Naar de inhoud

Archief Beverse Weetjes

akke.beakke.be

Categorie: Kroniek van zeven...

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 30)

Van lering en Plechtige Communie
Toen we zeven geworden waren - de jaren des verstands - hebben we onze Eerste Communie gedaan. Dat ging niet gepaard met grote plechtig­heid.

Op een bepaalde morgen in de week kwamen we allen met ons moe­der naar de kerk en mochten we voor het eerst ter Heilige Tafel naderen. Dadelijk na de mis was het feest al uit. We moesten zo rap mogelijk naar huis om een paar boterhammen naar binnen te spelen en daarna als de weerlicht naar school. Ons omkleden was niet eens nodig. Het zwarte kiel­tje dat we iedere dag droegen, was ook goed genoeg om onze Eerste Com­munie te doen. Zoals gezegd, geen enkele plechtigheid. We voelden ons voortaan echter wel een trapje hoger. Voortaan mochten we 's zondags naar de mis en de vesper zoals alle anderen.

Van heel ander kaliber was de Plechtige Communie. Dat was een ge­beurtenis van belang in het leven van een mens toentertijde. De tijd was nog niet zolang voorbij dat die dag zoveel als een grenspaal was tussen de school en het arbeidsleven. Dat de feesteling zijn communiepakje aan de haak mocht hangen om voor de rest van zijn leven in een werkplunje te kruipen. De herinnering daaraan zinderde nog sterk na toen wij onze Plechtige Communie deden.

Die Plechtige Communie was grondig voorbereid geworden. We had­den een jaar kleine lering achter de rug, een jaar grate lering en vlak voor de grote dag, nog een paar weken van intensieve training in alles wat bij de plechtigheid om het hoekje kwam kijken.

De kleine lering werd gehouden door onderpastoor Liefooghe. Hij moet al tegen de vijftig geweest zijn toen, maar hij was nog altijd de jonge geestelijke gebleven die zijn fiets onverdroten over grintwegen en zandpa­den duwde, om overal wat vuur en vernieuwing te brengen. Ze mochten van ver uit het ronde naar Beveren komen, zoals Elie Liefooghe waren er geen twee.
Pastoor Lebbe was de man van de grote lering. Hij was stokoud in onze ogen. Een profijtig ventje dat een beetje voorovergebogen liep, met voor­zichtige dribbelpasjes. De jaren hadden echter de guitige glinstering in zijn ogen niet kunnen doven. De oudere mensen hadden veel eerbied voor Lebbeke. Eerbied die met genegenheid doortrokken was. Had hij immers niet zo ongeveer alles in gang gestoken in Beveren wat het lot van de kleine man kon verbeteren?

Zowel pastoor als onderpastoor hadden hart voor de schooljeugd en ze maakten ons het leringleven absoluut niet zuur. Bijzonder meneer Lebbe liet nogal graag Gods water over Gods akker lopen. Hij kon best verdragen dat we bij een lastig antwoord al eens haperden en schuldbewust naar het hoge kerkgewelf keken. Dat haperen en stotteren was echter op zichzelf al geen pretje. Aan de andere kant zaten immers de rneisjes en die gingen di­rect vezelen en giechelen als een knechtejongen al eens een steek liet vallen. En het ergste was dat er bij die spotzieke wichten altijd eentje zat dat we liever en aantrekkelijker vonden dan de rest. Dat was trouwens ook de re­den waarom we ons voor de lering zo branieachtig aanstelden op het kerk­pleintje. We koersten en sprongen en schreeuwden, enkel maar om de aan­dacht te trekken van het maagdeke dat met ons jongenshart op de loop was.

Het kort begrip van hetgene christen menschen moeten weten of doen om zalig te worden, was vervat in onze Brugse katechismus. Kort was dat be­grip echter allesbehalve. We moesten vragen en antwoorden van de eenen­veertig lessen van buiten kennen. Begin daar maar eens aan! Toch hebben we het klaargespeeld, alhoewel we dikwijls maar half begrepen wat we aan het afratelen waren. Er stonden ook zoveel wendingen in die kant noch wal raakten voor ons kinderbegrip, zoveel woorden die zo uit een middel­eeuws reservaat weggelopen schenen.

We moesten bijvoorbeeld leren dat Christus zoveel pijnen had willen lijden en zulke smartelijke dood sterven om ons te toonen zijne zonderlinge liefde. Maar van onze lessen in moedertaal wisten we dat zonderling een niet al te flatterende betekenis heeft. We moesten ook leren dat de Heilige Kerk apostoliek genoemd wordt, omdat zij sinds de tijd der apostelen met ongebroken achtervolging altijd gestaan heeft en dat we moesten bidden met grote volstandigheid. Verder moesten we kunnen zeggen waarom men ge­meenlijk de Engelse groetenis bidt na het Onze Vader en we moesten ook weten dat een iegelijk mag dopen en dat men niet mag trouwen met dege­nen die maagschap zijn.
Weldra meer
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 29)

Vooraan in de kerk was er wat meer sieraad. Links stond het altaar van O.L.Vrouw met haar mooie beeld en daarboven een schilderij dat de over­handiging van de Rozenkrans voorstelde. Rechts had Sint-Jan de Doper, onze patroon, zijn hoekje. Zijn houten beeld stond daar en ook een plaas­teren konterfeitsel van Sint-Jozef. De mannelijke heiligen stonden dus, zo­als het hoort, aan de kant van het mansvolk. Boven dit zijaltaar hing het schilderij waarop de onthoofding van Sint-Jan afgebeeld stond. Een gru­welijk geval eigenlijk. We begrepen maar niet hoe de vent met zijn zwaard in de hand, het afgehouwen hoofd zomaar bij de haren durfde vasthouden. Begrijpelijk dat de in sluiers gedrapeerde deerne zich een beetje afwendde terwijl ze de schaal aanreikte om dat hoofd in otvangst te nemen.

Het koor met het hoogaltaar was een vrij donkere ruimte, waar het ro­de godslampje en het kaarslicht altijd goed tot hun recht kwamen. Links en rechts stonden de houten koorbanken waar de priesters gingen zitten om de vespers te zingen en vlak voor het altaar stond de bidstoel waar pas­toor of onderpastoor op knielden tijdens het lof. Het altaar zelf was niet bijster groot, maar toch wel mooi. Natuurlijk dat het helemaal tegen de achterste muur aangebouwd stond, zo ver mogelijk van de gelovigen a£ Het zou nog jaren moeten duren vooraleer die een onbelemmerde kijk op het voornaamste misgebeuren kregen. Voorlopig hadden ze er geen zaken mee.

In de koormuur links zat een deur die toegang gaf tot de sacristie waar de kerkgewaden, de boeken en de heilige vaten bewaard werden. Daaruit kwam de optocht van misdienaars en priesters en om mis of vespers te be­ginnen en daardoor trokken de trouwers na de huwelijksmis, om de boe­ken te tekenen en hun sermoentje in ontvangst te nemen. Er zat ook nog een deur rechts. Ze gaf uit op de hulpsacristie, die eerder een soort rom­melkamer was voor koster en misdienaars.

