Wim en Maurice dertig jaar diaken

Wie niet dient, dient tot niets
Wim en Maurice dertig jaar diaken
Sfeerfoto klasgenotendag van de 58tigers te Oostakker
Sfeerfoto klasgenotendag van de 58tigers te Oostakker. Nog drie en wij vieren ons gouden jubileum als onderwijzers.
Nog eens onze klasgenotendag op 26 november te Oostakker

Kartouche en de Ooievaar
Gisteren thuis geweest en ze was daar weer. Ze, dat is tante Foei. Eigenlijk is dat geen tante maar wat kunt ge daar anders tegen zeggen, dat is een oude nicht van moeder en als ze komt dan belt ze drie keer en dan weet iedereen hoe laat het is en zij houdt altijd haar mantel aan en haar hoed op want zij komt altijd maar eventjes zegt ze maar als wij gaan slapen zit zij daar nog en als wij onze melk omstoten of prossen met de confituur dan zegt ze altijd foei end daarom noemen wij haar tante Foei. En nu zit ze daar weer te vertellen. Ja zegt zij en bij die van ’t tweede is de ooievaar dus weer op bezoek gekomen?
Ja hoe zit dat nu eigenlijk met dien ooievaar zeg ik en onze Pol wordt rood en onz’Jessie verslikt zich en foei Kartouch zegt tante Foei en ze zet haar neer en zij kijkt naar moeder met een gezicht van val nu omver.
Nu kan ik er niet meer aan uit. Gisteren zijn ze op school in de refter bezig met iets dat de Kong gezegd heeft en ze zitten te gichelen en mij uit te lachten en ik maak mij koleirig en dan lachen ze nog harder en als de meester voorbij komt vallen ze stil. Maar ’s avonds heb ik Pol zijn dictionnaire uit de kast genomen en heb gezocht bij ooievaar maar er stond niets en dat noemen ze dan een verklarend woordenboek. Wilt g’eens van mijn boeken blijven zegt onze Pol en wat zijt ge daar aan ’t zoeken? Ooievaar zeg ik en ik zou wel eens willen weten hoe dat zit. Zwijg zegt onze Pol en leer uw les. Jamaar Pol zeg ik. Nikt te Pollen vraag dat thuis zegt Pol en hij ziet rood. En nu vráág ik het thuis en nu is het weer niet goed.
Wat zijt gij daar aan ’t tekenen zegt moeder ’s avonds in de keuken want ik ga altijd bij moeder zitten als zij aan ’t strijken is. Een ooievaar, zeg ik en ik vertel dat van gisteren en van dien dictionnaire en dat ik toch wel eens hoe alsdat dat zat. Maar jongen toch, zegt moeder, moet ge dat nu dáár gaan zoeken, vraagt dat toch aan ons. Ja zeg ik en toen heeft moeder mij alles uitgelegd te beginnen met de weesgegroet, ik wist niet dat dat daar allemaal in stond en op ’t einde heb ik gezegd ha zit dat zo en ik heb moeder een dikke kus gegeven en toen is ’t strijkijzer door de plank gebrand.
Maar weet ge wat ik nu nog niet versta zeg ik. Nee zegt moeder. Wel als dat zo zit zeg ik waarom moet tante Foei dan zeggen, foei Kartouch? Ja dat weet ik ook niet zegt moeder.
En heb mijnen ooievaar doorgekrabd en heb moeder getekend die aan ’t strijken was.
Luc Versteylen in Kartouchke, 1959, p. 14 - 16
Stefaan Modest Glorieux en broeders van de goede werken te Oostakker
175 jaar broeders van Oostakker
175 jaar broeders van Oostakker
175 jaar broeders van Oostakken ofte broeders van barmhartigheid
175 jaar bestaan van de broeders van Oostakker. Oorspronkelijk en veel zinvoller met de naam 'broeders van barmhartigheid'. De stichter van de broeders van Oostakker was Stefanus Modestus Glorieux, van oorsprong een West-Vlaming, maar priester van het nieuwe bisdom Gent. Hij was zoals priester Daens een pionier van de ontvoogding van de armen.
De 58tigens ontmoeten elkaar in het hotel de Lourdes te Oostakke
De 58tigers ontmoeten elkaar seders hun diplomering tot onderwijzer in 1958 elk jaar opnieuw. Dat is op zich al een opmerkelijk feit. Ook gisteren, 26 november, was het opnieuw klasdag. Wij zijn onze René heel dankbaar dat hij daar zoveel energie en tijd wil insteken om ons bij elkaar te krijgen. Het is geen gemakkelijks klus. Dus, dank je wel René en tot volgende jaar!
Klasgenotendag van de 58tigers!
Klasgenotendag van de 58tigers. In 1958 werden wij gediplomeerd als onderwijzer. Bijna onafgebroken komen de klasgenoten van toen elk jaar samen in het hotel te Lourdes te Oostakker. Bijna onder de toren van de Normaalschool toen. Een merkwaardig feit: elk jaar opnieuw komt een belangrijk deel van de onderwijzers toen samen. Het is altijd een blij weerzien.
Kartouchke en de Rijstpap met gouden Lepeltjes
Ik heb mij dikwijls afgevraagd: de hemel, waar zou die nu eigenlijk zijn? Vroeger dacht ik altijd: dat is ginder boven de wolken, nog een beetje hoger dan de sterren maar dat kán toch niet want ik vind niets zo ambetant als een wachtkamer en als dus de hemel zo iets is merci dan.
Maar als ge aan grote mensen vraagt: waar is de hemel dan lachen ze eens of ze beginnen weer met fabelkes maar pas op want als grote mensen met fabelkes beginnen dan is ’t teken dat ze ’t niet weten of dat ze ’n niet durven zeggen. En dat van die rijstpap met gouden lepelkes dat is allemaal truut want ten eerste ik lust wel rijstpap, vooral met kriekskes, maar wat moeten de jongens doen die geen rijstpap lusten?
En daarbij: ik ben al dikwijls heel gelukkig geweest zonder rijstpap, gelijk die keer dat iedereen weg was naar dat stukske maar ik kon niet meegaan, want mijn voet was verstuikt en moeder had gezegd, ik zal wel bij onze sukkelaar blijven, maar ik zei nee ga gerust ik zal mij wel amuseren, en toen zij weg waren heb ik den afwas gedaan en de tafel gedekt voor ’s morgens en als ze dan thuis kwamen deed moeder hare schort aan en toen zag ze dat alles gedaan was: en blij dat ik was en moeder ook, en allemaal, en we zijn nog wat rond de tafel blijven zitten en vader zei, ik wou dat ’t zo mocht blijven duren, nee zei moeder, want dan waren w’in den hemel.
En w’hadden pertang geen rijstpap gegeten.
Luc Versteylen
‘Uit het logboek van Kartouchke, klachten, kluchten en koleires van een zwaar kollegejaar’, Lannoo, Tielt, tweede druk, 1959, 86 – 87.