Naar de inhoud

Archief Beverse Weetjes

Archief

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 16)

Photobucket

GARDEWAN… SPRINGE WIE KAN
Hoewel ik lopen kon als een haas, was ik allesbehalve een schoolvoor­beeld van lenigheid. Begrijpelijk dus dat ik nooit uitgeblonken heb in het vermaarde gardewanspel. Hoe de Beverse schooljeugd aan die naam gekomen is, mag Joost je we­ten. Misschien een verbastering van het Franse garde avant? We zullen het God en de mulder laten scheiden. In Desselgem heette dat spel ezelke-de-­wip, terwijl de geleerden zich in hun kindertijd hartstochtelijk met haasje­over-springen ingelaten hebben. Als een groepje scholieren eenmaal besloten had een partijtje gardewan te spelen, begonnen ze met iemand aan te duiden die moest staan. Die dubbelgebogen moest staan, de handen geschoord tegen zijn enkels, om de anderen over zich heen te laten wippen.

Om dit slachtoffer uit te pikken werd geziemezoemezamd. Drie speelge­noten traden naar voor, legden hun rechterhand op elkaar met de palm naar beneden, en zeiden plechtig zieme - zoeme - zam. Bij het zam pletsten ze gelijktijdig hun hand op hun opgestoken dij. Naar gelang het ze inviel, was de palm naar boven of naar onder gericht. De eigenaar van de hand­stand die in de minderheid was, bleef aan. Twee anderen traden naar voor om met hem te ziemezoemezammen. De laatste aanblijver had het dan aan zijn been.

Naast dit ziemezoemezammen waren er natuurlijk ook nog de aftel­rijmpjes. Iets in de aard van: Onder de piano staat een pintje bier. Die ervan drinkt, stinkt! In dat geval was de stinker het slachtoffer. Verder was er ook nog iets als Arrienne, tiene, twintig, dertig ... honderd!
Het plezierigste bij heel het gardewanbedrijf was het geven van doren.
Niet zo gemakkelijk voor een onervaren kuiken echter. Je moest je sprong inhouden namelijk en je, steunend op beide handen, in evenwicht zien te houden op de rug van de staander.

Photobucket

Met de zijkant van je voet moest je die dan het voorgeschreven aantal doren geven. Waar? Niet zo moeilijk te ra­den als je oog hebt voor die kombinatie van gebogen bovenlijf en rechtop­staande benen. Die doren kon je laten aankomen als een streling. Je kon het slachtoffer evengoed een paar nijdige meppen geven. Vooral als het je bij een voorgaande gelegenheid ook niet al te zacht aangepakt had.

Sporen waren een speciaal soort doren. Een spore moest je geven met de hiel, bij het overspringen. Verder had je dan ook nog de kwak. Bij die kwak moest de springer zich met zijn achterwerk laten afglijden op het di­to werk van de staander. Hij kon dat in alle zachtmoedigheid doen, maar hij kon zich ook zo barbaars laten neerkwakken dat zijn steunpunt van de weeromstuit omhoog wipte. Tenslotte was er de kombinatie gatplak-dare­sesietse. Als de springer bovenop de rug van de staander balanceerde, moest hij hem eerst met de vlakke hand een gatplak geven en daarna een dare. Wat die sesietse - die worst- daarbij kwam doen, weet ik niet zo precies meer. Een bijzonder nijdige dore wellicht.

De beproeving was zwaar voor de knaap die bij het ziemezoemezam­men aan het kortste eind getrokken had. Maar ze duurde niet eeuwig. Wie er niet in slaagde de verei~te oefeningen uit te voeren, was eraan voor zijn moeite. Met gebogen bovenlijf en gespannen zitvlak, moest hij dan zelf gaan staan, in bange verwachting van de dingen die zouden komen.

Bij dit gardewan-spel waren er variaties tot in het oneindige. De eerste die aan de beurt was, bepaalde de springwijze. Je kon steunend op beide handen overspringen, of op één hand, of helemaal zonder handen. Je kon springen van links, rechts of overdwars. Iets heel aparts was het springen vanop afstand. Dat was veruit het gevaarlijkste. Bij deze spelvorm moest de staander na elke springronde een voet opschuiven. Dat was aangeduid met krijtlijnen op de speelplaatsbevloering. Je moest dus telkens van verder je sprong pakken en je met een forsige zwaai over de gebogen rug zien te slin­geren. Dat daarbij al eens gevallen werd, is zo klaar als pompwater. Er werden ook heel wat geschaafde knieën en ontvelde ellebogen bij gehaald. Maar ook voor de staander was dat vérspringen allesbehalve een pretje. Telkens opnieuw kreeg hij een plof in de rug van een paar handen die zich met alle kracht afduwden. Maar wat wil je! Een kermis is een geseling waard en we waren allesbehalve truntekousen.

