mens snoeit bomen, ent en veredelt ze.
Door de boom wordt hij mens:
Verzorger, behoeder.
VluchtelingVluchteling?
Maar ik ben geen vluchteling
Want ik ben niet gevlucht,
ik ben weggewaaid
als een blad van een boom.
Er is in ons land
een verschrikkelijke wind opgestoken,
een wind vol vuur en verkrachting
en op een dag,
op een dag die ik me niet meer durf te herinneren,
ben ik weggewaaid.
Wie zou er uit zichzelf vluchten,
wie zou zonder afscheid te nemen
z’n eigen huis,
z’n eigen dorp of stad,
z’n eigen land,
z’n eigen familie in de steek laten
en dan
ergens komen
waar je niet welkom bent?
Vluchtelingen zijn nooit welkom,
nergens,
dat weet iedereen,
dat heeft de geschiedenis
al zo vaak bewezen.
Waarom zou je dan vluchten,
waarom een langzame dood
in een vreemd land
als je op de drempel van je eigen huis
ook kunt sterven?
Vluchtelingen bestaan niet,
er bestaan alleen weggewaaide mensen
die door de wind
over de wereld zijn geblazen.
(uit: Mirad, een jongen uit Bosnië)
Help mij a.u.b.! Ik zit met een moeilijke vraag?
Het gebed van boer WortelGebed van boer Wortel
Morgen verzorg ik de gebedsdienst bij de begrafenis van dhr Maurice Schoukens.
Maurice Schoukens was een boer in hart en nieren. Een man die heel zijn leven onder twee werkwoorden stelde: WERKEN en ZORGEN.
Op 5 september ll., reeds opgenomen in de kliniek, vierde hij zijn tachtigste verjaardag. Op de vraag van zijn broer: "Hoe oud ben je nu?" antwoordde Maurice: "Ik ben nu tachtig jaar en daar kan je niet kwaad voor zijn, daar kan je alleen DANKBAAR voor zijn". Het zijn zijn laatste bewuste woorden geweest. Woorden om als kinderen en kleinkinderen in het hart te bewaren.
Daarom kozen wij als eerst lezing het gebed van boer Wortel.
In ‘Boerenpsalm” van Felix Timmermans lezen wij het gebed van boer Wortel. Dat gebed kan ook het gebed van Maurice geweest zijn:
“O, Heer, laat mij nog lang werken. Laat het nog lang duren! Het is zo goed en schoon en ik heb nog niet genoeg heimwee naar Uwe hemel om er mijn schup bij neer te leggen. Ik heb maar heimwee naar mijn veld. O mijn God, en ik zeg U dank voor dit open veld, waar Gij onzichtbaar overheen staat tot in het hoogste der luchten. Ik zeg U dank ’s nachts als ik U tussen de sterren hoor ruisen. Ik zeg U dank om de lente, de zomer, de herfst en de winter, want het zijn vier gebaren van uw goedheid, en hun genot en vrucht zijn telkens dezelfde en toch immer als voor de allereerste keer.
Ik zeg U dank om de regenbogen die Gij op de donderwolken spant, om de regen die mijn gewas verkwikt, om de zon die hen uit de grond zuigt, om de winden die ’t kwaad wegjagen en de windmolens doen draaien, en om de sneeuw die ’t winterkoren induffelt. Dank om de maan als ze op of afgaat, zo doet toch altijd iets goeds, als haar kattestreken kent. Dank om de vallende blaren, ze zijn mest, dank om het gras dat melk wordt! Dank om de wolken, om de beek, om de knotwilgen, en om al de gewassen, zowel om den biet als om de radeskens; onder Uwe asem bekomen zij de wil om te leven, hun nodige smaak, kleur en grootte. Dank om Uw bezigheid dag en nacht. Gij zijt onze hulp, Uw heerschappij wroet als een knecht.
Ik dank U Heer, in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen. Dank tot U in het Heilig Sacrament, wiens hostie broederlijk van hetzelfde koren komt waar wij onze boterham van eten, en die wij aanbiddend in de processie door de velden met keerslicht en wierook omringen. Dank zelfs tot Jezus die ik uit hout gesneden heb en de grote donkerte en ’t weinig licht van hart heeft nagegaan.
