Wij staan op een vorm van water onder de voet
schertsend gezegd maar echt op schaatsen
Ik voel me als een ijsbeer in de tropen
heb nog nooit op deze messen het ijs bereden
Hou me vast aan de rand als een stuntelaar
het ijs blinkt in het kunstlicht van de piste
geoefende schaatsers hoor je scherp en zoevend
in het ijs kerven hun sporen nalatend
onmiddellijk bevriezen de sleep-restanten
kou in mijn poriën op de vloer wit- wit bevestigend
Ik ben niet gemaakt om te schaatsen
laat het bij deze verpauperde poging.
Ingrid Lenaerts
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Poolmorgen
Boven een inblauwe variante
van kobaltblauwe lucht
staat een iglo naast een tent
ze lijken net tweelingen
bestaan echter uit totaal andere materie
de spiernaakte sneeuw rondom is vertrappeld
contrasteert verblindend met de lucht
Toeschouwers moeten hier
echter nog tot leven gewekt worden
in deze bijzonder heldere morgen
Ingrid Lenaerts
als onschuld niet zo onschuldig.
Ik heb je als onschuld op doek
vastgelegd, zeg maar vastgespijkerd
Blauw is de maagdelijke zuiverheid
in de cirkel waarin jij denkt
dat ik niet weet wat jij denkt
zonnig moment vlucht in de tijd
Wat ik schrijf doet er niet toe
lijkt even vluchtig als het ogenblik
dat niet zo onschuldig is
het vasthouden van beeld en kleur
niet op doek maar in heel veel woorden
of niets zoals een blanco vel
onbeschreven als een nog vrije gedachte.
Ingrid Lenaerts
Benita
Benita houdt de kaars recht
waakt over de vlammen
op de grote kandelaar
dat ze oplichten waar het duister is
dat ze branden als een fakkel
waar monden gesnoerd worden
het woord verpletterd wordt
waar kinderen verhongeren
de zon en de liefde ontberen
waar vrouwen mishandeld worden
waar oorlog gevoerd wordt
als buffer tegen onrecht
waar ook op aarde onvrijheid heerst.
Zij houdt de kaars recht
waakt over de vlammen
op de grote kandelaar
dat doet Benita.
Ingrid Lenaerts
Laatst strompelde een oude man
achter de lijkstoet aan de zoveelste keer
Zijn jongere broer ook al op hoge leeftijd
werd er begraven in rulle kerfhofgrond
de oude man keek traag aardewaarts
in het diep van de grafkelder
"dit is ook telkens mijn beurt" zei hij
vol sarcasme- "mij willen ze niet
hierboven doen ze me leed"-
wees op de helblauwe hemel
en de wuivende cypressen
vertrok zonder verpinken
alsof pijn zijn kouwe kleren niet meer raakte.
In het café van Mie Moene op het plein
spoelde hij zijn ijzeren gevoelens weg
verkondigde zijn opzegginstermijn
met de dood
Wellicht nu de juiste keer zei hij.
Ik voelde me diep bedroefd.
Ingrid Lenaerts
de wake
De zoon blijft weg na het onweer der geesten
Zij waakt in haar groene overjas
Ingrid Lenaerts
kantoor
Zij voelt zich kantoorziek midden een pak brieven.
Brieven allemaal egaal met de vermelding
of je arbeidsgeschikt bent al dan niet
Het enige notoire verschil is de naam
adres geslacht en leeftijd.
Een grote variante
zou ze kunnen denken maar ze gaapt al
van 's morgens vroeg aan dat lichtende scherm
met dezelfde rasterpatronen waarin iedereen past.
Je zou voor minder het scherm omdraaien
ter afwisseling aan andere tussenwerpsels denken.
bij voorbeeld aan het profiel van Jan
wanneer die zich liet zien in de badkamerspiegel
zij haar erotisch brein de teugels ontspande
of ze zou ook kunnen shoppen met Griet
op zoekj naar een wild parfum.
Maar niets daarvan, geen flitsende afwisseling
arbeidsongeschiktheid bleef zich melden
het enige om te ontsnappen was plassen gaan
zelfs dit ging al gauw vervelen.
Wat een rotjob die kantoorbaan.
agen van monotonie en ellende.
