kinderen van gewoonte
in hun ogen met blikken bezaaid
zij kijken altijd voor zich uit
als voor herhaling vatbaar
de school,de sleur de slenter
Zij kauwen dagelijks brood
uit grauwe dozen
zij slepen dagen aan
uit kleurloze emmers
Wie zegt met hen verveling
zij schuilen onder het roest
een muur van zware last
zij ademen dwang waterdicht
En toch hebben zij hoop
laat zeggen de zon of lente
eens zij reuzen zouden zijn
in hun verlengde levensruim
zo waar stilte bekvecht
met dag en nacht
zij hervatten morgen
éénzelfde leven
Uit de cyclus " De kinderen "