KLOMPKE AAN DE VOET
Hoe vreemd het mag lijken, toch gebeurde het dat we helemaal niet aan spelen dachten. Dat kon bijvoorbeeld gebeuren als kloefkapper Jan De­simpelaere en zijn zoon Miel dikke boomstammen aan het stukzagen wa­ren voor hun kloejkapperij. Die stammen lagen altijd achter hun huis, in de brede graskant voor de school.
In die tijd was een kloefkapper nog een man van aanzien in het dorp.
Er werden immers nog zeer veel kloefen gedragen, ook door de scholieren. Dat klompendragen bood trouwens heel wat meer voordelen dan je zo op het eerste zicht wel zou vermoeden. Klompen waren 's winters heel warm aan de voet en 's zomers heel koel. Om over het ijs te slieren hadden ze hun weerga niet. Moest je ergens snel de benen nemen, dan kon je ze in een ommezien uitschoppen en er als de weerlicht vandoor gaan. Ook bij de vechtpartijen tenslotte waren klompendragers in het voordeel. Een oor­deelkundig gezwaaide klomp was een geducht wapen.

Op een toevallige keer na heb ik zelf nooit kloefen mogen dragen. Va­der stamde uit een schoenlappersgezin en het ware slechte reklame geweest voor de zaak. Moeder ging echter niet helemaal van het hout weg bij de keuze van ons schoeisel. Als de winter in aantocht was, moesten we onver­anderlijk een paar kloefschoenen gaan halen in grootmoeder Rommekes winkel. Onhandelbare dingen, die kloefschoenen. Ze hadden een dikke houten zool, waarop een bovenstuk in leer vastgespijkerd zat.

Eigenlijk moest je het wel een beetje gewend zijn op dergelijke kloef­schoenen rond te pikkelen. De zolen waren zo onwrikbaar als een klomp­bodem, maar met dit bijkomend nadeel dat ze vast tegen je voet aange­drukt bleven. Bovendien kon je dit schoeisel niet bliksemsnel uittrekken als het erop aankwam in de kortst mogelijke tijd het hazenpad te kiezen. Kloefschoenen waren en bleven een halfslachtige oplossing. We keken met afgunst naar de blinkende laarzen der enkele kameraden wier ouders rijk genoeg waren om zoiets te betalen, maar evengoed waren we jaloers op de kloefdragers.

Nu we toch bij het scholierenschoeisel uit die dagen verzeild zijn, mo­gen we zeker niet nalaten om een bescheiden boompje op te zetten over de fameuze zeesletsen of zeesavatten. Zeesletsen moeten van het eerste goedko­pe spul geweest zijn waarmee de Japanners het Westen de duivel hebben aangedaan. Ze waren kompleet uit rubber vervaardigd en hadden het niet te versmaden voordeel dat ze vrij sterk en zeer goedkoop waren. Als je ech­ter nog geen zweetvoeten had wanneer je die zeesletsen begon te dragen, dan had je er onvermijdelijk voor je eerste paar versleten was. Daar konden de vele transpiratiegaatjes geen bliksem aan verhelpen.

Op hete dagen kon je in dergelijke sletsen letterlijk uitglijden op je bloedeigen zweet. Als dat geen prestatie was! En de verrukkelijke geur dan die door de klas zwierf als een paar van ons hun savatten uitgeschopt hadden om hun voeten wat fris­se lucht te geven! Nee, de beste oplossing waren die zeesletsen zeker niet. Maar wat wil je. Voor het grootste deel hadden onze ouders geen geld om ons als saletjonkers op te dirken. En tenslotte zijn we er niet aan doodge­gaan.

Ook de velosletsen zijn een tijdlang populair geweest. Die lichte schoen­tjes, zoals de koereurs ze dragen tijdens de koersen. Eens had ik er een paar gekregen waarop het merk Marcel Kint prijkte. In gouden letters nog wel. Sensatie bij de anderen op de koer natuurlijk. Een paar dagen later waren mijn velosletsen reeds oud vuil geworden. Iemand had er een paar op de kop getikt die het merk André Defoort droegen.

RUSTIGE ZOMERSPELEN
Naar de zomerkant toe, hadden we het op rustige spelen gezien. Eerste vereiste was dat we erbij konden zitten, ergens in een schaduwrijk hoekje.
Met Julien Decavel, Georges Denoulet en nog een derde maat wiens naam me nu niet meer te binnen schiet, heb ik menig partijtje kaart ge­speeld. Bieden natuurlijk. Van manillen hadden we toen nog nooit ge­hoord. We zaten gewoonlijk in de slagschaduw van de vertrekken, zoals de plasplaatsjes en hoopdraaizitjes genoemd werden. Dat de lucht daar be­zwangerd was met geurtjes allerlei, was de laatste van onze bekommernis­sen.

Soms deden we ook wel eens een spelletje oxo. Met een eindje krijt of een stukje rode baksteen trokken we een vierkant op de grond en verdeel­den dat in partjes. Ongeveer zoals een dambord. Elk op zijn beurt mocht nu in een vakje een nul of een maalteken plaatsen. Het kwam er op aan zo dikwijls mogelijk de opstelling 0 x 0 te vormen.