Het kerkhof lag als een grote tuin omheen het kerkgebouw. Een tuin die heel wat vriendelijk was aan de zuidelijke en oostelijke kant dan aan de noordelijke. Op de noordkant groeiden immers lang gras en brandnetels. Geen mens die er veel naar omkeek. Daar werden arme drommels begra­ven die geen recht hadden op gewijde grond. Het kwam er echter op neer dat daar enkel een paar graven van onbekende vreemdelingen lagen. Voor zijn eigen ongelukkige parochianen vond de pastoor altijd wel een achterpoortje om de strenge voorschriften ter zake te ontduiken.

Omheen het kerkhof, dat met een oude beukenhaag van de buitenwe­reld afgesloten was, liep een asseweggetje. Tussen dat weggetje en de graven stond een rij cypressen die met hun zwaarmoedig groen een scherm om de dodenakker optrokken. Binnen dit scherm was het, vooral in lente en zo­mer, heel wat levendiger dan heden ten dage. Om en op de graven stonden immers palmhaagjes en groen en bloemen van allerlei soort.

Op de noordkant van het kerkhof, op de rand van de Beaulieu-akkers, stonden de vertrekken. Smeriger gebouwtje had men moeilijk kunnen vin­den in Beveren. Aan de voorkant zaten twee vertrekken met een bril. De toestand moest echter volkomen onhoudbaar geworden zijn vooraleer ie­mand zich daar op waagde. Toegegeven dat we toentertijd helemaal niet zo kieskeurig waren, maar toch! Aan de achterkant van het reumatiek ge­bouwtje had je de plasplaats. Een ondiepe arduinen geul, waarin altijd si­garetteneindjes en uitgespuwde tabakspruimen te soppen lagen. Van die piscine werd heel wat meer gebruik gemaakt. Je hoefde immers niet te gaan zitten bovenop al die vieze rommel!

Voor de kerkdeur lag een open pleintje, juist groot genoeg om een paar groepjes kerkgangers een babbeltje te laten slaan voor en na de mis. Daar was het ook dat jonge manen en de dobbele jongens de meisjes inspecteerden als ze één voor één uit de kerk kwamen. Wij schoolkinderen werden echter geacht dat niet te zien!

Photobucket


Tegen de zuidelijke hoek van de kerkgevel stand de roepsteen. Een gemetseld halfrond verhoogje van een halve meter of zo. Oudere mensen vertelden ons dat de tijd nog niet zolang voorbij was dat daarop de veldwachter ging staan als hij iets aan te kondigen had, of de postbode om zijn brieven en gazetten aan de man te brengen.

Naast de kerkdeur tenslotte, een voet of zo boven de grond, zat een schreper. Een halfronde ijzeren lat, die met haar uiteinden in de muur vastgemetseld zat. Daarop konden we de modder van onze schoenen of klompen schrepen vooraleer we de kerk binnengingen. In die tijd was zo een schreper beslist niet overbodig. Heel wat mensen kwamen hoofdzake­lijk over aardewegen en dito wegeltjes naar de kerk.

Weldra meer over lering en Plechtige Communie.....
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 28)

KERK EN KERGEBEUREN IN ONS KINDERLEVEN

Kerk en kerkhof
 De hoofdweg naar de kerk liep door de Plaatse. Natuurlijk. Anders zou die geen Plaatse geweest zijn. Aan de Zerk van de gesneuvelden van 1914­-18 boog die weg wat rechts af en klom, voorbij de kerkhuisjes en door het zuidelijk deel van het kerkhof, naar de kerkingang toe. Op dat stuk weg ondervond je het best dat de kerk vrij hoog stond. Vlak voor de Zerk mondde een wegeltje uit dat uit de richting van de Leikant kwam.

Je kon de kerk echter ook vanuit het oosten bereiken. Bij de hofstede Het Meule­walleken in de huidige Nijverheidsstraat, vertrok immers het Kerkwegeltje. Het liep alover de Tomberg, dwarste de Grote Heerweg aan het huis van Emiel Vandevoorde, en liep dan recht op het kerkhof af. Honderden keren hebben we over dat Kerkwegeltje gelopen. In voorjaar, winter en najaar voorzichtig stappend om plassen en modder te mijden. 's Zomers vaak tussen muren van hoge korenstengels, die de wegende hitte als in een kooi ge­vangen hielden.

Onze kerk had niets groots of kunstigs. Buiten niet en binnen even­min. Een rechthoekige schuur van ietwat beter soort, waar men vooraan een kortgestuikte toren op gezet had. De enige pilaren die erin stonden, waren de houten stijlen die het dokzaal schraagden. Dat had zijn voorde­len, maar ook zijn nadelen. Je kon de hele ruimte met een blik omvatten, maar anderzijds kon je nergens wegduiken voor het speurend oog van pas­toor, non of meester.

Photobucket
Achteraan, links, stond de doopvont met haar koperen deksel. Daar­naast zat een geheimzinnige donkere steen in de muur gevat. Een geval waarmee we geen raad wisten en dat ons eigenlijk een beetje beangstigde Er stonden een vent en een vrouw op afgebeeld, in een klederdracht die nergens naar leek, en aan hun voeten lag een hondje. Een grafsteen. Dat was duidelijk. Maar zat dat koppel met zijn hondje daarachter in de dikke kerkmuur begraven. (nvdr Grafsteen van Geraard van Gistel en Alice de Walcourt, respektievelijk gestorven als heer en vrouwe van Beveren in 1452 en 1448) 

Achteraan rechts stonden de schrijntjes, een houten bank met drie of vier zittingen en een schutting ervoor. Tijdens de hoogmis zaten daarin de mannen van den Bedekten Armen. Een van die Armenmeesters was Fons Vandorpe. Iedere zondag deed hij een omhaling in de hoogmis. Je kon ge­makkelijk zien dat er armen mee gemoeid waren, want de koperen schaal die hij de mens en voorhield zat vol ribbels en blutsen en was zo oud als de straat.

Halverwege de kerkruimte, aan de kant van het vrouwvolk, stond de preekstoel. Die was waarschijnlijk met opzet daar geplaatst. Als de pastoor aan het preken was, stand hij immers altijd naar de mannenkant gekeerd, en dus oog in oog met het zondigste deel van zijn kudde. Daarvan was in alle geval het vrouwvolk rotsvast overtuigd. Voor die kudde, zondig of niet, waren er ook de biechtstoelen. Links die van pastoor Lebbe en rechts die van onderpastoor Liefooghe. Achterin stond dan nog een biechtstoeltje van niemendal, maar dat was voor de vreemde biechtvader. Iemand die vooral door mannen en vrouwen in de bloei van hun jaren opgezocht werd dus.

Wij, schoolkinderen, moesten ons pakje kwijt bij pastoor of onder­pastoor. Eens of zo in de maand moesten we vanuit school met de hele klas te biechten gaan. Er werd gestoten en gedrumd om bij pastoor Lebbes biechtstoel te belanden. Onderpastoor Liefooghe was wel beroemd omwil­le van zijn wijde mouw, maar hij praatte zo luid dat je het tot halverwege de kerk kon horen.

