We waren nog wat jong om grote filosofen aan te pakken. Toch slaagde onze professor er in dieper te doen nadenken over de dingen van het leven. We gingen ook af en toe naar zijn kamer voor wat we toen noemden “een onderhoudje”.Bij die gelegenheid vroeg hij me eens “als je soms van die wondere vragen hebt, en je weet niet waar ze ergens vandaan komen, je mag ze me altijd zeggen” De volgende keer herinnerde ik hem aan zijn vraag. “Heb je daar iets ?” zei hij. “Ja antwoordde ik, maar het is zo, belachelijk. Ik zou af en toe eens iemand willen opeten.” Ik, dacht dat hij ging lachen maar hij zei : “Waarom ?” Ik zei :” Misschien om niet meer alleen te zijn”. Hij lachte nog niet, maar hij zei : “Laat dat gevoelen niet meer los. Ge zult later wel het antwoord horen”.
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
HEILIGEN.
Onlangs las ik hoe een catechist aan een groep kinderen vroeg : “wat zijn heiligen?”. Een kind antwoordde : “Heiligen zijn mensen die op de kerkramen staan als de zon erachter schijnt”.
Al kan men even glimlachen bij dit antwoord het bergt een grote een grote waarheid. Heiligen zijn mensen waarvan de Kerk vindt dat zij het bijzonder goed hebben gedaan.
Goed doen is liefhebben. Welnu God is liefde en liefde is God. Wie iets goed doet laat iets zien van God. Daar licht iets op van Gods liefde.
Dagelijks kunnen we goede dingen zien bij mensen. Of ze geloven of niet God komt er doorheen. Voorwaarde is dat de werkelijkheid transparant wordt, en dat is ze voor mensen die geloven. Ze komen Gods liefde overal tegen.
Piet.
ADVENT.
“Nu moet ons ventje slapen gaan.”
Elke avond volgt hetzelfde ritueel :
staande op de grote tafel, onder de lamp,
laat de kleine dreumes zich ontkleden.
Stuk voor stuk moet hij iets van zijn privé afgeven.
Niet zo simpel !
Alleen vader of moeder mogen dat doen.
Zij weten goed waar de knopen zitten
en waar het moeilijk wordt.
Bij elke elleboog gebeurt er iets.
Iets van de muis of de “piep”, of de grote loebas.
Een kind uitkleden… er zit iets heiligs in :
een mensenkind ontdoen van al het overtollige,
van al het bijkomstige
tot het kwetsbaar en weerloos zijn armpjes om u heen legt.
Een kindje gereed maken
voor het altijd eender verhaaltje-in bed,
en voor de altijd nieuwe dromen.
Elk jaar volgt het zelfde ritueel.
met elke Advent wil God ons uitkleden,
ons ontdoen van al het overtollige,
van al het bijkomstige.
Hij alleen mag dat doen.
Hij weet waar de knelpunten zitten,
wat ons als mens belemmert :
…gij rookt te veel…gij drinkt te veel
…gij eet te veel…gij zit te veel
…gij praat te veel…gij…
En zo heeft ieder in zijn leven een stuk dat hem niet goed zit,
en dat zo moeilijk is om uit te trekken.
Maar God heeft een groot gedacht van onze vrijheid.
Dat is iets heiligs voor Hem.
Daarom moeten wij ons gewillig laten uitkleden door Hem.
Maar als we eenmaal zo ver zijn,
als we kwetsbaar en weerloos geworden zijn
en onze armen om Hem heenslaan
en we ons laten dragen,
dan brengt hij ons naar de kerstnacht
met dat altijd eender verhaal,
dat altijd nieuwe dromen wekt.
Ik las het eens bij Manu Verhulst, denk ik.
Piet.
Een zichtkaart uit Zwitserland.
Een zichtkaart uit Zwitserland.
Ik kreeg eens een zichtkaart vanuit Zwitserland.Een prachtig landschap. Bergen met sneeuw en een vallei. Maar er stond geen handtekening op. Alleen een groot vraagteken. Ik vroeg me dan ook af van wie dat kon komen. Niemand van mijn familie of van mijn vriendenkring had me gezegd dat hij of zij naar Zwitserland zou gaan. Van wie kon dat zijn? Wie zou er daar in Zwitserland aan mij denken? Ik had niet het flauwste vermoeden. Een plagerijtje? De kaart kreeg voorlopig een plaats op mijn bureau.