Ingrid Lenaerts
borrelend of een jonge liefde
Borrelend en bruisend biedt zich het leven aan
lijkt onze liefde zoals een helder glas champagne
tractaat op het dagelijkse gebeuren
in alle geuren en kleuren die zij vermag
de band die ons bindt in goed en kwaad
het hart op de tong der liefdestaal
die zoveel vermag in haar bouwwerk
constructies als parels die rollen
doffe wreedheid die wij vertrappelen
zoals olifanten een verlaten plantage.
"Uitgedoofd "en "geblust" verwijderen we
met de grooste zorg en de dikste spons
laat borrelend en bruisend zich vermenigvuldigen
de warmte in de hand de kou veraf tussen jou en mij
Ingrid Lenaerts
groen tijding
Ik droeg nog geen groene tijding
toen de tijd voorbij raasde
Hij wuifde vanuit zijn sneltrein
en in het kielzog van zijn gedachten
voelde ik me meegesleurd
Zonder pardon snakkend naar adem
werd ik op de berm gegooid mijn hart daverde
zoals een waterpomp die een kelder leeg zuigt.
als een opgejaagde haas diep in het nauw
in het nauw van mezelf en mijn eigenste lijf
Hoognodig was ik aan retour
bezinning in een groene jas die het tij zou keren
haast blazen naar af verwondering ontmoeten
in mijn hoofd.
Ik heb de groene tijding ontvangen
en sindsdien komt de tijd op visite
als een welgeziene gast
Ingrid Lenaerts
speels gekabbel
de rietkragen brengen hun cantate in hoge tonen
Ingrid Lenaerts
ziekte
Ingrid Lenaerts
ijskoningin
Sinds korte tijd voelt ze zoals gestolde massa
ongenaakbaar mechanisch in haar bijna winter
lichte grijns die snijdt als de noordenwind
haar woorden worden gekliefd tot brandhout
van superioriteit tussen berg en dal.
een ijskoningin zit ons op de hielen
die intermenselijke warmte ontkracht
trekjes van een basale valsheid
zweven in haar nabijheid
Oppassen is onze leuze geblazen
voor deze loerende kilte
Ingrid Lenaerts.
Onverwachts barst het onweer los
naast de spinnende poes
roei me
Roei me door de kamers van je hart
door de gedachtenstroom in je hoofd
zet me in de boot van je innerlijke diepten
de oceaan die door je ogen stroomt
en tintelt in de blauwe morgen
laat me drijven op eigen vermogen
en roep mijn tocht geen halt toe
want ik wil bij jouw dagen horen
blijven varen door je levensaders
tot de iele dagen in rook verdunnen
ik nog slechts een ademtocht ben
dag na dag en wij de tijd nekken
de eeuwigheid uitdagen
Ingrid Lenaerts
kanalen
Een reflectie van wolken en schaduw
tenzij de grillige wind er zich mee moeide
Ingrid Lenaerts
's Nachts verdamp ik als hevig renpaard
van koorts, ik lig tussen klamme lakens
vecht met onweerswolken op elke straathoek
kom niet vooruit in het harde spokengevecht
om water dat naast mijn bed staat
Ik heb het maar te grijpen maar besef het niet
trek door een woestijn terwijl mijn huid schroeit
ruik thym en lavendel die ik niet vind
Ik zie een dichter aan mijn bed staan
Loop naar de maan zeg ik hem en hij vertrekt
Ingrid Lenaerts
De stroming in de wilde bergrivier
drijft de schuimende waterpartijen dalwaarts
donderd en spattend langs de hoge oevers
Reuzensparren strekken hun takken erover
hun wortels kort bij de bron van alle leven
het licht houdt van breekpunten op de stroom
vermenigvuldgt zichzelf kleurrijk
tussen infrarood en ultraviolette bogen
wij, wandelaars schouwen dit spektakel
vanaf de hoge brug die de rivier overkoepelt
de rivier heeft haast het water vlucht
blijft enkel rusten in een inham tussen rotsen
kristalhelder in het zonnelicht
Wij verdwalen in dit nooit eindigend waterverhaal
Ingrid Lenaerts
met de vraag
Een zadeldak kijkt
Droef tegen avondlicht aan
Is daar iemand thuis?
Ingrid Lenaerts
als akkerbruiden sluimeren ze tussen de kavels
zij triomf lopen in brede witte drommen
de zon die langzaam maar zeker de dag inschuift
Ingrid Lenaerts
Bolle wangen
maar honger had.
Terwijl hij huiswaarts klingelt in vele bochten
Ingrid Lenaerts