Bij pastoor Lebbe lagen de kaarten compleet anders. Die nam aan dat een kind van tien geen kwaad deed wat het biechten waard was. Van zodra het schuifje openging vezelde hij dat we braaf waren, dat we dat altijd moesten blijven, en hij maakte glimlachend een kruisje over ons tot afscheid. Lebbeke! Hij moet een wijs man geweest zijn.
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 27)

Photobucket
Aan een varken ging eigenlijk niets verloren. Neem maar eens de dar­men bijvoorbeeld. Die werden gekookt en gebraden. Heerlijk! Niemand die bij het opeten dacht aan de kwalijk riekende hopen afval die er hun weg door gezocht hadden. En de poten en oren dan! Sommigen konden aan een gekookte varkenspoot zitten sabbelen dat het vet over hun kin droop. Voor mijn part had ik liever die poten en oren als ze gestoofd waren met appels, rozijnen en pruimen. Daarvan kon je eten tot je buik met een tonneke stond. Zelfs Tjoeties blaas was dienstig. Ze werd gepeld, opgebla­zen en ergens aan de zoldering te drogen gehangen. Na enkele weken was ze zo taai als perkament. Kon je ergens een betere tabakzak vinden?

Nadat scheutels en hespen in de vleeskuip ingepekeld waren, bleef er nog ruimschoots genoeg over om familieleden en vrienden een prezentje of zende te gunnen. Je kon ze wat worst bezorgen, wat hoofdvlees of leverpas­tei, of een paar plakken koolbra (kotelet, varkenslapje nvdr). Natuurlijk kreeg je dan evenveel te­rug als zijzelf een varken geslacht hadden. Een eenvoudige manier eigenlijk om nu en dan aan wat vers vlees te geraken. Op sommige plaatsen was het gewoonte de zondag na de slacht een uitgebreide zwijntjeskermis te hou­den. Dat het bij zulke gelegenheden niet bij zo maar een beetje peuzelen bleef, ligt voor de hand.

Het grootste deel van Tjoeties stoffelijk overschot zat nu ingepekeld in de kuip en we waren weer voor een jaar voorzien van varkensvlees. Groot­vader Fons zei op zulke keren steevast dat we weeldige boerkes waren. Grootvader Fons had echter elke dag vers vlees in zijn bord en in mijn ogen was hij heel wat weeldiger dan wij. Maar hij had ook andere tijden gekend. Hij had het meegemaakt in zijn jeugd dat er enkel 's zondags een schelletje varkensvlees op tafel kwam bij kortwoonders. En dan nog lang niet altijd.

In mijn eigen kinderjaren echter lag die armelijke tijd al een eind ach­ter de rug. 1k was helemaal niet zo gebrand op dat gezouten, gekookt, of gebraden scheutelvlees. Twee vingers mager en vier vingers vet! Het lag me niet. Veel liever dan zulk vlees was me een dikke snee bruin brood met £link wat smout erop. Vader was echter onverbiddelijk. Ik moest en ik zou varkensvlees leren eten! Hij hield me scherp in de gaten terwijl ik aan mijn bord te keerogen zat. Slechts nu en dan gelukte het me heimelijk een paar stukjes naar de kat te werpen.

Bij hesp lagen de zaken natuurlijk anders. Maar die was dan ook veel magerder en ze was bovendien zorgvuldig gerookt en had maandenlang in een linnen zakje te drogen gehangen aan een haak in de zoldering.

Die hespenbereiding was vaders glorie. Bij zijn vrienden had hij reputatie op dit gebied. Zulke hesp moest je eten met sla en koude patatten, of met een snee bruin brood, of in de pan gebakken met een koppel eiers. Dat was nog eens kost! Wat ze thans als boerehesp verkopen is kul, vergeleken bij de korte, pittige hesp die wij vroeger in huis hadden. Ook smout was iets waarvoor we de schreeuwend gestorven Tjoetie ten zeerste dankbaar waren. Er was echter smout en smout! Zo ging er bijvoor­beeld niets boven hespeknuistsmout. Dat op een snee bruin brood bij een bord hartige stampies. Mens!

Maar kom, waarom al die oude tafelgeneugten weer bovenhalen. Ze zijn verdwenen. Voorgoed. We troosten ons nu met pikante sausen en spe­cerijen allerhande om onze fleeuwe kost wat op te peppen. We hebben het werkelijk ver geschopt in het leven.

Och, we zouden zo 'nog uren kunnen doorvertellen over ons leven mid­den in de dierenwereld van toen. We zouden kunnen schrijven over onze belangstelling voor de paarden die beslagen werden in de smisse van Juul Verheust op het Ganzenpaneel. Over de muizen waar we jacht op maakten als de oogst van het land gehaald werd en die we in een sloot wierpen om ze te doen zwemmen. Over onze ongenadige strijd tegen de okkedrols of veldmuizen, als we ergens aardappelen aan het rapen waren.' Over het schieten naar vliegen met een elastiekje. Over Djekkie, onze hond, die we allerlei kunstjes leerden. Over de tortelduiven die we hielden in een grote kevie, opgehangen tegen de gevel van ons huis in de schaduw van de vlier­boom bij de messing. Over ... Over ... Maar ergens moet er een grens zijn.

Jonge mensen die dit lezen, zullen misschien een beetje meewarig de schouders ophalen. Och, het doet er niet toe. Ze kunnen het ook niet vat­ten wat het allemaal betekend heeft voor ons. Het is hun schuld niet dat de natuur voetje voor voetje teruggedrongen wordt naar een paar spaar­zaam uitgemeten uithoeken van het dorp. Dat ook de buitenmens gaande­weg zijn natuurlijkheid verliest. Het is alleen maar jammer. En het komt nooit meer terug. Nooit meer!
Weldra meer
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 26)

Tjoetie het varken
Image and video hosting by TinyPic
Bij ons thuis was het de gewoonte ieder jaar een zwijntje in de kuip te steken. Zo een kortwoonderszwijntje van een goede honderd kilo. Het was de gewichtigste aankoop die mijn vader moest doen in het jaar en hij be­steedde er dan ook enorm veel zorg aan. Hij wilde kenner zijn op dat ge­bied. Hij wist precies bij welke boer de beste varkens gekweekt werden en welk voer ze kregen. Als ik het goed voorheb, moest Tjoeties menu hoofd­zakelijk bestaan uit gekookte aardappelen en roggemeel, gestampt met kar­nemelk. Haal de dag van vandaag nog maar eens zulke varkens uit! Hor­monen en andere viezigheid. Bah!

De dag dat het varken zou geleverd en geslacht worden, zagen we al van verre aankomen. Het betekende feest voor ons en evengoed voor de andere bengels uit de buurt. Er zou bloed te zien zijn en vuur en Tjoetie zou in doodsangst zijn vervaarlijkste keel opzetten. Allemaal dingen waar we gek op waren. De twee beroemdste zwijnenslachters uit die dagen waren Mannie uit Vijve en Juulke Luikies van bij. Die had zijn slagerij in de oude steenbakkerij bij Brabanders hof. Eigenlijk heette hij Descheemaekere, maar geen mens die zich daaraan stoorde. Ik heb beide slachters ettelijke keren aan het werk gezien. Ruige kerels, die met een varken aan de slag gingen alsof het een ietwat groot uitgevallen konijn was. Mannie arriveerde gewoonlijk in de vroege ochtend. Het mandje met het vreselijk slagersgerei bungelde aan de stuurstang van zijn kriepende roestige fiets.