Enigszins verwant aan dit oxo-spelletje was het steentje leggen. Weerom werden krijtjes of baksteenpeukjes voor de dag gehaald om een vierkant te trekken op de grond. Ditmaal echter was er geen onderverdeling in kleine vierkantjes nodig. Wel werden de diagonalen getrokken en de loodlijnen die het midden der zijden verbonden. Elk van de twee spelers had drie steentjes en mocht om beurten een steentje leggen ofwel een steentje ver­plaatsen. De kunst was ze alle drie in één lijn te krijgen, hetzij volgens de diagonalen, de zijden van het vierkant, of de loodlijnen. Wie daarin slaag­de scoorde een punt en het spel werd verdergezet. Natuurlijk moest je te­zelfdertijd trachten de tegenpartij bij haar konstrukties een hak te lichten.

Nog een spel voor warme dagen was het breien. Oningewijden zullen ervan opkijken dat die ruige knechtebrakken het niet beneden hun waar­digheid achtten zich aan zulk meisjesachtig gedoe over te geven. Ze moe­ten echter bedenken dat we toch ook wel onze gedoezige momenten had­den. Natuurlijk dat we niet naar school trokken met een paar priemen en een halfafgebreide sok onder de arm. Ergens zijn er grenzen!

Ons breituig was niets anders dan een twijnbolletje. Weeral een twijn­bolletje! Wat je daarmee al niet aanvangen kon. In een der ronde zijvlak­ken hadden we enkele schoennageltjes ingeklopt rondom het buisgaatje. Het eindje van de breiwol trokken we nu door dat gaatje en wonden het verder een paar keer omheen de nageltjes. Met ergens een afgedankte doel­pijl trokken we nu bij elk nageltje de onderste draad over zijn bovenbuur. Als we er zo een tijdje mee doorgegaan waren, kwam ons breistuk aan de onderkant van het twijnbolletje uitwurmen. Een soort touw waarmee we eigenlijk niets aanvangen konden.
Vermoedelijk waren de meesters nogal opgezet met dit breien. Geen ge­vaar immers voor ongelukken en evenmin gevaar voor vechtpartijen, daar elk op zijn eigen werkte.

Nu hebben we nog met geen woord gerept over het rustige uitwisselen van allerlei verzamelingsobjekten. Die waren er te kust en te keur. Foto's van koereurs waren dan zeer in trek. We kregen ze als toegift bij karamel­len, zuurpakjes of kauwgom. Dat kauwgom is een woord dat we pas later geleerd hebben. Toen spraken we nog doodgemoedereerd over langen asem. Sommige scholieren hadden een verzameling foto's van voetbalploegen, terwijl anderen het hielden bij sigarenbandjes, stekjesdoosjes, of perteelkes, d.w.z. kroontjes van bierflessen.

Photobucket


Een paar keer per jaar kwam een slunsepiet -een voddenman- zijn ten­ten opslaan bij de schoolpoort. Dat was telkens een hele gebeurtenis. Hij stelde een aanlokkelijke voorraad toeters, molentjes en ander prul ten toon, en maakte ons diets dat we dit alles konden krijgen als we maar genoeg vodden van huis meebrachten.

Waarschijnlijk werd in veel huizen de pret omheen de middagtafel grondig bedorven op zulke keren. Bengels die jengelden om slunsen en moeders die nijdig sakkerden dat ze nondedju al werk genoeg hadden en toch niet holderdebolder de zolder op konden op zoek naar vodden.

Onveranderlijk echter deed die slunsepiet goede zaken. Zijn gammel wagentje kreunde meestal onder de last als hij vertrok. Tegen die tijd wa­ren de meeste molentjes en toeters hun geest reeds aan het geven.

Zover ik me herinneren kan, heb ikzelf nooit vodden meegekregen naar school. Moeder was een voorbeeld van spaarzaamheid. Nooit zou ze haar zaakjes gelost hebben, voor ze wist dat ze er de beste prijs voor gekre­gen had.
Weldra meer...

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Kampioen gekroond bij de Tubezuigers

Photobucket
Van links naar rechts Vic Dejonghe, Antoon Vantieghem en Robert Iacopucci

PhotobucketOp zaterdag 26 september ging bij de Tubezuigers op Ter Weerst de laatste speeldag van de competitie 2009 door.
Reeds voor de derde maal werd in het laatste weekend van september de kampioen gekroond.