Weken gingen voorbij tot plotseling een tweede kaart in mijn brievenbus viel. Een zichtkaart uit de Franse Pyreneeën. Prachtig. Maar weer geen handteken, maar een bloemetje. Van wie komt dat toch? Mannen tekenen geen bloemetjes. Maar wie dan? Ik heb ze naast die andere op mijn bureau geplaatst. Een derde kaart ! Dit keer uit Volendam. Je kent ze wel : die groep meiden met klompen en in oude klederdracht. Drie kaarten van iemand die aan mij denkt en plagend schijnt te vragen : “Kun je raden wie ik ben ?”
Neen, ik zou niet weten wie ik moest verdenken. Weer gingen dagen voorbij tot ik op een bruiloftsfeest kwam van en familielid. Er werd gegeten, gedronken en gedanst. Op zeker ogenblik stond ik middenin een groepje jongeren die me plaagden. Tussen al dat gebabbel en gegiechel hoorde ik plotseling iemand zeggen “En als je dan af en toe een kaart krijgt en je weet niet van waar ze komt….”. “Haha ! riep ik uit, daar is die rakker !” Nu was het duidelijk. Een lieve nicht die in mijn kinderjaren veel moeder kwam helpen…!
***
Van Wie zou het komen : al die mooie, goede dingen die we dagelijks in de brievenbus van ons leven krijgen?
****
Piet.
KRUISBEELDEN
KRUISBEELDEN.
Luc, er is een tijd geweest dat ik ook niet wist of het wel goed was zoveel kruisbeelden te hangen. Er kwamen af en toe klassen uit het middelbaar onderwijs in ons klooster op bezinning. Bij het binnenkomen zagen ze reeds een levensgroot kruisbeeld. Toen ze de trap opgingen weer een. In elk lokaal en elke kamer een kruisbeeld op de ereplaats.. Was dat niet wat te veel voor die jongens en meisjes? Gaf dat niet een al te somber zicht op ons geloof? Ik zag bij de protestanten wel het kruis maar zonder Christus. Eens zag ik in een kerk in Duitsland hoe op het altaar een kruisbeeld stond dat men kon omdraaien naar gelang het voor een katholieke of een protestantse dienst was.
Maar de laatste tijd ben ik dat toch anders gaan zien. Als men aan een kleine jongen vraagt “Hoe groot ga je later worden?“, dan steekt hij zijn armen in de lucht en zegt hij :“Zo groot…!” Hij gebruikt lichaamstaal. Zo begrijp ik ook een kruisbeeld. Het is de lichaamstaal waarmee Jezus zegt hoezeer Hij mij liefheeft. Voor mij is het geen beeld van de Man van Smarten, maar een beeld dat mij enorm blij maakt. “Pietje, zozeer hou Ik van jou”. En zijn gebaar is vastgenageld als om te zeggen : “Je mag er op vertrouwen !” Ik ben geneigd om voor een van die grote kruisbeelden te gaan staan en te zeggen : “Heer, zo wil ik je ook liefhebben !”
Ingevoegd door Piet.
EUCHARISTIE
EUCHARISTIE
Ik vind het fantastisch hoe Jezus op het Laatste Avondmaal, wetende dat zijn uur gekomen was, alles nog eens heeft samengevat wat Hij was en wat Hij leerde en wat wij moeten worden. Hoe eenvoudig is het : Hij nam brood, brak het en gaf het. Zo simpel en tegelijk zo rijk symbool. En niet alleen symbool maar ook werkelijkheid “Dit ben Ik”. Daarmee wijst Hij mij naar de voorste punt van de evolutie : wat ik moet worden is Mens worden zoals hij ons voorgeleefd heeft. Liefhebben. Alles doet nu nog het tegenovergestelde: pakken. Al wat leeft leeft van pakken en verorberen voor zich. Van de kleinste amoebe tot het grootste dier. Het ziet iets liggen, pakt het voor zich en kruipt ermee weg. Dat gebaar draait Jezus om. Breken en geven is toekomst. En daarin is Hij aanwezig. Daarom vind ik de hostie in het tabernakel het brandpunt van ons leven. Daar ligt het symbool, daar is Hij, daar ben ik. God is overal aanwezig waar liefde is. Maar Hij wordt gevierd in het gebroken brood van de eucharistie. Daar vieren wij onze verbondenheid, ons één zijn met Hem. In dat Brood kan ik Hem zien, ontmoeten, zoenen. Eenvoudiger kon God niet doen om ons te zeggen wat Hij is en wat wij moeten worden, om in Hem te zijn en Hij in ons.
