Woensdag 2 januari 2013
Elzenmos
Geschreven door Cladonia om 17:03
Reageer op dit bericht
Elzenmos
Gewoon knikkertjesmos
Boompjesmos
Het "Boompjesmos" (Climacium dendroides) is wel iets heel apart. Het is door zijn boomvormige groeiwijze en forse afmetingen een opvallend mos. Het kan overal groeien maar moet toch wat vochtig staan. Het verdraagt geen bemesting. In gebieden met intensieve landbouw zal het dan ook ontbreken. De "takjes" met zowat "een kruin" bovenaan staan onderling verbonden op uitlopers. Het zal zich ook langs die uitlopers verspreiden. Het "Struikmos" doet dat ook en daardoor is er met dat mos wel eens verwarring mogelijk. In "bijlage" kunt nog een opname bewonderen.
Haarmos
Dit zijn de kapsels van een "Haarmos" (Polytrichum - betekend ook "vele haren") waarschijnlijk het "Gewoon haarmos" maar we zien dus niet het hele plantje, alleen de kapsels op een steeltje. Het is wel duidelijk te zien hier dat op die kapsels een harige bedekking is die naar achter toe wat uitsteekt. Het illustreert ook dat de naam van de meeste mossen genoemd is naar een kenmerk van het kapsel. Dit is harig! Dus ...Ook hieronder hadden we parapluutjesvormige voortplantingsorganen dus..."Parapluuutjesmos".
Parapluutjesmos
Het "Parapluutjesmos" (Marchantia polymorpha) is een levermos dat nogal groot kan worden. Het heeft een "lapvormige" groeiwijze die wel 10 cm lang kan worden en 5 tot 15 mm breed kan zijn. Het is wat licht- tot donkergroen met een onscherpe middenstreep en een fijne netvormige tekening met poriën. Het is ook tweehuizig, er zijn mannelijke en vrouwelijke plantjes. Hier is er een mannelijk plantje op de foto. Dit is goed te zien aan het vruchtlichaam dat de vorm heeft van een gesloten parapluutje. Er zijn hier "drie rondje parapluutjes" goed te zien van boven getrokken want die staan eigenlijk op een steeltje, dat we hier niet kunnen zien. Er zijn hier ook nog bekertjes te zien. Dit is een ongeslachtelijk voortplantingsmechanisme. In de "bekertjes" zitten of zaten hier "broedkorrels" die met de regendruppels verspreid worden, maar dat worden dan "klonen" van het plantje. In "bijlage" nog een foto maar nu van een vrouwelijk "Parapluutjesmos" met ook parapluutjes maar niet helemaal vol men ziet eerder "baleinen" van een parapluutje.
Blaasjesmos
Helmroestmos
De kleur van dit mosje, "Helmroestmos" (Frullania dilatata), helpt om het op naam te brengen. Meestal ziet men de dofgroene tot roodbruine stengeltjes van het mos over de stam of tak uitgespreid. Het is een levermos met ronde blaadjes en ze hebben ook nog een onderlob, die we hier niet kunnen zien uiteraard. De kleur is wel bijzonder. In "bijlage" nog een andere opname van dit mosje.
Landvorkje
Klei-smaragdsteeltje
Gewoon kronkelsteeltje of Breekblaadje
Gerimpeld platmos
"Gerimpeld platmos" (Plagiothecium undulatum) wordt een mos van oude bossen genoemd met hoge luchtvochtigheid en dan vooral nog in naaldbossen op een strooisellaag op zure arme zandgrond. Het groeit in platte matten en valt wat op door de wat bleek geel-groene kleur. De blaadjes zijn gerimpeld maar dat is hier moeilijk te zien. Wel liggen ze mooi boven elkaar zijdelings van een stengel. Het was hier zelfs wat aangerijmd op een koude morgen. Een niet alledaagse maar mooie vondst!
Hondsdrafroest
De "Hondsdrafroest" (Puccinia glechomatis) staat op de onderzijde van de bladeren en ook op de bladstelen van hondsdraf. Hier staat hij op de onderzijde van een blad. Bijzonder lijkt hier ook, dat hij alleen in de 3e fase (telia-fase) wordt aangetroffen in België en Nederland. Er wordt wel vermeld dat een deel van de teliosporen snel kiemen. Hij staat op bruine vlekken vroeg in het zeizoen en tamelijk onopvallend maar later wordt het geheel donkerder (zoals hier). De telia staan ook wat in groepjes van ongeveer 4 mm, verdeeld onderaan het blad. In "bijlage" nog een opname van deze roest. Merkwaardig dat wij hier maar één fase (telia-fase)tegenkomen!