Hij was een pezige vent, met rosse snor en roodomrande ogen die altijd een beetje verdwaasd de wereld in keken. Van zodra hij bin­nen was moest je hem een paar druppels klare geven. Daar kikkerde hij van op en zijn nors gezicht verhelderde wat. De varkensleverancier was gewoonlijk niet veel later dan Mannie. We hoorden de driewielkar al over de koppen van de ruige grintweg dokkeren, als de slager nog met zijn laatste borrel bezig was. Zonder veel tijdverlies werd de zwijnsbenne uit de gekipte kar gesleurd en Tjoetie werd uit zijn kooi verlost. Hij kreeg echter onmiddellijk een stevig touw om een van zijn achterpoten gestropt en een paardemand over de kop geschoven. Nu moest hij wel onraad ruiken. Terwijl hij naar de slachtplaats gesleept werd en daar zonder veel omhaal op zijn laatste strobed omgetrokken, zette hij een keel op zoals alleen varkens in doodsnood dat kunnen.

Later werd het de gewoonte Tjoetie met een ijzeren staaf een dragende slag op de kop te geven, zodat hij verdoofd omtuimelde. Van zijn stand­punt uit gezien was het vervolg van de historie gewis minder pijnlijk. Wij schoten er echter zijn geschreeuw bij in en voor ons was dat de helft van de kermis. Ondertussen had Mannie zijn scherp steekmes uit het mandje gehaald. Hij knielde op het omgetrokken beest neer, drukte de wild bewegende kop wat naar omhoog en stak het mes dan snel en krachtig in de gespannen strot. Dampend bloed spoot op en gutste neer in de teil die vader klaar hield. Nu en dan moest hij ze leeggieten in de wachtende emmer, waarin hij met zijn ene hand gestaag aan het roeren was. Tjoeties bloed was kost­baar. Daarmee zou 's anderendaags lekkere bloedworst gemaakt worden. Van dat bloed moest ook Mannie zijn deel hebben echter. Hij dronk het uit de emmer. Doodgewoon. Jenever en bloed hielden hem blijkbaar op de been.

Als het schorre geschreeuw overgegaan was in snel uitstervend gereutel, werd Tjoetie zaliger op zijn buik gedraaid. Stro werd om hem heen gesta­peld en in brand gestoken. Het werd een wild oplaaiend vuur dat snel weer in elkaar zakte en het geslachte varken als een zwartgeblakerd monster ach­terliet. Mannie diepte nu zijn schreepmes op en begon met grote halen en een overvloed van water de ruige huid schoon te maken. Onderwijl sneed hij ook de hoornen schoenen uit en smeet ze over zijn schouder te grabbel. Wij stoven erop af als mussen op een hoopje paardevijgen. We waren ver­zot op die schoeties. Niet dat ze bijzonder lekker smaakten. Nee. Maar we konden er urenlang op kauwen en dat was ook al iets.

Als Tjoetie eindelijk schoongeschreept was, rechtte Mannie zijn rug met een pijnlijke grijns. Tja, hij was van de jongsten niet meer. Moeder was evenwel komen aandragen met de fles intussen en schonk een druppel in. Hij gooide hem in een ruk in zijn keelgat, hikte van de deugd en wreef zijn snor droog. Met de tweede borrel was hij wat zuiniger. Hij dronk hem uit met kleine teugjes en schopte onderwijl een paar keer keurend tegen het zielige varkenslijf. Beste beestje, mompelde hij. Beste zwijntje! Ge zult er een jaar lang weeldig mee zijn, Brouwer! Als Mannie zijn tweede borrel op had en zag dat er verder niets meer te halen viel, begon hij de varkensbuik open te snijden om de ingewanden te verwijderen. Een tamelijk vuil gedoe. Vooral als de darmen uitgeknepen en doorgespoeld moesten worden. Een kermis is een geseling waard. Tenslotte werd Tjoetie op een ladder of op een afgehaakte kotdeur gelegd en de kel­der ingedragen. Daar moest hij liggen stijven tot 's anderendaags.

De volgende dag kwam Mannie terug en dan begon het grote werk. In stukken kappen en snijden, uitbenen, inzouten, saucissen en bloelingen en hoofdvlees maken. Verder was er het smelten van de smeerkoek. Het vet werd in kommetjes gegoten, waar het stolde tot smout. Tijdens het smel­ten had moeder de kaantjes weggeschept. Naderhand zouden die opgegeten worden met een boterham, of verwerkt in kaantjessaus.
Weldra meer
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 25)

Van geiten en schapen
Je kan nog wel eens een schaap zien vandaag de dag, maar geiten zijn tot de grote zeldzaamheden gaan behoren. Krasse tegenstelling met vroe­ger! We konden geen twee boogscheuten ver langs graskant of wegeltje trekken toen, of er stond ergens een geit of een schaap aan een paaltje vast­gebonden. Schapen zijn zachtmoedige weerloze dieren. Ze boeiden ons eigenlijk niet zozeer. Misschien wel omdat ze ons met grote ogen stonden aan te sta­ren en goedig toelieten dat we ze over hun vacht streelden.
Image and video hosting by TinyPic


Bij geiten lagen de zaken echter kompleet anders. Er waren drommels gemene beesten bij. Van zodra je ze ook maar een beetje naderde, stonden ze met hun gehoornde kop klaar om te bulken. We waren derhalve ook niet te hoffelijk met ze. Uit pesterij gingen we soms in een cirkel om ze heen lopen. Ze volgden ons bulkend en springend en hadden helemaal niet in de gaten dat ze zo hun ketting om het paaltje wonden tot ze er he­lemaal tegenaan gedrukt stonden. We zetten tevreden onze weg voort als we ze zover gekregen hadden.

Iemand die het helemaal niet op geiten begrepen had, was grootvader Vandenbroucke. Grootmoeder hield altijd twee of drie van die beesten. Het was echter onveranderlijk grootvader die ze naar het meerselke moest brengen, een eind van het huis af, om ze daar te grazen te zetten. Groot­moeder had maar één arm immers. De klem gekregen na een verwonding, toen ze nog in de fleur van haar leven was, en in Kortrijk hadden ze het grote mes moeten gebruiken. De geiten hadden het voor geen liedje zingen als grootvader ze naar het weitje bracht. Ze hadden er zelf schuld aan ei­genlijk. Alsof ze voelden dat grootvaders sympathieën een andere richting uitgingen, begonnen ze steevast te springen en te rukken aan de ketting van zodra ze uit de stal waren. En grootvader dan maar kloppen erop met de ijzeren spillen waaraan ze vastgebonden moesten worden en maar gans zijn opgespaarde voorraad soldatenvloeken uitbraken!

Grootmoeder stond het bij de kotdeur hoofdschuddend aan te kijken. Ze had er deernis in. Maar wat kon ze eraan verhelpen? Ze kende haar Vandenbroucke. Eén woord van protest zou nog heviger kabaal uitgelokt hebben. De geit werd wel eens breedsprakerig de koe van de kleine man ge­noemd toentertijde. Eigenlijk was dat wel zo. Althans in de armelijke tij­den die toen al een paar tientallen jaren achter de rug lagen. De geiten hebben aardig wat geholpen om het volk overeind te houden. Geitemelk, aardappelen en brood. Iets anders was er niet.