Piet.
BANG VAN TE STERVEN.
BANG VAN TE STERVEN.
De zwaarzieke greep de hand van de dokter:
“Ik ben zo bang van te sterven,
zeg me, wat staat er mij te wachten na de dood?
Wat zal er aan de andere kant te zien zijn?”
“Ik weet het niet “ zei de dokter.
“Je weet het niet…” fluisterde de stervende.
Zonder antwoord te geven
opende de dokter de deur naar de gang.
Daar liep zijn hond,
die opsprong bij het zien van zijn meester
en hevig zijn blijdschap toonde om het weerzien.
De dokter ging weer naar de zieke:
“Zie ik weet ook niet wat er ons te wachten staat
achter de deur van de dood.
Maar ik weet dat achter die deur
mijn Heer en Meester staat.
Daarom zal ik blij zijn
wanneer de deur zal opengaan !”
Leb. Katechese. ’88 bl. 177.
Piet
Gebed van Charles de Foucald
Gebed van Charles de Foucauld.
*
Vader,
Ik verlaat mij op U.
doe met mij wat Gij goedvindt,
Wat Gij ook met mij doen wilt,
ik dank U.
Tot alles ben ik bereid,
alles aanvaard ik
als uw wil maar geschiedt in mij
en in al uw schepselen:
niets anders verlang ik,
mijn God.
Ik leg mijn ziel in uw handen,
ik geef ze aan U, mijn God,
met heel de liefde van mijn hart,
omdat ik U bemin,
omdat het voor mij een noodzaak
van liefde is mij te geven,
mij zonder voorbehoud
op U te verlaten,
met een oneindig vertrouwen :
want Gij zijt mijn Vader.
Toegevoegd door Piet.
De 93 voorbij.
De 93 Voorbij.
“Ik ben de 93 voorbij,
dus niet zo jong meer
dan toen ik er negentig was.
Maar ouderdom is iets relatief.
Als men creatief blijft
en gevoelig voor de schoonheid
van de wereld die ons omgeeft,
dan ontdekt men dat ouderdom
niet noodzakelijk verouderen is.
Tenminste niet in de gewone betekenis !
Ik vind dat tegenwoordig veel dingen
me meer fascineren dan vroeger.
Het leven boeit me altijd meer !
Pablo Casals.Piet.
WEDERGEBOORTE.
WEDERGEBOORTE.
“Ik wil bij je blijven”
zei de rijpe vrucht tot de moeder,
“het is hier warm en veilig”.
“En toch wil je leven,
mens worden?” vroeg de moeder.
“Ja,” fluisterde de vrucht
met een zucht van verlangen.
“Dan moet je hier van mij vandaan.
Als je niet weg wilt, als ik je niet uitstoot,
Zal je nooit echt mijn kind zijn.
Ik ken je nu, en buiten is het koud.
Je tijd in mij is nu voorbij.”
Het bloed gonsde heet.
Het lichaam van de moeder rilde.
“Ga nu.” zei ze zacht.
Toen baande de vrucht zich een weg
Door de nauwe donkere tunnel heen.
Naar het leven.
Vreemde handen knipten haar los.
De vrucht was een huilend kind geworden,
Bevend voor de koude wind van de wereld,
Tot het zijn moeder vond.
Een nieuwe mens aan de warme moederborst
sliep voldaan een nieuwe toekomst tegemoet.
Zo gaat ons leven langs vertrouwde wegen
Tot het door een donkere tunnel moet.
Wij willen aan deze zijde blijven
Hoewel onze tijd voorbij is.
Dan huilen we wellicht en beven van de kou
Omdat wij worden losgeknipt.
“Je wilt toch leven?” vroeg destijds de moeder
“je wilt ten volle mens worden?”
