Reiger
Reiger met brede vleugelslag
landt tussen het riet
als heerser over de plas
smikkelt tussen het gras
op de oever
Hij slaat toe
als een ervaren rover
en verdwijnt een ogenblik
in het groen.
dan in het niets
Ingrid Lenaerts
ReigerReiger met brede vleugelslag
landt tussen het riet
als heerser over de plas
smikkelt tussen het gras
op de oever
Hij slaat toe
als een ervaren rover
en verdwijnt een ogenblik
in het groen.
dan in het niets
Ingrid Lenaerts
botenhuisEen botenhuis
onder dak op water
laat de rust
na het varen
dromerig aan het meer
Het riet speelt zijn concert
in de monotone wind
Eenden snateren
hun samenzijn
Een wandelaar op de bank
voltooit zijn gedachten.
Ingrid Lenaerts
vaart
Hij zegt me nietHij zegt me niet dat wat ik wil weten
hoewel hij het woord losjes uit de mond laat rollen
de lieve woordjes als snoepjes ingeeft
maar soms met een zuur smaakje
dat van de twijfel achter een masker
welke stervende zwaan hij nu weer speelt
of de stoerreridder te paard die zijn jonkvrouw haalt
hij wil veroveren met grote buit
veldheer van gespeelde emoties
Ik verklaar hem zacht de oorlog.
Ingrid Lenaerts
strengZe zaten bij elkaar er werd gebeden
als een strenge genootschap aceten
geen lief of vriendelijk woord te melden
alleen de wilszwakte en de zondige mens
verwerping en duisternis in de mond
Hier hoor ik niet bij mis elke warmte
Ik heb mijn ziel gesloten ik heb geen andere
Ik ben weggaan ik weiger het masker.
Ingrid Lenaerts
dreigingVanuit de verte dreigt een zwaar onweer
het werd voorspeld met waarschuwing
gevaar wind met orkaankracht en wateroverlast
zwartviolet en torenhoog stapelen zich wolken
de warmte drukt als pletwals op mijn huid
dorre blaren vroegtijdig van de boom door droogte
zij draaien pirouettes op tropische wervelingen
bomen schudden in hun kruin hun bladerendek
ze moeten buigen voor de kracht van warme wind
Er kleeft eenangstie stilte tussen de huizen
in de verte zien we bliksemschichten
dondergeroffel en gestommel boven ons hoofd
regendruppels als grote munten op de zandweg
zeketsen afals kogels op verschroeide aarde
Ik moet schuilen voor dit jagend onheil
Ingrid Lenaerts
vreemdDe nacht was vreemd angstig onverwacht
veranderde haar van gekozen bestemming
in vorige tijden en andere landschappen
dromen die ze angstig niet duiden kon
alsof zij uit andere culturen geschud werd
zoals deze nacht zij haar talsiman ontmoette
een slang die haar omstrengelde
Het beest klom aan haar voeten omhoog
sissend met zijn kleine gespleten tong
hij sloot haar in , zij vermocht niets
dan het gebeuren te aanschouwen
Gillen was zonder gevolg, stem verdwenen
Tot zij plots bij de klok van zeven wakker schoot
zwetend als een boerenpaard na het akkerploegen.
Ingrid Lenaerts
wij zijn ...Wij zijn van alle markten thuis in dit land
We zitten onder het stof van het reizen
Met de pakken goederen en materialen
De dieren die we kochten zitten in dozen
De kippen kakelen om licht en lucht
De omstaanders bekijken ons vreemd
De kanarie fluit zijn hoogste lied.
Vragen zich af wat deze volksverhuizing betekent
Maar we hebben andere gewoonten
Wij houden van echt zacht en warm
Wij voelen ons een beetje onwennig
In dit vreemde land dat nu onze woonplaats is
Alles is hier zo donker zo net en geregeld
Wij vergaan van heimwee en verlangen
naar dat roerige rommelige en bedrijvige wereldje
Onder de zon.
Ingrid Lenaerts
spiegelingHij wil me zon en maan opdragen
in een lichaamstaal die goden spreken
maar ik ben het kind van grote twijfels
aards en ongeloof in mijn achterban
Ik zou moeten helen onder goed gesternte
in mijn hoop die ik als razende delf
uit de diepste lagen van mezelf
om te overleven bij bosjes en beetjes
Zo deelde de spiegel me mee
en ik betwijfel zijn oordeel.
Ingrid Lenaerts
zoute herinneringenZoute herinneringen glijden tussen mijn handen
zandkorrels laten zich verwaaien bij duizenden
bij een krachtige storm die de macht voert
oneindigeheid die de horizon laat opschuiven
achter de zee die zweept of brult met haar dochters
de golven in verhouding van slaaf en meester
Zoute herinneringen te proeven op de tong
het zilt door zware lucht gedragen kleeft op mijn hart
wanneer ik na lange tijd zwijg tussen het spichtig duingras
en de zee verlegen aanstaar in haar grootsheid
meeuwen hoor krijsen als zeerovers van vis en woorden
die ze openrijten in een taal die ik wil leren
Alle zoute herinneringen gestapeld in mijn domeinsnaam
Grote grove emotie als een levensader in mindere dagen.
