324 Wie zal de vreud, 't geluk verhalen
Hetwelk uw beider harte vult ?
Wie zal het paradijs eens malen
Waar gij voortaan in leven zult ?
Geen dichter, hoe hij is begeesterd,
Geen schilder wat hij malen kan,
Die het gevoel zo goed bemeesterd,
Dat hij ons geeft een schets ervan.
Neen! Neen ! geen mens is zo verheven
Dat hij vermag in woord en beeld,
Die zaligheid ons weer te geven,
Zoals zij thans uw zinnen streelt.
Die vreugd, dat heil, die zegeningen
Die zielsgenoegens zacht en teer
Die zich in beider hart verdringen,
Kan men gevoelen, zonder meer ! …
Gij die gerust en vrij van zorgen
Het levenspad bewandelen kunt,
Die zich beslissen zult of morgen
U immer zoveel wellust gunt,
Wilt gij het hoogst geluk betrachten
Versterkt uw wederzijdse min
Heb lief, bemint uit al uw krachten
Daar zit de grootste vreugde in !
Het is om heil en zegeningen
Te wenschen aan het jonge paar
Het is om hun geluk te zingen
Dat vriend en maagschap komt te gaar
Ik wil daarbij niet achterblijven
‘k Verhef mijn stem bij ’t feestgeschal
En zeg ; wat andren mogen kijven.
Dat ’t jonge paartje leven zal !
Ja, ’t jonge paartje zal in vrede.
Op ’t levenspad vooruit steeds gaan
Gezegend zij ’t bij elke schrede
Gesteund door Liefde op hun baan.
Geen onheil rake ooit hun harten
Wen zij in wederzijdsche min
Verdelen vreugdegevoel en smarten
Waar zit de levenswijsheid in.
Geen onrust kan de harten storen
Die liefdevol zijn voor elkaar.
Hen zij op aard’ al heil beschoren
Zij leven vreedzaam, menig jaar.
Ter hunner eer zal heden klinken
En feestgeschal en jubelzang.
Wij zullen hun gezondheid drinken
Zij leven lang ! Zij leven lang !
X