Mochten wij dan met een zucht van verlangen
“Ja!” fluisteren.
Uit “Kerk en Leven” noteerde Piet hierbij.
EEN AAP VANGEN.
EEN AAP VANGEN.
Er staan ons allerlei problemen te wachten:
grote en kleine.
Maar wellicht niet het probleem
een aap te moeten vangen.
En toch is het niet zo moeilijk.
Luister eens goed
naar dat Indisch recept.
Neem een kokosnoot,
hol ze uit,
giet er wat rijst in,
en hang ze aan een boom.
Het gat in de noot moet juist zo groot zijn
dat de aap er zijn poot kan door steken.
Wanneer hij dan komt
en zijn poot er insteekt,
zal hij zoveel rijst nemen,
dat zijn hand zo dik is geworden
dat ze niet meer door de opening kan.
Hij wil tegen elke prijs de rijst vasthouden.
Maar hij zit gevangen aan wat hij genomen heeft.
Als het niet waar is,
dan is het toch goed gevonden !
Ik vermoed dat de verteller van dit verhaal
het méér over mensen heeft dan over apen.
Wat de mens in de val doet lopen
is de hebzucht.
Wie altijd maar wil “hebben”
en niet kan loslaten of weggeven,
zit gevangen aan wat hij omknelt.
Hebzucht is niet de zaak
van hen die veel hebben.
Denk aan de aap: een handvol rijst !
Maar het is “mijn rijst”,
niet van de anderen.
Mijn plaats, mijn recht, mijn rust…
Ik kan er niet meer van los:
het heeft van mij bezit genomen.
Eens gehoord op DLF.
Piet.
Keukengebed.
KEUKENGEBED.
Heer, ik bid U vanuit mijn keuken,
daar ik geen heilige kan zijn
achter stille kloostermuren
of in Afrika’s woestijn,
of in lange meditaties
als een vurige novies.
Maak me heilig door het koken
en door het wassen van ’t servies.
Ik heb Martha’s handen nodig,
maar Maria’s hart nog meer.
En bij het poetsen van de schoenen
zie ik uw sandalen weer.
‘k Zie ze gaan in Martha’s woning,
als ik hier de vloeren boen.
Neem dan deze meditaties
méér kan ik nu niet doen.
Warm de keuken met uw liefde
en verlicht ze met uw vree.
Vergeef me al mijn tobben,
maak mij rustig en tevrêe.
Gij die graag de mensen spijsde
in de vlakte en aan de zee,
neem het werk van mijn handen,
dat ik U ter liefde dêe.
Ik noteerde dat ooit. Piet.
Goede Vriend Theofilus.
Enerzijds valt het me vaak moeilijk mijn voornemen vol te houden, met name al wat bij ons met Jezus van Nazaret is gebeurd van begin af aan zorgvuldig op te sporen om het voor jou op een rijtje te zetten; maar anderzijds laat me dit vermoeiende
werk ook niet meer los. En niet in het minst omdat mijn eigen geloof in Jezus, door het veel bezig zijn met de verschi11ende bronnen en getuigenissen deels tot een bevrijdend, en deels tot een verontrustende krach_in mijn leven is geworden. Verleden week was ik nogmaals te Nazaret. Het was me nu eindelijk gelukt door bemiddeling van de synagogenoverste van Tiberias toegang te krijgen tot het archief van de synagoge van Nazaret,
Je kan je voorstellen met hoeveel spanning, ja innerlijke opwinding, ik de kroniek van deze synagoge doorlas. Bij de 3e Nisan van het Jaar 28 stond het volgende geschreven: "Als een lopend vuurtje had het zich pier over Nazaret verspreid wat voor wonderen die Jezus deed, hier ten noorden van het meer. Het dochtertje van de synagogenoverste Jairus lag op sterven. En ze moet gestorven zijn nauwelijks voor Jezus het huis binnentrad. Maar nu, zo zegt men, nu leeft dat kind. En toen deed het nieuws de ronde dat hij naar hier, zijn streek, op weg was, samen met zijn gevolg. De bevolking van ons klein dorpje kwam in beroering. Iemand van hier, een timmerman! Hij had nog jukken gemaakt voor hen, ploegen en ander alaam. Dan was hij van hier vertrokken.
