6. Weer kijk ik naar de boom…ik neem méér waar dan de uiterlijke vorm…ik zie dat in hem iets beweegt van een orde die hem en mij overstijgt…een orde die door de vorm heen breekt…en waardoor hij bij ál het levende is…De boom boeit mij, niet door wat ik zie, maar door het onzichtbare geheim dat erin leeft…
7. Aan een boom kan men van alles zien: zijn botanische eigenschappen, zijn economische betekenis, zijn schoonheid, enz. Maar wanneer dat alles gezegd is, blijft er nog iets: “dat hij de indruk maakt méér te betekenen dan wat hij zintuigelijk waarneembaar is…dat hij degene die hem beschouwt, in een geheel eigensoortige beweging, door het direct waarneembare en over zichzelf heen, meeneemt naar een andere boom, naar een ander zinvol verband…
De boom is vergankelijk, maar verwijst naar iets onvergankelijks…hij is onvolkomen, stukwerk, maar is met alles wat hij is, betrokken op iets dat héél is en volkomen…hij schiet te kort om het verlangen naar zin te vervullen, maar ademt iets dat ten diepste en voorgoed bevredigt…hij is onbeschut, maar laat iets van eeuwigheid en geborgenheid doorschemeren da zelf geborgenheid kan geven…Dat eeuwige is niet gewoon hijzelf…Wel bestaat hij van daaruit en daarnaartoe…” (R.Guardini)
8. Ik adem zoals een boom…de boom ademt zoals ik…Tussen de boom en mij bestaat een diepe verwantschap…Zoals ik bén, zo is ook de boom: al wat hij doet is boom zijn…Hij presteert niets…Hij leeft…Hij ‘wil’ niets…Hij gehoorzaamt aan een innerlijke wet…Zoals hij is en leeft, zo neem ik de boom in mij op…ik adem hem in…ik voel mezelf als die boom…Ik word die boom…(In mijn voorstelling richt ik mij nu op, in geval ik was gaan zitten.)
9. Ik word mij bewust van mijn lichaamsbouw, die is als die van een boom…mijn wervelkolom is in mijn bekken verankerd zoals een boom verworteld is in de grond…De onderste wervels zijn aaneengegroeid tot het heiligbeen…dat geeft vastheid aan mijn basis…Los van die basis groei ik scheef…Als ik mijn bewegingen en mijn innerlijke houding laat voortkomen uit een gezonde basis, dan gedijt de boom die ik ben…Ik trek de wortels door tot in mijn voeten…ik sla ze in de grond, ze breiden zich daar uit…
10. De tegenpool van mijn wortels zijn mijn takken…Het bovengedeelte van de boom die ik ben, mijn schouders, armen en hals, is beweeglijk…geeft de mogelijkheid tot contact met de buitenwereld… Ik geef de takken in mij de kans om zich te ontplooien…naar alle kanten…naar voren en naar achteren…naar rechts en links…en naar boven…Ik geef mijn wezen de tijd om zich te ontplooien…de open lucht in…Bladeren ontluiken…ze ademen de lucht in die mij omringt…ze leven ervan…Ze nemen het licht op dat van boven komt…Dat alles laat ik gebeuren…Ik beleef dit als een weldaad…
11. Zo sta ik sterk…diep geworteld in de grond van het grote geheim dat mij draagt…dat mij voedt…mijn kruin ontplooiend in hem die de lucht is waarin ik adem…het licht dat mij verkwikt…Mijn wezen bloeit en draagt vrucht…tot mijn vreugde den die van mensen om mij heen…tot vreugde ook van de Onzichtbare uit wie alles voortkomt…naar wie alles toe gaat…die mij mijzelf laat worden…