grote woorden
op je huid wanneer het haar zint
Ingrid Lenaerts
grote woorden
leeuwinHij houdt de leeuwin in zijn hoofd gekooid
dit zolang hij kan wanneer zij slaapt
op tienpond vlees dat ze in voorraad heeft
maar eens de dromen verteerd wordt zij woest
beukt tegen de wanden van haar kooi
dramt om verlossing en jaagt op grof wild
Hij kan haar weer altijd vangen
wanneer hij weer lief haar honger lokt
de andere wereld laat verkommeren
tot zij hem weer in haar macht heeft
het eeuwige spel van trekken en stoten
Hij houdt zijn leeuwin in zijn hoofd gekooid
tegen alle prijs voor alle prijs.
Ingrid Lenaerts
te warm
Ze bouwen nesten
merels willen nazaten
vlak voor de winter
een te warme herfst
maakt de vogels echt van streek
verwarring alom
Ingrid Lenaerts
momentde populieren
wenken met hun brede kruin
als monumenten
gele hoge zon
als hemelse oppergod
koestert de aarde
maakt boomschaduwen
zwijgend tot middag vrede
heerlijke koelte
Ingrid Lenaerts
nostalgie
onvoltooide tijd
zondag
wintertinteling wintertinteling
in de laatste herfstblaren
een nieuw seizoen wacht
Grijsvale luchten
staan er academisch streng
in decemberwacht
Ingrid Lenaerts
dun lichtHeel dun licht
bijna in strepen
is de zon veraf
mager en dof
alsof ze wegkwijnt
een zon
in anorexia
een zon in ascese
Laat ze vlug herstellen
van haar nukken
Ingrid Lenaerts
zuiders
het weerzien
twee hondenNog vroeg in de morgen
twee honden
ontmoeten elkaar
tussen de laagstam perelaars
Ze besnuffelen hun lijf
springen likken en grommen
hun dans is geopend
Het grote werk kan beginnen
Ingrid Lenaerts
ReigerReiger met brede vleugelslag
landt tussen het riet
als heerser over de plas
smikkelt tussen het gras
op de oever
Hij slaat toe
als een ervaren rover
en verdwijnt een ogenblik
in het groen.
dan in het niets
Ingrid Lenaerts
botenhuisEen botenhuis
onder dak op water
laat de rust
na het varen
dromerig aan het meer
Het riet speelt zijn concert
in de monotone wind
Eenden snateren
hun samenzijn
Een wandelaar op de bank
voltooit zijn gedachten.
Ingrid Lenaerts
vaart
Hij zegt me nietHij zegt me niet dat wat ik wil weten
hoewel hij het woord losjes uit de mond laat rollen
de lieve woordjes als snoepjes ingeeft
maar soms met een zuur smaakje
dat van de twijfel achter een masker
welke stervende zwaan hij nu weer speelt
of de stoerreridder te paard die zijn jonkvrouw haalt
hij wil veroveren met grote buit
veldheer van gespeelde emoties
Ik verklaar hem zacht de oorlog.
Ingrid Lenaerts
strengZe zaten bij elkaar er werd gebeden
als een strenge genootschap aceten
geen lief of vriendelijk woord te melden
alleen de wilszwakte en de zondige mens
verwerping en duisternis in de mond
Hier hoor ik niet bij mis elke warmte
Ik heb mijn ziel gesloten ik heb geen andere
Ik ben weggaan ik weiger het masker.
Ingrid Lenaerts
dreigingVanuit de verte dreigt een zwaar onweer
het werd voorspeld met waarschuwing
gevaar wind met orkaankracht en wateroverlast
zwartviolet en torenhoog stapelen zich wolken
de warmte drukt als pletwals op mijn huid
dorre blaren vroegtijdig van de boom door droogte
zij draaien pirouettes op tropische wervelingen
bomen schudden in hun kruin hun bladerendek
ze moeten buigen voor de kracht van warme wind
Er kleeft eenangstie stilte tussen de huizen
in de verte zien we bliksemschichten
dondergeroffel en gestommel boven ons hoofd
regendruppels als grote munten op de zandweg
zeketsen afals kogels op verschroeide aarde
Ik moet schuilen voor dit jagend onheil
Ingrid Lenaerts
vreemdDe nacht was vreemd angstig onverwacht
veranderde haar van gekozen bestemming
in vorige tijden en andere landschappen
dromen die ze angstig niet duiden kon
alsof zij uit andere culturen geschud werd
zoals deze nacht zij haar talsiman ontmoette
een slang die haar omstrengelde
Het beest klom aan haar voeten omhoog
sissend met zijn kleine gespleten tong
hij sloot haar in , zij vermocht niets
dan het gebeuren te aanschouwen
Gillen was zonder gevolg, stem verdwenen
Tot zij plots bij de klok van zeven wakker schoot
zwetend als een boerenpaard na het akkerploegen.
Ingrid Lenaerts
wij zijn ...Wij zijn van alle markten thuis in dit land
We zitten onder het stof van het reizen
Met de pakken goederen en materialen
De dieren die we kochten zitten in dozen
De kippen kakelen om licht en lucht
De omstaanders bekijken ons vreemd
De kanarie fluit zijn hoogste lied.
Vragen zich af wat deze volksverhuizing betekent
Maar we hebben andere gewoonten
Wij houden van echt zacht en warm
Wij voelen ons een beetje onwennig
In dit vreemde land dat nu onze woonplaats is
Alles is hier zo donker zo net en geregeld
Wij vergaan van heimwee en verlangen
naar dat roerige rommelige en bedrijvige wereldje
Onder de zon.
Ingrid Lenaerts