En nu zou hij terugkomen, de man van wie de laatste tijd gans Galilea spreekt! Welke ongehoorde verwachtingen had hij overal niet ingelost! Onze kleine synagoge was nokvol toen hij op de sabbat uit de Schrift begon te lezen - een tekst uit de profeet Jesaja - en die heilige woorden begon uit te leggen. Reeds veel jaren, sabbat na sabbat, heb ik naar de uitleg van onze heilige schriften geluisterd, maar nog nooit heeft een rabbi zijn toehoorders zo weten te boeien als die onbeduidende timmerman uit Nazaret. De armen, de gevangenen, de blinden, de verdrukten waarvan hij sprak, dat waren wij. En de heilsboodschap die hij aankondigde en beloofde: verlossing, licht, vrijheid, dat alles kwam zo tegemoet aan ons opgekropt, ontgoocheld, verdrongen en steeds onderdrukt verlangen en onze hoop op een heel nieuw leven.
Waar haalt hij dat alles? Wat voor een wijsheid bezit dan toch die man? Wat zijn dat voor wonderen die hij doet? Zo ging het er aan toe. Wat gebeurde toen? Opeens werd het stil in de synagoge. De tentenmaker Josia stond recht, staarde Jezus aan en zei langzaam en zonder intonatie: "Gij zijt maar één van ons, en of het u nu bevalt of niet, gij zijt maar een nazarenertje. Timmerman, ik geef u een goede raad: kom opnieuw bij ons runderjukken en ploegen maken en maak uzelf en ons niets wijs!". Het bleef nu in de synagoge zo lang doodstil als een menigte nodig heeft om uit een gedroomde droom, uit een samen beleefde roes te ontwaken. "Die timmerman Jezus, hij is toch de zoon van Maria !” “Hij is toch de broer van Jacobus, Joses, Judas en Simon!" "Wonen zijn zusters hier niet bij ons?"
En zo ging het over en weer. De stemmen werden steeds maar luider en agressiever. De begeestering, ja, de bijna extatische sfeer was omgeslagen in verontwaardiging. Maar Jezus riep nog: "Overal wordt een profeet geëerd, alleen niet in zijn eigen familie". Dan ging hij midden door de menigte heen, die daar stond als een muur van verontwaardiging en woede."
Tussen haakjes had de kroniekschrijver er nog aan toegevoegd: "Wie is hij eigenlijk_ Ziet hij niet dat hij ons uitdaagt?".
Lieve Theofilus, juist deze vraag houdt mij bezig. Wie is hij dan toch? Zien wij niet hoezeer hij ons uitdaagt? Of kennen we hem dan reeds te goed? Is hij al te ver van ons verwijderd? Het blijft een uitdaging!
De genade van de Heer Jezus Christus zij met u!
Gegroet,
Lucas.
Piet vond het bij zijn confrater Kl. Jockwig en vertaalde het.
LUISTEREN
MOMO.
Momo konnte so zuhören, dass dummen Leuten plötzlich sehr gescheite Gedanken kamen. Nicht etwa, weil sie etwas sagte oder fragte, was den anderen auf solche Gedanken brachte, nein, sie sass nur da und hörte einfach zu, mit aller Aufmerksamkeit und aller Anteilnahme. Dabei schaute sie den anderen mit ihren grossen, dunklen Augen an, und der Betreffende fühlte, wie in ihm auf einmal Gedanken auftauchten, von denen er nie geahnt hatte, dass sie in ihm steckten.
Sie konnte so zuhören, dass ratlose oder unentschlossene Leute auf einmal ganz genau wussten, was sie wollten. Oder dass Schüchterne sich plötzlich frei und mutig fühlten. Oder dass Unglückliche und Bedrückte zuversichtlich und froh wurden. Und wenn jemand meinte, sein Leben sei ganz verfehlt und bedeutungslos und er selbst nur irgendeiner unter Millionen, einer, auf den es überhaupt nicht ankommt und der ebenso schnell ersetzt werden kann wie ein kaputter Topf - und er ging hin und erzählte alles das der kleinen Momo, dann wurde ihm, noch während er redete, auf geheimnisvolle Weise klar, dass er sich gründlich irrte, dass es ihn, genau so wie er war, unter allen Menschen nur ein einziges Mal gab und dass er deshalb auf seine besondere Weise für die Welt wichtig war. So konnte Momo zuhören!"