als de regen gutst bij bakken over onze contreien
en ik alle relativiteit hanteer als seizoensgebonden okject
laat me dan zandkastelen bouwen met mijn kinderen
waarin wij ons verschansen bij ebbe en vloed.
liefst de volgende zomer
Ingrid Lenaerts
caravanErgens op een uithoekje van de wereld
dan een toch een heel kleine plek
in een oud vergeten dorp achter een schuur
waar een trein op de spoorwegberm langs flitst
waar hij razend voorbij dendert
daar staat een caravan
een afgedankte met meer dan zeven levens
hij ziet er wel gehavend uit , de verf bladert af
zijn deur sluit niet en flappert er in de wind
de ramen zijn stuk en de zetels zijn dun
De caravan is nu een toevluchtsoord
voor eenzamen van dagen en daklozen
tevens voor poezen die er zalig soezen
De caravan met zeven levens
vertrekt niet meer naar vreemde oorden
Hij kent er nu zijn volledige rust
tot......
Ingrid Lenaerts
ach wat die regenOp het land striemt de regen ongenadig
de wind rukt de bruingele blaren af
de rijen fruitbomen staan er in hun blootje
ze rillen van de kilte in hun stammen
De voren staan vol bruine schuimplassen
Ik zie een paar kippen vluchten
ze hebben natte voeten als niet één.
Ze haasten zich op stok in het droge
Een eenzame vrouw op fiets duwt nijdig
tegen de woedende wind in die haar niet loslaat
Een boodschappentas bengelt links rechts
ze kan echt niet vooruit
Ze stapt af en gaat te voet verder.
Ach wat die regen slaat me in het gezicht
Wanneer ik uit mijn wagen sukkel
slaat de deur dicht met veel gedruis
Ik aanschouw dit druilerig landschap
met een gelatenheid in mijn hoofd
Het is nu toch echt herfst,ware herfst
een zucht om deze duistere luchten
de bakken water in dit doods seizoen.
Ingrid Lenaerts
podiumbeest
kilteZij schrijft de kilte uit haar hart
wanneer de mismoed zich aanmeldt
als een knaagdier dat de ziel aanvreet
de straat is leeg de afstand groot
de dagen vernauwen smalle strepen grijs
wanneer de avond als zwartjas binnensluipt
en zich langs de muren bevestigt
zich binnenskamers hecht
tot een lichtbron zijn bestaan nekt
In de haard blakert het vuur
hartverwarmend bij deze donkere tijden
Ingrid Lenaerts
het drama van AnnaAnna was een brave meid
deed nooit geen vlieg kwaad
werkte dag en nacht voor de dames
de nonnen van de heilige Maagd
die hoogmoedig op haar neerkeken
wanneer ze met hun witte habijten
over de trappen ruisten
de trappen van de brede galerij
waar de spreekkamer lag
waar Anna de bezoekers moest verwelkomen
Ze hield er het parket blinkend
de kaarsen brandend voor de heilige Maagd
ze diende koffie op in zilveren kannetjes
Ze zweeg ootmoedig en was gehoorzaam
zoals een knipmes dat je op je wenken bedient
Anna, nu meer dan vijfenzestig een beetje houterig
wil nog wel maar kan niet meer zo goed
de nonnen zijn niet meer, de meesten zijn vertrokken
Anna is te duur in gebruik.
Anna wordt huiswaarts gestuurd een beetje vereenzaamd
naar een huis dat ze niet meer bezit.
Bedankt voor bewezen diensten punt uit.
Ingrid Lenaerts

Meindert van Schure zoals ze hem hier noemen
de man met de lange armen en de slungelbenen
een grof gezicht met uitgeproken lippen
grote oren en een haviksneus maken hem plomp
Hij heeft last van zijn ongelukkige lichaamsbouw
legt dan ook het accent op een stoere taal
houdt de pestkoppen veraf door zijn gewicht
Onder deze ruwbouw steekt echter een hart van goud
Zijn bereidwilligheid om de zwakken te beschermen
die is alom bekend en bijna legandarisch
Hij helpt waar hij kan om het leed te verzachten
hij draagt de zon in zijn hart tussen zijn ribben
hij heeft een gezond boerenverstand als niet één
Meindert van Schure , wanneer je in ons dorp komt
hij zal je opweg zetten als je het hem vraagt
Ingrid Lenaerts
diamant
failiefoto
nat en duisterNat en duister bij valavond op onze huid
als waterhoenen lopen wij huiswaarts naar de bus
Er heerst een kleffe drukte op straat
Fietsers in regenpakken ritsen tussen wagens
wagens scheren zenuwachtig over het wegdek
Met weinig respect voor de voetganger
rijden ze naast de stoeprand door plassen
In de bus staan we als ingeblikt
we schudden over en weer bij elke versnelling
de rode stopbel doet ergerlijk alle haltes
doorschuiven,doorschuiven roept de chauffeur
alsof hij een bende koeien bijeen drijft
De ramen zijn bedampt buiten niets dan water
wij ruiken vochtigheid en lichaamsgeuren
We hebben hoofdpijn tot barstens toe
Daar is de halte waar we eruit kunnen
Onze verlossing van dit busritje is nabij.
Ingrid Lenaerts