Na een spannende finaledag werd volgend podium genoteerd:
1. Antoon Vantieghem
2. Vic Dejonghe
3. Robert Iacopucci
's Avonds werd afgesloten met een gezellig samenzijn en daar werden reeds plannen gesmeed voor volgend jaar.
Hoe later het werd hoe minder realiseerbaar deze leken.
Al bij al werd de competitie en de afsluiter weer een geweldig succes.
Met dank aan Filip Ghesquiere voor het insturen van deze bijdrage.
Geschreven door Beverse Weetjes om 10:20 Reageer op dit bericht

Sculptuur: 'Obelisk van de sprong' bijna af

PhotobucketTorenhoog springen

"Zowat een jaar geleden kreeg ik de vraag vanuit de turn- & trampolineclub “Lenig en Vlug” om een sculptuur te ontwerpen en te creëren rond hun feestjaar '50 jarig bestaan'.

Voor mij was dit een heuse uitdaging. Het zoeken naar de samenhang tussen mijn eigen werk en het symboliseren van het springen en vliegen in de lucht, was niet evident. Torens zijn een constante in mijn werk. Zowel als gemengde verftechniek op grove doeken, als ruimtelijk werk met gips en fusing glas in een architecturale vorm. Ze houden een persoonlijk emotioneel moment vast... het worden flarden van het leven.

Het ontwerp voor hun monumentale sculptuur wordt een toren, maar dan één waar de atleten van Lenig & Vlug zich kunnen in herkennen.

Sterk en groots zoals de club zelf, met speelse dynamische elementen, net zoals de jonge springertjes.
Dit vertaalt zich in een krachtige gespannen vorm met kleurrijke stukken gefused glas". vertelde Nathalie Pontegnies

Op zaterdag 17 oktober om 17 uur wordt deze sculptuur dan ook plechtig onthuld in aanwezigheid van het stadsbestuur, de kunstenares Nathalie Pontegnies zelf,  het bestuur en leden van de vereniging en sympathisanten.

Dit wordt tevens het startschot van het feestjaar “ 50 jaar Lenig & Vlug”.
Op diezelfde avond gaat traditiegetrouw de kaas – en wijnavond door, met als toemaatje een kleine tentoonstelling rond de creatie van de sculptuur.
Geschreven door Beverse Weetjes om 20:56 Reageer op dit bericht

EEN MAATJE MEER bij Chiro Leieland

Photobucket
EEN MAATJE MEER
Na een deugddoende vakantie ging Chiro Leieland op zondag 20 september terug van start met als thema voor 2009-2010 ‘Een maatje meer’.
Een 22-tal super toffe gasten staan terug in voor de leiding en ook de VB’s Els en Bart zijn terug van de partij.
De leiding
Speelclub Meisjes: Marlies Decavel en Arne Vermeulen
Speelclub Jongens: Francis Courcelle, Lien Baekeland en Lothar Verledens
Rakkers: Stijn Devos, Jens Velghe en Marten Delabie
Kwiks: Ruth Soens, Michel Van Tieghem en Martijn Dejaeghere
Tippers: Annelore Dewaegenare en Anton Delabie
Rakkers: Stijn Lietaert en Alexander Pappijn
Tip Tiens: Jolien Labeeuw en Thomas Seynhaeve
Kerels: Jeroen Berton en Sebastiaan Veys
Aspies: Pieter-Jan Soens en Philippe Courcelle

Wekelijks samenzijn met maatjes om te ravotten, te spelen, te sporten… Er valt dus heel wat te beleven bij Chiro Leieland.

Ook aansluiten bij Chiro Leieland, neem dan gerust contact op met iemand van de leiding. Ze zijn iedere zondag van 14.00 uur te vinden in het heem, Tomberg 21a, Beveren-Leie .
en zullen graag EEN MAATJE MEER verwelkomen.

 

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Agenda gemeenteraad 6 oktober 2009