Uit Michael Ende: Momo.
Wat Piet jaren geleden las en nu weervond op Internet.
DE BRUG VAN PRAAG.
DE BRUG VAN PRAAG.
Een jonge man droomde eens dat hij naar Praag moest gaan
om onder een brug vlak bij het koninklijk paleis
naar een schat te zoeken.
Toen hij wakker werd lachte hij om zijn droom.
Maar toen de droom terugkwam,
twee drie keer,
steeds in dezelfde vorm,
trok hij toch naar Praag.
Maar bij de brug stonden soldaten op wacht,
dag en nacht,
en hij durfde daarom niet gaan graven.
Toch kwam hij elke morgen
en hij zwierf daar rond tot ’s avonds.
Op een keer kwam daar de hoofdman van de soldaten
en vroeg hem vriendelijk wat hij daar zocht.
De jongen vertelde zijn droom.
De hoofdman lachte hem uit en zei:
“Zo ben jij voor die droom naar hier gekomen?
Wie vertrouwt er nu op dromen?
Hoe heet jij?”
“Avram” zei de jongen.
“En waar woon je?”
“In Krakau, in Polen.”
“Maar dat is nu eens een toeval,”
riep de hoofdman uit.
vannacht werd mij in een droom bevolen
naar Krakau te gaan,
naar het huis van ene Avram.
Om daar een schat op te graven.
Hoeveel Avrams zijn er niet in Kakau?”
De hoofdman schaterde het uit.
De jonge man zei niets.
Hij keerde naar Krakau terug
en vond in zijn eigen huis een grote schat.
Daar waar je staat, ligt goud.
Piet hoorde het ergens.
GENEZING VAN DE DOVE.
GENEZING VAN DOVE.
Toen Jezus de dove genas
toen is hij met zijn vinger
in zijn oren gegaan.
Hij bleef niet op afstand
Jezus is heel dicht
bij de dove gekomen
en heeft gezegd:
kom laat me eens aan je oren komen
en toen heeft Jezus eens met de vinger
in die oren geboord
want ze waren totaal verstopt
Jezus heeft de gehoorgang van de dove
vrij gemaakt
van gebazel
van leugens
van gemeenplaatsen
van vooroordelen
heel diep
zaten religieuze spreuken
direct op het trommelvlies
en dat was het ergste
ze zaten zo diep
dat alles had de man doof gemaakt
hij kon door die hele troep
niet meer goed doorheen horen
Jezus had het gedaan
door gans dicht bij die man te gaan staan
en niet zo maar op wat afstand
wat wijsheid en raad te verkopen
als zielzorger
als pastor
van ambtswege….
Zo vond Piet het ergens en voegt het toe.
BRIEF VAN ZACHEUS
Goede Vriend.
Neen, ik had me sinds lang geen illusies meer gemaakt over mijn leven. Ik wist tamelijk goed wat de anderen van mij dachten en waaraan ik mezelf te houden had. Lang heb ik eronder geleden, dat religieus gezinden, en zij niet alleen, me in één adem noemden bij de dieven en de rovers. Misschien hadden ze daarin meer gelijk dan ik wilde toegeven. Maar wie zou het zich niet aan trekken dat hij verdacht, veracht en gehaat wordt? Nee, mijn beroep van tollenaar breng1 het mee, anderen min of meer willekeurig onrechtvaardig te moeten behandelen.