Nog in mijn eigen kinderjaren trouwens heb ik het geweten dat een buurman uit de Reke, waar we geen van allen veel overschot hadden, bij zijn dode geit te schreien zat. Hij deed het niet uit goedkoop medelijden met het beest omdat het dood was. Zo teergevoelig zijn buitenmensen niet. Hij huilde doodeenvoudig omdat hij niet meer wist van welk hout pijlen maken. Die geit was alles wat hij had en nu zouden zijn kinders ook nog hun bord geitemelkpap moeten missen.

Jaja, zo was dat nog omstreeks het jaar dertig! Een uitzondering mis­schien, maar toch. De Reke liet de man echter niet in de steek en er werd een andere geit gekocht. Ook dàt was toen nog zo! Hoe armer de mensen zijn, hoe meer ze aan elkaar hangen. Een van mijn dierbaarste Reke-herin­neringen.
Weldra meer
 
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 24)

Lijk de bietjes bietjes gonzen ende ronken…
Op de droogste delen van de Persemeers stond meer steenklaver dan gras. Als die klaver bloeide, was het net alsof daar een immens wit tapijt opengerold lag. Honderden bietjes gonsden dan bedrijvig van bloem naar bloem, om grondstof op te doen voor hun zeemfabriekjes. Die beestjes waren heel vriendelijk zolang je ze maar rustig liet betijen. Als je ze echter te na kwam, konden ze gemeen in hand of voet stralen. Zo een bijensteek was lang geen pretje. Het was echter nog geen doodgaan zo­lang het gewone bietjes gold. Je peuterde het wiepke (angel, nvdr) heel voorzichtig uit en streek wat speeksel of wat azijn op het wondje.

Heel wat erger was het wanneer je gestoken was door een grote dikke koningsbie of door een van die gele gestreepte eerdebieën (wespen, nvdr). Mij is het zelf nooit overkomen, maar sommige makkers hadden ervaring in die ma­terie. Ze verzekerden dat je zulk gemeen goed maar beter uit de weg kon gaan. Naast die grote stralebieën waren er ook nog de kompleet schuldeloze bietjes die over geen wiepke beschikten en zich niet konden weren als ze in het nauw gedreven werden. We zagen het verschil direkt aan hun achterlijf. Dat was niet zo spits. We vingen bij voorkeur die soort om ze met een handvol bloeiende steenklaver in een afgedekte bokaal te stoppen, om te zien of ze geen zeem zouden produceren.

Sommige makkers disten nogal eens verhalen op over het uitbranden van wespennesten ergens in een droge graskant. Veel honing schijnen ze nooit gevonden te hebben. Als ze daarbij echter maar half zo dikwijls ge­stoken werden als ze vertelden, moeten ze dagenlang met een gezwollen gezicht rondgelopen hebben.

Meikevers
Meikevers - we noemden ze meulenaars of meulronkers - behoorden tot de meest populaire beestjes toentertijden. We schudden ze uit het jonge groen van de beukenhagen en namen ze mee naar school in een sulferdoosje (luciferdoosje, stekjesdoosje, nvdr). De bakkers waren het meest in trek. Ze leken als met meel bestoven en hadden hun naam dus niet gestolen. Lijk alle kostbare dingen waren ze echter zeer zeldzaam. Wat een meulenaar voor een schooljongen betekende toentertijde, bewijst alleen al de zegswijze: Wél bedankt. Ik ga je dan eens een meulenaar schudden! Zeggen dat meikevers bij ons een paradijselijk leven hadden, ware na­tuurlijk schromelijk overdreven. We stopten ze wel bij tijd en wijle wat verse beukeblaadjes toe, maar in ruil daarvoor moesten ze zich allerlei plagerijen laten welgevallen.

Zo lieten we onze meikever bijvoorbeeld steken. We begroeven hem onder een paar handvollen zand en keken dan gespannen toe hoe hij zich uit dat rulle zand naar boven wroette. Soms gingen we wedstrijden aan met elkaar. We stopten onze meikever gelijktijdig onder eenzelfde hoeveel­heid zand en het beestje dat het eerst tevoorschijn kwam, was gewonnen.

Een ander spelletje was heel wat wreder. Vooraleer we ermee begonnen, moesten we goed uitkijken dat er geen meester in velden of wegen te be­kennen viel. We bonden een eindje twijndraad aan onze meulenaar vast en duwden dan op zijn pootjes om hem aan het vliegen te krijgen. Soms lukte dat. Het beestje klapte zijn dekschilden open en vluchtte een bedrieglijke vrijheid in. Het kon hem echter heel slecht bekomen. Als we te onver­hoeds aan het draadje snokten om het terug binnen te halen, liep het on­vermijdelijk deerlijke verminkingen op.

Het onderwijs maakte handig gebruik van de populariteit der meulron­kers om ons wat begrippen van dierkunde bij te brengen. Zo vertelde de meester van de engerlingen die zich onder de grond aan knaagpartijen overgeven. Hij vertelde ook over het raadselachtig verpoppen en hoe op een prille meimorgen jonge meikevertjes uit die poppen te voorschijn ko­men. Tegen de klasmuur hingen een paar kleurige platen. Een paar reus­achtige engerlingen en dito meulenaars stonden erop getekend. De meester wees ons op de voelsprieten en op de dekschilden die tere vleugels verber­gen.

We waren vol belangstelling. Als het niet te lang duurde tenminste. Meulronkers in een sulferdoosje konden langer onze aandacht boeien.
Weldra meer.
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 23)

Vissels vangen
Bij de jeugd van alle landen en alle tijden moet dit een der voornaam­ste vormen van tijdverdrijf geweest zijn. Wij waren geen uitzondering daarop. We hadden ook nog viswater in overvloed toen. De brede grachten bij Brabanders hof bijvoorbeeld en Mielke Victors put en vele beken en slootjes een beetje overal in Beveren.

We trokken uit vissen van zodra de eerste mooie lentedagen over het land kwamen. Het water stond open en helder in de grachten en alles wriemelde en borrelde er van nieuw leven. Natuurlijk dat we ons behelpen moesten met het visgerei dat we zelf in mekaar konden knutselen. Dure vislijnen hadden we niet. Wie gaf daar dan geld voor uit! Ons visalaam was doodgewoon een lange stok waaraan we een eindje twijndraad vastgeknoopt hadden. Als aas gebruikten we de pieren of terringen die we vonden van zodra we een gersfak (graszode, nvdr) oplichtten.

Soms hadden we zelfs een vlotter aan onze lijn. Een takje of een lucifertje dat we in de twijndraad strikten en dat ons verwittigde als er aan het aas gesabbeld werd. Een mens moest eigenlijk engelengeduld hebben om met dergelijk tuig uit vissen te gaan.