Op dinsdag 6 oktober 2009 om 19u00 komt het gemeenteraad terug samen.
Het proces-verbaal van de vorige zitting ligt ter inzage in de raadszaal, één uur voor de zitting.
Agenda:
Openbare zitting
1. mededelingen
2. aanvaarden algemeen nood- en interventieplan stad Waregem
3. goedkeuren wijzigen huishoudelijk reglement gemeenteraad
4. kennis nemen van kasverslagen 2e kwartaal: a) stad Waregem b) stedelijke Regie voor Grond- en Huisvestingsbeleid
5. goedkeuren budgetwijziging 2009 diverse kerkbesturen
6. goedkeuren aanpassingen meerjarenplanning 2008-2013 diverse kerkbesturen
7. kennis nemen budget 2010 diverse kerkbesturen
8. stedelijk brandweerpersoneel: kennis nemen en bekrachtigen proces-verbaal van het bevorderingsexamen voor de graad van sergeant-vrijwilliger + vaststellen van de bevorderingsreserve
9. stedelijk brandweerpersoneel: vacant verklaren van 2 plaatsen voor de graad van onderluitenant-vrijwilliger
10. stedelijk brandweerpersoneel: organisatie van een aanwervingsproef voor de functie van brandweerman-vrijwilliger met de aanleg van een wervingsreserve
11. herstellen brug over de E17 - Vichtseweg: goedkeuren bijkomende werken
12. goedkeuren opdracht levering van bomen voor de groendienst + vaststellen wijze van gunnen
13. goedkeuren wegentracé Wortegemseweg
14. goedkeuren wegentracé Kleine Heerweg (site Interlin)
15. leveren en plaatsen van 2 LED-borden in de Wortegemseweg, goedkeuren bestek en wijze van gunnen
16. aanvullend verkeersreglement wegverkeer blijvend karakter: invoeren parkeerverbod in de Lindestraat
17. Pandcomplex, onderhoudsschilderwerken buitenschrijnwerk zuidgevel: goedkeuren ontwerp + vaststellen wijze van gunnen
18. sportinfrastructuur, vernieuwen gebouwenreservatiesysteem (GRS): goedkeuren ontwerp + vaststellen wijze van gunnen
19. goedkeuren ontwerp tot aanstellen projectontwikkelaar site Ware Heem + vaststellen wijze van gunnen
20. goedkeuren toelagen
21. kennis nemen charter 'veilig en kwalitatief fuiven in de Mira-politiezone'
22. vragen
23. goedkeuren proces-verbaal vorige zitting
Geheime zitting
24. stedelijk brandweerpersoneel: bevorderingen in de graad van sergeant-vrijwilliger
25. stedelijk brandweerpersoneel: bevorderingen in de graad van onderluitenant-vrijwilliger
26. stedelijk brandweerpersoneel: definitieve aanstellingen in de graad van ambulancier-vrijwilliger
27. stedelijk brandweerpersoneel: a) verlengen van de stage van stagiairs-ambulancier b) aanvaarden ontslag van stagiairs-ambulancier
Geschreven door Beverse Weetjes om 11:36 Reageer op dit bericht

Kroniek van zeven zonnige jaren (deel 15)

Photobucket
ALLERHANDE KLEIN SPEELGERIEF
Met een ledig twijnbolletje kon je dus gemakkelijk een ijstop maken. Er viel evenwel ook nog ander speelgerief uit te fatsoeneren. Een tank of, zo je wil, een traktor bijvoorbeeld. Je nam zo een garenklosje en begon al­vast de randen van de twee zijvlakken in kertels te snijden. In een van die vlakken klopte je dan voorzichtig een kleine spijker en maakte er een stevig rekkertje aan vast. Dat elastiekje trok je dan door het klosbuisje en ook door een eindje kaars waarin je een gaatje had gemaakt. Door het uiteinde van het rekkertje schoof je dan een lange spijker. Die werd door de veer­kracht tegen het eindje kaars aan getrokken.
De traktor was daarmee klaar. Met die lange nagel kon je het elastiekje opwinden. Als je het vehikeltje nu ergens neerzette en losliet, trachtte het elastiekje dadelijk zich te ontwinden en bij die poging drukte het de spij­ker met zijn uiteinde vast tegen de grond. Van de weeromstuit dreef die dan de traktor vooruit. Je mocht gerust kleine hindernissen in de weg leg­gen. Die werden prompt genomen, dank zij de gekartelde randen van het twijnbolletje.
Een uitstekend soort amusement! Het kwam goed van pas als de lessen wat eentonig waren en wij achter de rug van een klasmakker dringend aan wat ontspanning toe waren. Met rekkers kon je dus twijnbolletjes aan het rijden brengen. Er viel echter nog meer met ze aan te vangen. Een goed punt ook was dat ze zeer gemakkelijk te krijgen waren. Als vader ons geen oude fietsbinnenband kon bezorgen, was er altijd nog Jefke de Velomaker. Die had hele resems zulke dingen hangen in zijn velokot. Van zo een binnenband hoefden we enkel maar smalle reepjes af te snijden en we hadden rekkertjes in over­vloed.

Met die dingen konden we prima schiettuig in elkaar knutselen. We vlochten er een aantal van aan elkaar en maakten dat rekkertouw dan vast aan een gespriete stok. Met die schieter konden we kleine steentjes en dro­ge erwten of bonen metersver wegschieten. Dat was echter kompleet taboe op de speelplaats. De meesters waren nu eenmaal van oordeel dat je onge­lukken beter kon voorkomen dan genezen.
Rekkertouw dat niet aan een stok vastzat, mochten we echter wel mee­brengen naar school. We spanden dat tussen duim en wijsvinger van beide handen en lieten het horizontaal of vertikaal wegschieten. Kreeg iemand het in zijn gezicht, dan schrok hij wel even, maar er was toch geen verder onheil mee gemoeid. Tenzij natuurlijk de altijd dreigende kans op vergel­dingsmaatregelen.

Een bijzonder geliefkoosd spelletje was het schieten naar vliegen. We speurden de muren af, tot we ergens zo een beestje vonden dat schuldeloos te zonnebaden zat op de warme baksteen. Ons rekkertje werd gespannen en even later was het glanzende vliegenlijfje veranderd in een vlek die de steen wat donkerder kleurde. De meesters moesten ons een draai om de oren gegeven hebben hiervoor.