Aanvankelijk noemde ik bedrog dan ook bedrog, en afpersing afpersing tot ik me langzamerhand van mijn slecht geweten heb ontdaan - want zo sterk ben ik nu ook niet, dat ik met een slecht geweten gerust kan leven - en zo begon ik er me aan te wennen er in mijn beroep door te komen zonder geweten ook wanneer ik de oneerlijkheid van de veel gekende excuses me op de zenuwen werkte..."Je moet zien dat je er komt!" "Met wie zou je moeten rekening houden?", "Je moet toch zorgen voor je gezin!", "Wie niet neemt wordt zelf genomen". En ik nam, - met of zonder geweten – beroepsmatig profiteerde ik van de kansen, de anderen waren de prooi, het slachtoffer. Ik, ik had toch dat Romeinse belastingsysteem niet uitgevonden. Ik had er het meeste voor geboden, en zo was mij het heffen van tol op invoer en uitvoer en doorvoer ten deel gevallen. Hoeveel pacht ik er nu moest voor betalen staat nu een maal vast, hoe ik het dan doe blijft mijn zaak. En Jericho, verkeersknooppunt, grensstation tussen het oost- en west jordaan-land is nu juist een sprankelende bron van inkomsten. Vaak had ik het liever wat kleinschaliger gehouden, dan had ik niet zoveel medewerkers en ondertollenaars nodig. Want je begrijpt dat ze voor hun inzet wel een goede fooi verwachten.
Men komt er zo maar niet met wat sociaal economische rechtvaardigheid. Kan ik iets aan dat systeem veranderen? Ik kan het niet verhelpen dat in dit systeem - waar ik niet van hou, maar waarvan ik moet leven - sociale gerechtigheid en economische schranderheid niet samengaan. En dat ik daardoor, sociaal gezien, in slechte papieren ben geraakt, moet ik de koop toe nemen. Hoe meer ik verdien, des te hoger zullen de enen mij achten en de anderen mij vrezen en haten. Een tijd lang ging dat nog goed. De dubbelzinnigheid waarin ik permanent leefde, kon ik nog verdringen met hard te werken en met ik erbij verdiende. Maar op zeker ogenblik lukte dat verdringen niet
oneerlijkheid en die afperserij. Ik was er in vastgelopen. Ik had het gevoel te moeten verstikken onder al die maskers die anderen me opdrukten en waaronder ik me verstopte. Niemand bezag me nog en nam me nog voor de mens die ik tenslotte toch nog ben. Iedereen eiste wat van mij, de enen resultaten en mijn geld, anderen mijn kop! Ik wist niet hoe ik eruit moest geraken. Alleen wist ik, dat ik er stilaan aan kapot ging.
Tot Hij omhoog keek en me zag. Ik weet niet meer hoe ik in die vijgenboom was gekomen. Iedereen in de stad had het over die Jezus. Was me dat een drukte en een toeloop toen Hij door Jericho trok. Hoe had ik Hem ooit anders kunnen zien? Want ik hou niet van dergelijke spektakels. En daar keek Hij me aan! En het was waarlijk alsof toen al die maskers van me af vielen. Ik weet niet meer wat toen allemaal door mijn hoofd is gegaan, alleen dit: iemand keek me aan zonder iets te eisen, geen resultaten, geen geld, geen geestelijke prestaties, geen geloofsbelijdenis, geen partijkaart.
Hij ziet je, eenvoudig in jouw situatie. Hij ziet je als de mens die je bent in openheid, vrijheid en goedheid.... "Zacheûus" zei Hij, "kom snel naar beneden uit uw schuilplaats, ik ben vandaag bij u te gast. Gij en uw gezin, ge zijt gered, ge zult leven, daar ben ik toch voor gekomen, om hen die verstikt zijn, te redden".
Ja, de Heer weet hoezeer ik aan 't verstikken was. En nu is waarachtig alles, alles anders!
Hartelijk!
Je Zacheüs.
Kl. Jockwig. CSsR.
Vertaald en toegevoegd door Piet.
***************
GEBED VOOR ONS KINDJE.
HEER ZEGEN ONS KINDJE.
Heer, zegen ons kindje, help ons het te helpen,
dat het met eigen ogen leert zien:
het gelaat van vader en moeder,
de sneeuw op de bergen,
en het Land van Belofte.
*
Zegen dit kind, help ons het te helpen,
dat het leert luisteren
naar de klank van zijn naam,
naar de waarheid der wijzen,
naar de taal van de liefde
en het Woord van Belofte.
*
Heer, zegen dit kind, help ons het te helpen,
dat het met eigen handen mag grijpen,
naar de hand van zijn vrienden,
naar het brood en de druiven,
van het Land van Belofte.
*
Zegen dit kind, help ons het te helpen,
dat het leert spreken met eigen woorden
van de vreugde en de zorgen
en de vragen der mensen,
van het wonder van het leven
en het Land van Belofte.