We namen dan ook dikwijls onze toevlucht tot grovere middels. Moeders vergiet bijvoorbeeld dat we dievelings uit haar keukenar­senaal meegegrist hadden, of de scharbieldezichter. We gingen dan op onze buik op de grachtkant liggen en schepten zo diep mogelijk in het water. Ongelofelijk wat in zo een verziep of zichter kon liggen wriemelen als het water weggestroeld was. Er waren van die grote dikke torren bij en water­spinnetjes en potshoofden en vele soorten waarvan we naam noch bestaan bevroedden. Een enkele keer was er ook wel een hagedis bij. Een loketissie, zeiden we.

We hadden niet veel op met die loketissies. We betrouwden ze niet. Wat heeft nu ook vier poten en een staart en kruipt rond in een gracht! Ze konden ons daarbij zo gemeen begluren met hun vinnige oogjes. Neenee, loketissies mochten we niet. Vooral dan niet die rode soort. Van die wisten we bepaald zeker dat ze verdomd giftig bijten konden. Toegegeven dat nie­mand van ons zo een beet gekregen had. Gevangen loketissies werden dan ook onbarmhartig onder schoen of kloef verpletterd. Tussen heel die wriemelende rommel lagen zilverige visjes wanhopig te slaan en te happen naar lucht. We pikten ze voorzichtig uit en lieten ze in een blikken doos met water glijden. Het was een sensatie op zichzelf zo een visselke een poosje in de holte van je hand te houden en te kijken hoe het zijn lijfje sloeg en jagend met zijn kieuwen werkte. Zo een klein beestje dat daar lag te glanzen in het zonnelicht en zich benauwd scheen af te vragen waarom het plots zo warm geworden was en zo droog.

De roodbaardjes waren natuurlijk meest in trek. Ze waren erg zeldzaam echter en zo een kleurige vissel vangen was zoveel als prijs winnen in een tombola. De tegenpool van die kwieke roodbaardjes waren de kavies. Log­ge zwarte vissels, die we steevast bij de overige bucht in de graskant of op het grint wierpen, waar ze verrekken konden. Van een makker die blijk­baar overhoop lag met water en zeep, zeiden we ook wel eens dat hij een kavie was.

Dan waren er ook nog vissels met een dik achterlijf, die moeite schenen te hebben het tempo van hun wegschietende soortgenoten bij te houden. Van die zeiden we dat ze eiers op hadden en we wierpen ze terug het water in. Jaja, hoe klein we nog waren en hoe meedogenloos, we wisten toch reeds dat de soort moest blijven voortbestaan. Thuis kiepten we onze vangst dan in een grote bokaal of in een kuip. Veel deugd beleefden we er echter niet aan. Iedere dag opnieuw moesten we kadavertjes bovenhalen die roerloos op de bodem lagen te drijven. De kwieke lijfjes spartelden niet meer en de glans was eraf. Dof en stijf lagen ze nog een poosje op de mesthoop, tot een of andere kat eens voorbijgeko­men was.
 
Met Maurice Lambrecht heb ik aan Mielke Victors put eens de sensatie van mijn vissersleven gehad. Buiten adem van het lopen kwam Maurice vertellen dat hij daar een tinke (zeelt, karperachtige vis, nvdr) gezien had en samen trokken we erop af. Na veel geplons en geploeter wisten we de knaap met onze scharbielde­zichter op het droge te halen. Die tinke heeft dan nog een paar dagen triest rondgezwommen in een kuip, tot Mentie Lambrecht het water over zijn kin voelde lopen en aan zijn Marie zei dat ze de pan op het vuur moest zet­ten.

Van puiden en padden
Iets wat je nooit meer hoort bij ons is het kikkerkoor, zoals het op som­mige avonden uit een of andere sloot kon opkwaken vroeger. Nogal van­zelfsprekend eigenlijk. Om een kikkerkoor te vormen, zijn kikkers nodig en die zijn nu in geen velden of wegen meer te bekennen. Toen we als kinders in de Persemeers aan het spelen waren, sprongen de puiden om de haverklap voor onze voeten weg. Het is trouwens meer dan eens gebeurd dat we uitgleden op een puid die wat aan de trage kant was.
Image and video hosting by TinyPic


In die Persemeers hadden we ze in soorten. Grote, kleine, groene, ge­le, bruine. We mochten er jacht op maken zoveel we wilden, we mochten ze bij tientallen om zeep brengen, de volgende dag hupten er precies even­veel door het veie gras. Met puiden waren we zeer vertrouwd. Misschien wel omdat we hun hele ontwikkeling zo nauwkeurig op de voet konden volgen.

In de lente waren plassen en grachten bedekt met gelei-achtig puiderek. Soms roerden we er duchtig in met een stok. Niet gauw echter zouden we het met onze handen aangeraakt hebben. Tenslotte was het maar een vieze bedoening. Op de plaatsen waar die kikkerdril gelegen had konden we niet lang daar­na jacht maken op de koddige potshoofden die, met hun staartje slaand, parmantig door het water toerden. Het begon pas echt interessant te wor­den als die potshoofden pootjes kregen en op viervoetige vissen gingen lij­ken. Soms stopten we enkele van die grappige beestjes in een bokaal, om de puidvorming nog beter te kunnen volgen.

Puiden vangen was een bezigheid waarbij we uren gesleten hebben. Soms haalden we er spelletjes mee uit die tamelijk vreedzaam waren. Ze om het verst laten springen bijvoorbeeld. Ze in het water werpen met een dun touwtje om de poot en dan hard terugsnokken als ze dachten dat de vrijheid herwonnen was. Andere spelletjes waren bepaald wreed. Naar ge­vangen puiden werpen met getrokken zakmes. Ze doorpriemen om te zien welk gek gescharrel ze zouden maken met hun poten. Ze opblazen met een strootje. Een mens mag er niet aan denken nu! Hoe vertrouwd we ook met die beestjes waren, puidebillen hebben we nooit gegeten.

We hoorden er wel eens over praten maar wij, jongens van de Reke, vonden het maar een kiezig (vies, nvdr) gedoe. We waren daarvoor te weinig gekultiveerd waarschijnlijk. Nu nog steeds moet ik mijn afkeer be­dwingen als ik ergens, omwille van de beleefdheid, zo een puidebilletje moet oppeuzelen.

Een pad is nog heel wat viezer dan een puid. Nu heb ik er in geen jaren meer gezien, maar toen waren ze lang geen zeldzaamheid. Als je een tijdje in de lochting rondliep, kon je er altijd wel één log en lelijk over de grond zien kruipen. Een padde kon je gemeen en gluiperig aankijken. We hadden er eigen­lijk schrik voor en nooit zou het in ons hoofd opgekomen zijn zo een kie­zig beest aan te raken. We waren er stellig van overtuigd dat padden giftig waren. Dat ook de minste aanraking ons worten (wratten, nvdr) zou bezorgen. Die zouden we dan moeten zien kwijt te raken door een geldstukje te werpen in de wijwaterbak in de kerk. De grote mensen deden er nog een schepje bovenop. Ze waarschuwden ons dat de padden 's nachts onze tanden zouden komen tellen als we ze iets misdeden. Wat voor ongemakken dat tandentellen opleverde, wisten we niet precies. We konden ons echter drommels goed voorstellen welk ge­voel het zou geven als je op een nacht ontwaakte en zo een gedrochtelijke pad aan je kiezen te morrelen zat.
Weldra meer
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 22)

DE DIERENWERELD IN ONS SPEL
We hadden levendige belangstelling voor alles wat leefde en bewoog in water, graskant, bos en veld. Geen wetenschappelijke belangstelling. God nee! Wie verwacht dat nu ook van een schooljongen. Beesten en beestjes interesseerden ons slechts in zoverre we ze in ons spel konden betrekken.
 