Met een eindje binnenband kon je ook een gerieflijke spijter maken. Je prikte een of meer gaatjes ongeveer in het midden van het stuk en knoopte de onderkant goed toe met een touwtje. Als je nu water in de spijter deed en hem aan de uiteinden dichter en dichter toeneep, spoten fijne straaltjes uit de openingetjes weg. Prima vechtmateriaal voor warme dagen!
De ranker was een ander gerieflijk speeltuigje. De naam zegt echter duidelijk genoeg dat je daarmee maar best buiten de klas bleef. Geen enkel onderwijzer was immers gebrand op bijkomend lawaai tijdens zijn les.

Je had niet bijzonder veel gerief nodig om'zo een ronker te maken. Een rechthoekig plàatje hout en een eindje touw waren al voldoende. In het middenstuk van het plaatje werden twee gaatjes gebrand en daardoorheen stak je dan het touw waarvan je de uiteinden vervolgens goed aan elkaar vastknoopte. Dit touw nam je nu met beide handen vast, ervoor zorgend dat het plaatje vlak in het midden stond, en begon het op te draaien. Als je een voldoende stevige opwinding had, trok je aan beide kanten aan het touw. Het begon zich te ontwinden en, van de weeromstuit, naar de ande­re kant te overwinden. Een volgend trekken had hetzelfde effekt, maar dan in averechtse richting. Het houtje draaide mee natuurlijk en begon daarbij zachtjes te gonzen. Onder het onophoudelijk draaien en ontdraaien groei­de dit gegons algauw uit tot een waar geronk. Vooral als de randen van het houtje gekerteld waren.

Je kon ook een leuk spelletje spelen met een touwtje en twee kastanjes twee ketjaanten die je aan de uiteinden ervan vastgemaakt had. Je nam het touwtje in het midden vast tussen duim en wijsvinger en liet de ketjaanten op en neer wippen tot ze tegen elkaar bokten. Dat instrumentje was onze bokker.
Zulke wilde kastanjes holden we ook wel eens uit en staken er een stok­je in waaruit we het merg gepeuterd hadden. Zo kregen we een pijp. Ik ge­loof echter niet dat er ooit iemand het lef heeft gehad zich daarmee aan ro­ken te bezondigen. Met een stuk krantenpapier en wat achterovergedrukte tabak hebben we het meer dan genoeg geprobeerd. Maar met zo'n ketjaan­tepijpje? Nee!

Dergelijke pijpjes maakten we echter het meest met uitgeholde eikeno­ten. Aan eikels geraken was geen probleem voor ons. De Gentse Baan was toen immers afgezoomd met jonge eikebomen. Ze waren niet meer dan een meter of drie hoog en we konden er gemakkelijk in klimmen. Nooit echter zouden we dat gewaagd hebben als er geen paar maats op de uitkijk stonden. We hadden immers een heilige schrik voor de kantonnier. Die vent hadden we wel nooit gezien, maar er deden vreselijke verhalen de ron­de over zijn onmenselijke strengheid.

Eikels kon je ook opeten. Natuurlijk. Dat deden we echter slechts als we niets anders te kauwen hadden. De smaak was een beetje wild en lag ons niet helemaal.
Photobucket
Ook met het uithollen van bieten hebben we ons wel eens beziggehou­den. Naar de winterkant toe vanzelfsprekend. In de wand sneden we twee ogen, een neus en een grijnzende mond uit en plaatsten vervolgens een eindje kaars in de uitholling. Prima gerief om mee te spoken 's avonds. Vooral in de buurt van het Kruise waren wel eens derg~jke lichtende doodshoofden te zien. Van ouds was het daar immers een uitgelezen spookhoek. Je moest echter verdomd goed oppassen dat er geen onvervaar­de manskerel in de buurt was als je met zo een grijnzende bietekop stond te spoken. Snel als de bliksem weghollen was dan ten zeerste geraden.

Ook met een brandglas konden we iets aanvangen. Als het zonnig weer was kon je daarmee gemakkelijk een stuk papier of een handvol droog gras in brand krijgen. Er is 's zomers meer dan één graskant in vlammen opge­gaan, enkel maar met behulp van zo een schamel brandglas.

Natuurlijk waren we ook verzot op alles wat maar muziek kon maken. Geld om een of ander instrument te kopen was er natuurlijk niet toen. De enige instrumenten op de parochie toen waren die van de fanfare, het orgel in de kerk, en hier en daar een piano bij een juffertje dat wat pensionaat gelopen had. Onze ouders oordeelden dat een dikke boterham belangrijker was dan een of ander tuig waaruit alleen maar wat gejengel te halen viel.