Ik dank U Heer ! … Op harpen en snaren ! Staat er in mijn kerkboek, maar ik heb niets dan mijn heel en hevig hart! Uit heel de volheid van mijn ziel !
En laat Uw Wortel als tegendank nog vele jaren op Uw veld (dat spijtig, ook van ’t kasteel is) in het zweet zijns aanschijns mogen werken!
Dank op voorhand!
Uit: ‘Boerenpsalm’, Felix Timmermans
Waarom zoveel over bomen?Waarom zoveel over bomen?
Kruipt eens in de ‘huid’ van een kevertje dat zich op de grond tussen het hoge gras voortbeweegt. En sta dan stil, om verbaasd rond te kijken naar die hoog boven je hoofd oprijzende reuzenhalmen… Dat doet zo’n insect natuurlijk niet. Maar wij mensen zijn niet altijd zoveel beter. Als we namelijk door een bos lopen, zijn we ongeveer in dezelfde situatie als dat beestje tussen het gras…Met dit verschil, dat de boom het hoogtepunt, de bekroning vormt van het plantenrijk.
De boom – in het enkelvoud. Waarbij we liefst denken aan een min of meer alleenstaande boom. Want in een bos komt de boom minder tot zijn recht: we dreigen door het bos de boom niet te zien. Daar gaat het ons om: de boom leren zien.
Maar hebben we dan niets belangrijkers te doen? Dat is het juist: sommige ‘onbelangrijke’ dingen zijn in het leven (‘léven’) van een mens nu eenmaal niét zo onbelangrijk. Onder meer meditatief bezig zijn. Een pleidooi hiervoor achten we overbodig: er is voldoende literatuur over meditatie als tegenwicht tegen drukte en gejaagdheid; als herstel van dát stuk van onszelf waarvan het verlies de psycholoog M. Wertheimer ertoe bracht een volwassene te definiëren als een ‘ontaard kind’; als een manier om meer te beantwoorden aan de bedoeling van een Schepper die de mens vreugde wilde zien beleven aan de tuin van zijn schepping.
Een uitstekend middel hiertoe: aandacht overhebben voor een boom, tijd verliezen aan die boom. Waarom juist een boom? Omdat, als we een algemeen menselijk symbool zoeken, een symbool dat aansluit bij diepere lagen van ons wezen en dat, bewust gemaakt, de opbouw van onze persoonlijkheid ten goede komt, we het best terecht kunnen bij de boom: hij ligt – in een tweevoudige betekenis – het meest binnen ons bereik.
Het protest tegen het ondoordacht vellen van bomen en de populariteit van het boompjes-planten zijn slechts de buitenkant van een diepere liefde en verering voor de boom, waarto we de aanleg in ons dragen.
Probeert u maar eens die aanleg tot ontwikkeling te brengen. Begin met iets over bomen te lezen. Verzamel mooie afbeeldingen van bomen. Blader eens rustig in een boek met afbeeldingen van het boom-symbool. Maar vooral bekijk bomen in levende lijve.
Kijk er b.v. naar als u in de trein zit. Ook in de winter! En natuurlijk in de lente, als ze allen nog maar met fijne tule of met donzige gaas zijn omhangen. Verwonder u over de vele vormen die ze aannemen: lange fijne pluimen of kort dikke vederbossen, reusachtige sparrekegels of opengevouwen waaiers. Zelfs geteisterde, gehavende bomen zijn het bezien waard: meer nog dan gave bomen spreken zijn van levenskracht en levensmoed.
We kunnen van de ‘primitieve’ mens nog wel wat leren, zegt men vaak. Zonder dat we daarom bomen hoeven te vergoddelijken. Bij de verkondiging van het christendom door Bonifatius ging er af en toe een heilige eik voor de bijl. Jammer misschien, maar doordat die ene boom werd geofferd, konden we de overige bekijken als wat ze zijn: beeld van onszelf, van de mens, die geschapen is naar het beeld van God.