Het mooiste hoekje van onze Speeltuin wordt dit niet. Akkoord. Er was teveel wreedheid mee gemoeid soms tegenover weerloze dieren. Als volwassene begrijp je niet hoe het ooit mogelijk geweest is. Tot onze verde­diging kunnen we echter aanvoeren dat het helemaal geen bewuste harte­loosheid was van onze kant. We beseften toen nog niet dat ook het kleinste diertje wanhopig voor zijn leven vecht.
Dat het krimpen was van pijn wat een kikker deed als we hem doorstaken en hij met zijn poten gekke bewe­gingen maakte. Dat een visje het afschuwelijk benauwd gekregen had vooraleer het, met zijn buikje boven, op de bodem van onze bokaal dreef. We hadden de dieren lief en toch martelden wij ze. Och, eigenlijk heb­ben we geen andere verontschuldiging dan dat we nog kind waren toen. En kinders kunnen lief zijn en wreed tegelijk. Dat hebben we nu allemaal al wel ervaren.

Vogels
Ik herinner me nog best dat we meermaals op een stralende zomermor­gen wakker werden van het gekwetter der mussen onder de euziepannen (pannen op een dakoversteek, nvdr). Mussen kunnen afschuwelijk veel lawaai maken. Ze zijn zowat de vis­wijven van de vogelwereld. Mussen waren bij ons ook niet veel in tel. Je kon er eigenlijk niets mee aanvangen. Langer dan een paar dagen hielden ze het in een kooitje niet uit. Ze fladderden wat schuw rond en op een morgen vond je ze dan. Stokkestijf. Doodgetreurd.
Image and video hosting by TinyPic


Toch maakten we verwoed jacht op die beestjes. Ons beste wapen was het slagijzer. Vogelijzer zeiden we. We stelden het bij voorkeur verdekt op in een hoopje nesse paardekeutels. Het is een publiek geheim immers dat mussen verzot zijn op de havergraantjes die een paardemaag ongemoeid gelaten heeft. Een mus die in zo een vogelijzer gezeten had, was echter niets meer waard. Altijd mankeerde ze iets. Als je ze wilde vangen om ze in een muit je te stoppen, was je heel wat beter met de schar bieldezichter. Trek je de wenkbrauwen op bij dit barbaarse woord. Denk eens even goed na. Waarmee zeefde moeder toentertijde de nog bruikbare kooltjes uit de stoofassen?

Die scharbieldezichter plaatsten we schuin rechtop, op een door mus­sen drukbezochte plaats. Een stok waaraan een lang touw vastgemaakt was, hield hem overeind. Als lokaas gebruikten we paardevijgen of broodkor­sten. Met het touweindje in de hand gingen we ons dan een eind verderop verdekt opstellen. We moesten kattegeduld hebben soms. Mussen kunnen erg argwanend doen. Als ze tenslotte toch begerig op de lekkernij toehup­ten, trokken we met een korte snok aan het koord en de scharbieldezichter klapte neer op de verschrikt omhoog wippende beestjes.

Ook mussennesten roven was aangename bezigheid. Ze zaten gewoon­lijk onder de euziepannen en we konden er gemakkelijk bij. Het meest hadden we het gezien op de eitjes. We konden die uitblazen en aaneenrijgen tot een kralensnoer. De pluimloze jongen, de kwabbies, wierpen we achteloos op de grond. Een of andere kat wist er dan wel raad mee. Niemand die ons scheef bekeek omwille van die genadeloze mussen­jacht. Mussen golden nu eenmaal als rovers, die absoluut niet het onder­scheid kenden tussen het mijn en het dijn.

De kaarten lagen echter kom­pleet anders als we durfden raken aan nesten van insekteneters. Precies de aantrekkelijkste voor ons. Zo had ik eens het nest van een blauwe koren­mus uitgetrokken en de eiers geroofd. Een van de anderen dreigde ermee het geval aan de meester te gaan vertellen. Hij kon het blijkbaar moeilijk verkroppen dat hij zelf achter het net gevist had. Dagenlang heb ik toen in angst gezeten voor straf. Meester Algoet was niet mals in zulke gevallen.

Als er één soort vogels was die we absoluut met vrede lieten, dan waren het wel de zwaluwen. Niet dat we er meer erbarmen mee hadden dan met de rest. Zwalms boezemden ons echter vrees in. Oudere mensen hadden ons immers verzekerd dat we onvermijdelijk zeren zouden krijgen, als we zo een vogel ook maar van verre durfden aanraken. En zerren waren voor ons zoveel als de pest. De meesten van ons hadden er gehad in hun dreu­mesjaren en waren nog niet vergeten hoe de dokter dan de korsten van de verdroogde zerren van ons aangezicht trok.
Weldra meer
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 21)

Winterpret
Ik herinner me nog best mijn verbazing toen ik op sommige winter­ochtenden door het vouteraampje naar buiten keek en mijn ogen moest nijpen tegen ongewoon scherp licht. De wereld daarbuiten lag in een witte wade gewikkeld en niemand die het gehoord had die nacht. Geluidloos dansend waren de sneeuwvlokken neergezegen. Uren aan een stuk. Alles was anders geworden nu. De haag van onze lochting droeg een witte vacht en hier en daar slechts vlekten de takken nog zwart door. Op Janseunes hofstede hadden schuur en stallingen een eendere witte kap en leken dich­ter bij de grond gehurkt dan ooit.

Verderop stond de kortgestuikte linde van het Kruise onbeweeglijk te dromen. Haar stam vlekte donker tegen een achtergrond van ondergesneeuwde velden en laaghangende grijze luch­ten. Verbazing en dromerij duren nooit lang bij een schooljongen echter. Op zulke ochtenden waren we in een handomdraai klaar om de weg naar school op te gaan.
 
De eerste sneeuwbal van het jaar joeg altijd een krachti­ge tinteling door onze handen. Een forse zwaai en lap! Daar spatte hij reeds uiteen op het lijf van de eerste de beste kameraad die ons voor de voeten liep. Meer was niet nodig natuurlijk om een gevecht in regel te doen ontbranden. Grijpen in de sneeuw. Samenpersen. Werpen. We voel­den geen kou. Onze adem pompte in witte wolken naar buiten en als onze handen het te kwaad kregen, staken we ze in onze broekzakken. Gegaran­deerd dat ze na een paar minuten gloeiden als vuur.

Het waden door de sneeuw was eigenlijk geen gemakkelijk karwei. Nu wordt ze seffens platgereden door fietsers en auto's, maar toen bleef ze vuistdik liggen. Ze klitte vast aan schoenen of kloefen en om de haverklap moesten we die sneeuw klom pies afstampen. Soms lieten we er die wel eens aan voor de aardigheid. Zulke klom pies konden gemakkelijk een hand­palm dikte bereiken en dan was het net of we op kleine stelten liepen. Op­passen was geboden echter. Een omgeslagen voet kon de pret grondig be­derven.