*
Zegen dit kind, help ons het te helpen
dat het leert gaan met eigen voeten
op de weg van deze aarde,
op de lastige treden,
en op de weg van vrede
naar het Land van Belofte.
*
Heer, zegen dit kind, help ons het te helpen,
dat het leert liefhebben
met gans zijn hart.
*
Naar L. Zenetti.
Van Piet.
JERICHO.
JERICHO;
Ik moest van Jeruzalem naar Jericho,
laat in de namiddag,
langs de stofferige rotsige wegen.
Toen sprongen plotseling uit het struikgewas
twee mannen op me toe.
Ze sloegen me neer.
Ik vocht met vuist en voeten
maar het mocht niet baten.
Ze sloegen en schopten me
tot ik roerloos bleef liggen kreunend van pijn.
Ze namen mijn geld, mijn brieven,
mijn mantel, mijn sandalen.
Oh! Die dag vergeet ik nooit.
Hoe ik daar lag en dacht:
dit is het einde.
Ik bloedde uit neus en mond.
Ik huilde en bad.
Ik hoorde iemand naderen en dacht:
“dit is mijn redding”.
Een priester, ik zag het aan zijn mantel.
Hij neuriede een psalm:
“De Heer is mijn herder…”
Maar hij zweeg toen hij me zag..
Hij verhaastte zijn stap, vloekte en ging voorbij.
Nadien opeen ezel een leviet.
Hoeveel er nog passeerden weet ik niet.
Ik moet wel half verdoofd geweest zijn
toen ik voelde hoe een hand mijn wangen streelde
en mijn baard.
Moeizaam opende ik de ogen
en zag het gelaat van een man:
Oh zo vriendelijk en goed!
Kan dat wel ? Een Samaritaan?
U moet weten, vrienden:
wij haten dat volk.
Een rotvolk, een duivels volk.
Wij danken de Heer iedere morgen
dat we geen Samaritaan zijn !
Maar hij deed het, vrienden.
Ik lachte door mijn tranen heen
toen hij mijn wonden zalfde,
en verbond met stukken van zijn hoofddoek.
Voorzichtig heeft hij me toen op zijn muildier getild !
Maar verder weet ik het niet meer….
Het was nacht toen ik ontwaakte
tussen de pakken van de karavaanherberg.
Ik kon mijn ogen niet geloven
toen men mij in het licht van een olielampje
wat brood bracht en wat wijn
en mij verzorgde als een prins.
En toen ik ‘s anderendaags weer verder kon
en afscheid nam van baas en gasten
vroeg ik wie mijn redder was geweest.
Maar niemand wist het.
Hij had zijn naam niet geschreven in het boek.
Maar dit zei iedereen:
“Het was zo een goede vriend van jou !”
Vrienden dat vergeet ik nooit !.
Piet Moortgat.
Voor donkere dagen.
VOOR DONKERE UREN
Toen ik eens in de tuin in gesprek was met mijn buurman
kwam zijn zoontje van een jaar of zes aangelopen met iets in beide handen gekneld.
“Een vlinder gevangen” vroeg ik.
“Een kevertje?”
Hij schudde lachend het hoofd: “Nee !”
“Wat dan?” vroeg ik.
“Een zonnestraaltje” zei de jongen.
Hij drukte zijn vangst nog dichter aan zijn hart en liep weg.
Ik heb reeds vaak aan dit voorvalletje gedacht.
Konden we maar een zonnestraal vangen voor donkere dagen.
Want het kan soms zo donker zijn.
’s Morgens bij het opstaan: “Wat een rotte dag !”
Water, wind en wolken… en geen zon te zien !
Een dag vol vervelende dingen.
En poedig valt alles tegen.
Men wordt nerveus. Alles valt tegen.
Ons humeur weegt op onze medemsnsen.
hadde we lmaar een zonnestraal in voorraad.
En toch kan dat.
Een woord uit de schrift.
Een vers uit een psalm.
Een zin uit een lied.
dat kan een zonnestraal zijn die alles weer goed maakt.
Maar je moet ze gevangen hebben.
Met beide handen tegen je aandrukken.
Niet loslaten.
Misschien een woord uit het evangelie van vorige zondag:
“Vrees niet, Ik ben het !”.