Robert Cnudde was hier de briljante uitzondering. Van zijn vader had hij een akkordeon losgekregen. Maar Robert Cnudde, de zoon uit het Sport­paleis, behoorde nu eenmaal tot de financiële top van de parochie. Staf Deroose was de enige sloeber van onze weerga die een muziekinstrument bezat. Hij had ergens een mondmuziek op de kop getikt en kon er na be­trekkelijk korte tijd allerlei deuntjes laten uit opkrijsen.

Geen geld voor een muziekinstrument dus. Als we er een wilden heb­ben, moesten we het zelf in elkaar knutselen. Natuurlijk dat het dan niet zo bijster veel zaaks was. We namen bijvoorbeeld een luciferdoosje. Daarin maakten we fijne sneetjes aan weerszijden van het bovenvlak en spanden daar rekkertjes in. Om de spanning nog te verhogen en tezelvertijde te va­riëren, staken we er twee schuinlopende sulferstokjes onder. Het was geen mirakel als je in de klas opeens een gedemptping-pang-pong hoorde. Die muziekdoosjes waren natuurlijk nogal broos. De rekkertjes immers waren zeer eigenwijs en sprongen uit de gleufjes zodra we er iets te hard op tokkelden.

Oudere mensen zeiden dat dit primitieve muziekje enigszins verwant was aan de pinette die zij in hun jeugd nog gekend hadden. Die was vervaardigd van hout, nageltjes en ijzerdraad.

Handiger dan het sulferdoosje was een soort toeter die we maakten uit kartonnen spoelpijpen. We maakten een gat in de zijkant dat het mond­stuk moest worden en vlak daarboven sneden we een ring af van het breed­ste gedeelte van de pijp. We spanden nu een sigarettebljladje over de breed­ste opening en schoven de ring erop. Door het mondstuk konden we nu allerlei deuntjes toeteren en die werden door het blaadje vrolijk meegetrild.

Ook met wilgetakken kon je iets aanvangen. Vooral in de lente, als het sap tussen schors en hout omhooggestuwd werd. Je sneed ergens een knot­wilgtakje af en haalde er een recht stuk uit van een paar handbreedten. Als je heel voorzichtig was kon je er de pel afwringen, zonder dat ze ook maar een tikkeltje beschadigd werd. Inhet ontschorste gedeelte maakte je nu de nodige inkepingen en schoof de pel er weer op. Als je iet of wat van de stiel kende, had je nu het beste fluitje van de wereld.

Heden ten dage heeft iedereen de mond vol over kreativiteit. Als je dat woord niet om de haverklap gebruikt, word je voor hopeloos ouderwets versleten. Aan kreativiteit deden wij toen niet. Niemand trouwens die dat verwachtte van ons, linke buitenjongens. Maar als we iets nodig hadden, knutselden wij het in elkaar. Soms met verbluffende vindingrijkheid. Ik weet niet hoe ze zoiets nu zouden noemen!
Weldra meer
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Was het nu 100, 50 of 30 bij KWB Beveren-Leie?

Photobucket
Het bestuur: Bart Labeeuw, Hans Seynhaeve, Bert De Rore, Dirk Pattyn en Germain De Vlaminck
Op zondag 20 september was het bestuur van KWB Beveren-Leie reeds om 08.00 uur op post in de Kernelle om de vroege vogels voor de fietstocht ‘Is het nu 30, 50 of 100’ te ontvangen.

Zo’n 130 sportievelingen gingen gewapend met een bolletjesstreepjesplan de weg op. Een 20-tal kozen voor de 100 km, een 40-tal hadden het gemunt op de 30 km en de 50 km werd door 70 personen afgehaspeld.

Nadien konden de deelnemers nagenieten met een natje of een droogje. Ook de verse frietjes van Bert vielen duidelijk in de smaak als afsluiter van een sportieve dag.
Geschreven door Beverse Weetjes om 12:47 Reageer op dit bericht

30ste Brandingrun te gast in Beveren-Leie

Op zondag 20 september werd voor de 30e keer een brandingrun georganiseerd met sidecars, solo-moto’s, GoldWings en trikes’. Deze run wordt ook ieder jaar begeleid door de federale politie, die zorgt voor een vlekkeloos verloop van de run en die het verkeer in goede banen leidt.

Rond 10u30 kwamen de eerste motorrijders aan op de parking aan OC de Vonke te Heule. Ze konden vooreerst genieten van een tas koffie, een aperitief en een stevig middagmaal. Rond 13u kwamen de gebruikers toe en werd er ijverig gezocht naar het juiste vervoermiddel om op te zitten; er waren een 40 tal zijspannen, een 15 tal Goldwings en een tiental trikes en solo-motoren.

Bijna alle 82 gebruikers konden een hele rit meemaken, slechts enkelen een halve rit. Het eerste gedeelte van de rit ging richting Ingelmunster – Wielsbeke om zo te eindigen te Beveren-Leie waar een tiental vrijwilligers de deelnemers stonden op te wachten.

