Gezondheid
“ Mijn moeder was de behoedster van de gezondheid binnen het gezin. Zij controleerde ons op het wassen: een keer per week in de zinken badkuip. Controle op proper ondergoed, geen snottebellen een propere zakdoek, handen wassen voor het eten, warm aankleden als het koud was.
In mijn herinnering zaten in de oorlog in de zepen kleine korreltjes om je huid af te schuren en de reuk was eerder muf. Na de oorlog wasten we ons met Sunlight zeep.
Af en toe was er een klein alarm: luizen. Dan kwam moeder met de luizenkam. Vader was erbij om de kam geregeld in heet water af te spoelen en het tegenspartelende kind vast te houden.
Medicamenten waren er in de meeste gezinnen niet. Men behielp zich met de moedertjeszalf: speeksel van moeder en een kusje op de pijnlijke plek. De koorts voelde men met de hand. Remedie tegen koorts en zware verkoudheid: in bed, natte doeken op je hoofd, melk drinken met wat zoet erin als het kon honing.
Verbranding: vet erop en dan een zelfgemaakte windsel van versleten ondergoed.
In andere gezinnen werkte men met natuurgeneesmiddelen en kruiden. Papjes van lijnzaad en siroopjes van vlierbessen (vliersiroop – veel suiker!) en een kruidnagel in de holle kies en castorolie (wonderolie, ricinusolie) voor de stoelgang.
Sommige mensen legden spinnenwebben op wonden, of een schapulier. Dank zij Kinderheil leerde ik de thermometer kennen en kreeg ik af en toe medicamenten. Eens heb ik een thermometer op de vloer zien vallen: de kwikbolletjes srpongen in het rond. Pas veel later stond moeder in voor een kleine huisapotheek: koortsthermometer, mercurochroom,‘jodiumtinctuur) en ether. Ik hield van ether omdat dit lekker rook naar de dokter en de kliniek. In de schoendoos zaten nog: plakband, windsels, zalfjes, maagzout en vooral aspirines die nagenoeg voor alles werden gebruikt.
Aspirines werden toegediend eenmaal boven de 38 graden koorts. De aspirine werd geplet in een eetlepel met wat water. Daarnaast stond een glas water. Alles diende in snel tempo te gebeuren zonder gezichten te trekken. Koortsige kinderen kregen natte doekjes op het voorhoofd en kregen wat bouillon. En als het niet beterde: bellen bij een buur naar de dokter of hem verwittigen door ernaar te fietsen.”
Dokters
“Als je ziek was, kwam de huisdokter wel eens aan huis. De eerste jaren na de oorlog kwam hij met de fiets, of het nu winter of zomer was. Als hij dan de stethoscoop, die uit zijn koude fietszak kwam, op je rug zette, liepen de rillingen over je blote huid. Ik voel het nog. Enkele jaren na de oorlog had onze dokter een Citroën. Toen waren er nog geen parkeerproblemen in de stad. We belden hem via de buren naar zijn huis als het dringend was. Op consultatie gaan was een echte marteling. Een kwartier fietsen en vooral uren wachten. De wachtzaal zat altijd stampvol. Het stonk naar de rook en het zweet. Hij was zeer sociaal en hard werkend.
De andere dokter waaraan ik en vooral mijn moeder een afkeer had, was iemand die veel minder werkte, graag kaart speelde in het café van een chic restaurant en sigaren rookte. Hij had een mooi leventje. Hij was senator maar ging slechts enkele keren naar de Senaat toe. Hij was ook schoolarts. Hij kwam de klas binnen en wij moesten onze mond opendoen en hij ging voorbij om erin te kijken. Hij was een dokter enkel voor het geld, het aanzien en de show. Maar de meeste huisartsen waren prima. Hun vrouwen moesten hard meewerken. Op den buiten deden ze ook bevallingen.
De dokters en de verpleegkundigen van het Kinderwelzijn waren voor vele gezinnen het vaste punt. En de verpleegsters die aan huis kwamen om een spuitje te zetten en de wonden te verzorgen .”