Ook in het maken van sneeuwventen waren we thuis natuurlijk. Maar daarvoor hadden we dikke lagen verse sneeuw nodig, liefst op een weide of een brede graskant. We moesten immers zware klompen kunnen rollen. Als onze sneeuwman klaar was lieten we hem een paar dagen in vrede le­ven, tot we vonden dat hij het lang genoeg gerekt had. Met een woest sneeuwballenbombardement hielpen we hem dan om zeep.

Jammer dat sneeuw altijd moet vergaan in vuiligheid. De aardigheid was er kompleet af als het eenmaal zo ver gekomen was. Sneeuwwater dringt overal doorheen en we kregen natte voeten, blauw van de koude soms. We konden ons niet eens meer verwarmen met het werpen van sneeuwballen. Een bal uit smeltende sneeuw geperst, is gemeen hard im­mers. Het was derhalve tegen onze ere-kode met zoiets te gooien. Iemand die het toch waagde, riskeerde een duchtige pandoering van de hele meute. Bij zulk dooiweer verloren we voor één keer geen tijd onderweg. Ieder­een snakte ernaar om thuis te zijn en zijn verkleumde voeten te warmen op de trommel van de buizestoof.
Image and video hosting by TinyPic
Ook de vriezeman borg heel wat pretmogelijkheden in de wijde plooi­en van zijn mantel, als hij over akkers en sloten aangeschreden kwam. De eerste ijsbloemen die 's morgens op de ruiten geëtst stonden, waren de voorboden van dagenlange pret van een bijzondere soort. Het is gevaarlijk over ijs van één nacht te gaan. Dat wordt beweerd door een oude spreuk en ze heeft gelijk. Kuipijs kan verdomd gevaarlijk zijn. Velen van ons hebben gemeend dat die wijsheid niet voor hen be­stemd was en ze hebben het met een ijskoud voetbad moeten bekopen.

Op onze weg naar school hadden we echter de Paardeput bij Brabanders hof en dat was een uitgelezen oord om de draagkracht van het ijs te proberen. Vooraan immers was hij zeer ondiep en als je daar paling ving (door het ijs schieten, natte voeten hebben, nvdr), was het zo erg nog niet. Bij het eerste vriesweer goot meester Algoet graag een paar emmers wa­ter uit in een of andere hoek van de speelplaats. Hij wilde ons zo gauw mogelijk aan ijspret helpen. Op dat eerste sleerbaantje van het seizoen kon­den we dan onze handigheid aanscherpen en alle soorten kunststukjes uit­halen. Tot vallen dat we er sterren bij zagen toe.

Het sleerspel kon echter slechts goed op gang komen op een van de tal­rijke sloten en hof grachten die Beveren toen rijk was. De mooiste was wel Brabanders wal. Hij lag rechtover de hofstede, aan de noordzijde van de Gentse Baan, en slingerde zich met een forse zwaai een heel eind de wei­den in. Het was een breed water. Niet gebroken door lis en waterkruid al­lerhande. Als het maar lang genoeg vroor, kon het ijs er onbelemmerd vuisten dik bakken. Op dat ijs slierde je als op een spiegel. Meters en me­ters ver. Je kon op beide benen voortglijden, of op één been als je wat han­dig was. Je kon onder het sieren ook op je hurken gaan zitten en trachten een paar rondjes te draaien. Er waren variaties genoeg voor iemand die le­nig was en niet benauwd. Dat we daarbij al eens een onzachte landing maakten en een eind op buik of achterwerk voortgleden, was niet erg. Dat hoorde nu eenmaal bij de stiel.

Ook het ijspaard was een gerieflijk ding op dat ijs. Het ijspaard! De ge­leerden hebben in hun kinderjaren blijkbaar alleen met sleden gespeeld, maar wat is een slee nu vergeleken bij een ijspaard! Met dat paard -zoiets als een laag stoeltje met twee ijzeren latten onderaan- kon je een behoorlij­ke snelheid halen. Als je maar snel genoeg met de twee scherpgepinde spo­ren op het ijs wist in te hakken natuurlijk. Met hun ijspaard konden de jongens van het Ganzenpaneel iets speci­aals uithalen als het Gewat dichtgevroren lag. Middenin dat Gewat im­mers stond een stevige staak geplant. Sommigen wilden hebben dat de Duitsers die daar nog gezeten hadden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zouden ze daar sommige krijgsspelletjes ingeoefend hebben.

Wat ervan zij, die staak stond daar en er werd gebruik van gemaakt. Met lange touwen bon­den de Ganzenpanelers er zich aan vast met hun ijspaard en gingen immer snellere en immer kleinere cirkels over het Gewat beschrijven. Net een zwierelmolen. De Sprietenaars waren eigenlijk bevoordeligd wat de ijspret betreft. En dat heus niet alleen omdat ze terdege hun hart konden ophalen op de wij­de ondergelopen Kwekemeersen aldaar. De lange weg naar school konden ze immers schier helemaal al glijdend afleggen. Achter hun huis immers kropen ze op de Gewatbeek en alover de wal van Fonsie Kobies en langs de eendenkwekerij van Achiel Vandeplassche en de hofsteden van De Braban­dere en Timmerman, ging het recht naar het Gewat. Hier waren ze nog slechts enkele passen van de school af. Dat ze ondertussen een paar keer voor een straat of een mennegat uit de weg hadden moeten gaan, was van geen enkel belang.

Een heel apart soort ijspret vonden we bij de lochting van Brabanders hof. Daar lag een stuk van de hofgrachten dat helemaal verwaarloosd was. Het lis groeide er kriskras door elkaar, handen hoog, en op de bodem lag donker sop dat altijd een beetje brobbelde. Een echte goorwal. Bij vries­weer lag die sloot altijd het eerst toe. Lis en ijs bakten samen tot een taaie koek die wel boog, maar zelden brak. Dat verende dek noemden we de Wiepe. Van sleren kwam daarop vanzelfsprekend niets in huis. De sensatie kwam van het dek dat op en neer wiegde als we erover liepen. Natuurlijk was er wel een enkele keer iemand die paling ving en tot over zijn knoesels in het stinkende goor schoot. Dat hoorde er nu eenmaal bij. In zulk geval werden schoenen of klompen schoongewreven in de graskant en waren we klaar voor een volgende ronde.

Heel wat gevaarlijker was een spelletje dat enkelen eens uitgehaald heb­ben op de brede wal van Casteeles hof. Een lange vriesperiode had het ijs vuistdik gebakken, maar eindelijk was het beginnen dooien. Na een paar dagen lag er reeds open water aan de grachtkanten, maar middenin de wal dreven nog grote stukken ijs die vrij stevig waren. Een paar van ons heb­ben toen die ijsvlotten gebruikt om de gracht over te steken. Altijd maar opnieuw op en af varen. Die ijsschotsen hadden eens moeten kantelen. Het water in natuurlijk en een serieuze plaag op het lijf! Jaren en jaren later hebben we ons soms afgevraagd wat onze kinders toch bezielde om zo on­voorzichtig te zijn.
Wel, ze hebben het van geen honden afgedeeld.
Weldra meer
 
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Archief Beverse Weetjes

↑ Terug naar de berichten