Algemene oranjeroest
Hier troffen we de "Algemene oranjeroest" (Coleosporium tussilaginis) aan op de onderzijde van een blad van het "Groot hoefblad". De kleur is oranje van deze vruchtlichamen wat duidt op uredinia -vruchtlichamen. De fase (2) in de ontwikkeling van deze roest. Moesten we rode vruchtlichamen en zien dan was het de 3e fase of telia- vruchtlichamen. Hier zien we wel een rood insectje op het blad rondkruipen maar dat is dus geen roest- vruchtlichaam. Hieronder (vorige data) vind u nog wel ook op andere waardplanten deze roest terug. Hij is dus inderdaad zeer algemeen!
Elzenviltmijt

Dit is dan wel geen roest maar het resultaat van een aantasting van de "Elzenviltmijt" (Acalitus brevitarsus) . Op de onderzijde van een blad ,zoals hier, maar ook op de bovenzijde ontwikkelen zich eerst witte en later roodbruine haarkussens, die onregelmatig ovaal zijn. Als de infectie zeer sterk is kan bijna het hele blad met vilt bedekt zijn. Hier lijken we wel van een tamelijk sterke infectie te kunnen spreken. Men zou dit uitzicht niet zo direct verwachten als het resultaat van de aantasting door een mijt en bij de gallen moeten gaan zoeken om te vinden waarover het gaat. Gelukkig zijn er nog kritische lezers die een fout kunnen ontdekken en het melden!
In "bijlage" nog een tweede opname.
Algemene -oranjeroest
Hier treffen we dezelfde (zoals hierna) roest: "Algemene-oranjeroest" Coleosporium tussilaginis) aan maar ditmaal op "Stijve ogentroost". Deze telia-fase is meestal donkerrood en meer langwerpig dan op het Groot hoefblad hieronder. Het illustreerd dat deze roest werkelijk algemeen is en een groot aantal waardplanten kent, zeker voor de fases 2 en 3 (uredinia en telia). In "bijlage" nog en opname van nog meer nabij!
Kroonroest
Deze "Kroonroest" (Puccinia coronata) komt met zijn eerste twee fases (spermogonia en aecia, met sporen van type 0 en 1))voor op Vuilboom, Sporkehout en Wegedoorn. Hier zien we vooral de aecia op de bladsteel van Vuilboom die er ook wat misvormingen veroorzaakt. We zien er de cilindervormige bekertjes op gele tot geelpurperen plekken. Prachtige kleuren maar niet zo gezond voor de Vuilboom! De andere waardplanten waar deze roest op voorkomt met uredinia en telia (met sporen van type 2 en 3) zijn een hele reeks grassen!
Brandnetel-zeggeroest
Akkerkoolroest
Grijze fluweelgalwesp
Op eikenbladeren komen ook verschillende gallen voor. Hier is de "Grijze fluweelgalwesp" (Cynips longiventris) actief geweest. Deze gal, ook "stuitergal" genoemd, is hier wat afgeplat bolvormig, 6-8 mm in doorsnede. Deze gal is geelachtig of roodachtig (zoals hier) met enkele smalle lichter gekleurde banden of rijen van pukkels die de oppervlakte onregelmatig en ruw maken. In het centrum ligt een langwerpige larvenkamer. De gallen zijn in de nazomer volgroeid en vallen dan met de bladeren op de grond.
Distelgalboorvlieg
In zijtakken van de distel worden door een boorvlieg eitjes gedeponeerd die tot forse gallen ontwikkelen. Het is de "Distelgalboorvlieg" (Urophora cardui) die de dader is. De gallen zijn afgerond tot spoelvormig, recht of gebogen en 6-50 mm lang en 4-20 mm dik! Inwendig komen er enkele onregelmatig verlopende larvenkamers voor, elk met een witte boorvlieglarve. De gallen zijn in het begin glanzend groen en tamelijk zacht maar later worden zij bruin en hard. De made zal zich verpoppen in de gal zodat daar later ook de bewuste "Distelgalboorvlieg" zal uitkomen.