dwalingen
Ziet ze het maanlicht op de oude muur
van de schuur op het wazige outerveld
door het vierkant van haar verbeelding
die een tocht van dwaallichten verzint?
Hoort ze bij nacht en maanlicht
het gejammer van de floddergeesten?
of het stampen van wilde paarden
op de veengronden in het eikenbos.?
Ze vreest de kus van de weerwolf
die ruikt naar azijn en stervende kastanje
die haar veranderen zou afgrijselijk
in het felle fantoom van Bietsebauw
Ingrid Lenaerts