*Omstreeks 14.45 uur kwam de karavaan het centrum van Beveren-Leie ingereden, (deel één) 
*In OC 't Klokhuis stonden de tafels gedekt en werden de deelnemers van de Brandingrun door stad Waregem getrakteerd met koffie en gebak, (deel twee)
*Ondertussen maakte directeur Jean-Pierre Isebaert even tijd om het een en ander te vertellen over de werking van 'de branding', (deel drie)
*Na het interview met dhr. Isebaert stapte Beverse Weetjes op een willekeurige motorrijder af met de vraag waarom iemand aan zoiets deelneemt. Geert Eggermont was onmiddellijk bereid om ons te woord te staan, (deel vier)
Achteraf wist hij nog te vertellen dat hij samen met zijn echtgenote in de maand juni en september vaak aan zo'n runs deelneemt. Geert is lid van de club 'Sietekaristen Ut 't Brugsche'.
* Rond 16u vertrokken we voor het tweede gedeelte langs Deerlijk – Zwevegem tot terug in Kortrijk-Heule. (deel vijf)
Daarna was er nog een broodmaaltijd voorzien voor alle deelnemers in OC de Vonke.
Alles was aanwezig - de zon, ronkende motoren, blije gezichten, stoere bikers – om deze editie in de annalen te zetten als de geslaagde jubileum-run.



Ontvangst en welkom in OC 't Klokhuis te Beveren-Leie


Directeur Jean-Pierre Isebaert over 'de branding'

Geert Eggermont vertelde...


  Tot slot nog een reeks foto's over deze schitterende manifestatie
Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Rita Veys wint reis



"Tijdens het kermisgebeuren kon men bij het nuttigen van een Beversche Leye een deelnemingsformulier invullen om een reis te winnen.
De reis naar de Franse Alpen  werd gewonnen door Rita Veys", 
Met dank aan voorzitter Thierry Mondy voor het doorsturen van dit bericht.
Geschreven door Beverse Weetjes om 22:34 Reageer op dit bericht

Vinkeniers in de bloemetjes gezet

Nadat de 67 aanwezigen op zaterdagavond 19 september genoten hadden van een heerlijke barbecue werden de Koning en Kampioenen van de Beverse vinkenmaatschappij ‘De Koninklijke Vlaamse Leiezangers’ samen met deze van ’t Drieverbond Gewest Deerlijk (Beveren-Leie, Desselgem en Deerlijk) gehuldigd.

"De Beverse vinkenmaatschappij telt 27 leden" vertelde Willy Kints. "Om de Koning te bepalen komen 6 zettingen in aanmerking. Drie in de voor- en drie in de namiddag. Enkel diegenen die aan minstens twee zettingen in de voor- en twee in de namiddag deelnemen komen in aanmerking voor de titel. Wie dus deelnam aan de zes zettingen kan zijn kansen op de titel opschroeven",  legde Willy uit.
Photobucket
Voor: Kampioen Jozef Desmet, derde Remi Valcke, Koning Walter Nolf, Vrouwelijke Kampioene Lydie Carton, Kleine Koning Freddy Desmet, Kleine Kampioen Marc Vandorpe.  Achter: vierde Urbain Demeyere, schepen Chantal Coussement, vijfde Marleen Rigole, en speaker van dienst Willy Kints.
't Drieverbond Gewest Deerlijk
“Om de Koning bij ’t Drieverbond te bepalen zijn er 13 zettingen”, wist Willy hierover mee te geven. “De 10 beste worden weerhouden en op basis daarvan wordt het klassement dan opgemaakt. Van de 15 gehuldigden zijn er 7 vinkeniers aangesloten bij onze Beverse maatschappij”, wist hij er nog aan toe te voegen.
Photobucket
Klassement 't Dieverbond: Verbondskeizer Georges Derammelaere, 2 Roza Vanbesien, 3 Tom Desmet, 4 Remi Valcke, 5 Willy Kints, 6 Jozef Desmet, 7 Willy Theerlynck, 8 John De Rore, 9 Gino Vanhoutte, 10 Noël Deconinck, 11 Francky Dhaene, 12 Linda Tijtgat, 13 Etienne Ketels, 14 Freddy Desmet, 15 Willy Vanrijckeghem  

Georges Derammelaere, eveneens uit Beveren-Leie (hieronder samen met zijn echtgenote Magda Moerman op de foto), wist het voor het derde jaar op een rij klaar te spelen om kampioen te worden bij ’t Drieverbond, met vogel Krak. Goed dus om de titel Verbondskeizer te mogen dragen.
Photobucket In de wandelgangen doet het gerucht de ronde dat Keizer Georges voor komend seizoen met een nieuwe belofte op de zettingen zal verschijnen. Afwachten dus wat het volgende seizoen, dat start in april 2010, zal brengen.
Geschreven door Beverse Weetjes om 20:25 Reageer op dit bericht

Meer van Archief Beverse Weetjes

↑ Terug naar de berichten