Ewry kreeg polio toen hij vijf jaar was. Hij bracht enige tijd door in een rolstoel en men was bang dat hij de rest van zijn leven verlamd zou blijven. Door zijn eigen oefeningen wist Ewry zijn ziekte te overwinnen. Eenmaal van de rolstoel bevrijd, trainde hij zijn beenspieren met een nooit geziene ijver, zodat hij in 1890, toen hij zijn studie aanvatte, een echt springwonder was geworden.
Nadat hij afgestudeerd was aan de Purdue-universiteit, werd hij lid van de New York Athletic Club. Hij specialiseerde zich in de nu niet langer beoefende onderdelen, het springen uit stand: hoogspringen uit stand, verspringen uit stand en hink-stap-springen uit stand. Deze onderdelen zijn hetzelfde als de normale versie, alleen vindt er geen aanloop plaats.
Ewry bleek de beste springer uit stand in de wereld. Bij zijn eerste deelname aan de Spelen in Parijs (1900), wist hij goud te winnen in alle drie de categorieën. Hij won deze drie medailles op dezelfde dag (16 juli), waarbij hij en passant ook nog zijn eigen wereldrecord hoogspringen vanuit stand (1,613 m, gevestigd in 1896) verbeterde tot 1,655 m. Dit record, dat uiteraard tevens een nieuw Olympisch record was, zou later noch door hem, noch door zijn opvolger in 1912 in Stockholm worden gebroken.
Bij de Spelen van 1904 wist Ewry met succes alle drie zijn titels te verdedigen. De driesprong uit stand zou niet meer op het programma staan na deze spelen, maar Ewry bleef de twee overgebleven nummers domineren, zowel op de Tussenliggende Spelen van 1906 en op de Spelen van 1908.
De dominantie van Ewry blijkt uit het feit, dat het wereldrecord bij het verspringen uit stand (3,476 m) nog steeds op zijn naam stond, toen het nummer in de jaren dertig van de twintigste eeuw van het programma werd geschrapt.
Ondanks al deze successen raakte hij de gevolgen van zijn ziekte nooit helemaal kwijt. Ewry, die bij de New Yorkse watermaatschappij werkte en op een vochtige woonboot leefde, bleef zijn leven lang hinken. Hij stierf in 1937 aan beendertuberculose.




Hét Olympisch symbool wordt gevormd door de vijf verstrengelde ringen. Zij geven de verbondenheid van de vijf werelddelen aan en de ontmoeting van sporters vanuit de hele wereld tijdens Olympische Spelen. De bovenste drie ringen zijn blauw, zwart en rood; de onderste twee geel en groen. De kleuren corresponderen niet met een specifiek werelddeel (zwart voor Afrika, geel voor Azië enz.), zoals veel mensen denken. Zij zijn gekozen met de gedachte dat in elk geval een van deze kleuren is terug te vinden in de vlaggen van alle landen. 
Het Olympisch vuur symboliseert de eeuwige strijd van de mens om tot eenheid en verbondenheid te komen. Het werd voor het eerst ontstoken bij de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam en brandde in de grote schaal op de marathon-toren van het Olympisch stadion. Sinds 1936 wordt het Olympisch vuur met behulp van zonnestralen ontstoken in Olympia en vandaar in een estafetteloop naar de plaats van de Olympische Spelen gebracht. Het idee ervoor was afkomstig van de Duitse sportbestuurder Carl Diem. 








Wielrennen: je moet op een fiets een paar rondjes fietsen, zo snel mogelijk.
Gewichtheffen: je moet een stok met aan het eind zoveel kilo proberen op te tillen.
Boogschieten: je moet proberen met een pijl het midden van een rond bord te raken.
Boksen: je moet speciale handschoenen elkaar knock-out proberen te slaan.
Worstelen: dikke mensen moeten elkaar uit een ring te krijgen door aan elkaar te trekken of elkaar te duwen.
Judo: vechten zonder elkaar echt pijn te doen en elkaar in een bepaalde grip te krijgen en hem zo een paar seconden vast te houden.
Volleybal: je moet een bal over het net slaan en zorgen dat hij bij de tegenstanders op de grond komt (niet buiten de lijn).
Pentathlon: dit bestaat uit 5 sporten: paardrijden schermen pistoolschieten, zwemmen en veldloop. Als je hier aan mee wilt doen moet je alle 5 de sporten doen.
Handbal: dit is voetbal alleen dat met de handen i.p.v. de voeten.
Basketbal: dit speel je met 5 man (in 1 team) en je moet met een bal dribbelen en overspelen en hem dan door de basket proberen te gooien.
Schermen: zwaard vechten met een speciaal pak aan en het "zwaard" heeft een dopje op de punt.
Turnen: Er wordt gekeken hoe netjes je oefeningen op toestellen doet.
Ruitersport: hierbij moet je een paard berijden.
Schieten: hierbij moet je in een ronde schijf schieten.
Kanovaren: je moet slalommend op het wilde water de finish bereiken.
Hockey: je moet met een stick een klein balletje in een doeltje slaan.


skispringen: op ski’s en moet je een berg af, maar er is een einde en daar vlieg je af.
