In de huidige mens neemt het genot van al het geschapene de plaats in van God.
En toch in een klein hoekje van zijn hart BEN Ik, vaak zonder dat hij het zelf beseft. Maar in tegenspoed wordt hij zich plots bewust van mijn aanwezigheid in hem.
Hoe bedroevend toch! Is het dan echt nodig, dat mijn kinderen lijden opdat ze zich zouden vervaardigen te gedenken dat Ik besta?
Dan klampen ze zich aan Mij vast als aan een reddingsboei. Maar Ik ken hun wispelturig hart. Ik weet het, wanneer ze de afgesmeekte genade hebben ontvangen, keren ze naar hun ellendig leven terug met op de koop toe de grievende ondank: ze vergeten mijn goedheid.
En mijn tederheid voor hen is dan weer zo, dat Ik niet altijd kan weerstand bieden aan hun tranen.
Mijn arme kinderen!
Wat ga Ik met u doen?
Ik breng u liefde en vrede.
Gij geeft Mij uw onverschilligheid en uw bijtende spot.
En zie, het Licht komt tot u.
Gaat ge het onthalen zoals het hoort?
Hebt ge opgemerkt hoe kort de dagen zijn die voorbijgaan? Want alles gaat voorbij.
Begrijpt ge niet, dat ge met rasse schreden de eeuwigheid nadert?
Wat is een jaar, twee jaar? Nog enige jaren en aldra behoort ge tot het verleden.
Op deze aarde, die u tot bederf brengt, zal men niet meer aan u denken.
Maar daar waar ge naar toegaat, wordt niets vergeten. En ge zult oogsten wat ge gezaaid hebt. Ge zult geoordeeld worden voor het bedreven kwaad en beloond voor het verrichte goed.
Denkt na en betert u.
Het is nog tijd.
Werpt u in mijn armen.
Is het mogelijk dat Ik aan mijn kruis, als gevangene van mijn liefde, niets dan leegte in mijn armen omsluit?
Naastenliefde.

Jezus zegt op 10 november 1966Hadt ge enig idee van de werking van mijn barmhartigheid en de middelen die ze aanwendt om zich van de zielen meester te maken!
Iemand kan echt ver van Mij lijken, en nochtans, mijn speurende barmhartigheid gaat weldra aan het werk in de ziel. Vel dan ook geen oordeel, want ge weet niet wat Ik voor haar kan doen. Hoe verder ze van Mij verwijderd lijkt, des te meer heeft ze recht op uw medelijden en uw gebeden. Niet de rechtvaardigen heb Ik vrijgekocht maar de arme zondaars.
De zonde is een afschuwelijke plaag waarvan mijn ongelukkige kinderen slachtoffer zijn. Gij kind, levend voorbeeld van wat mijn goedheid voor een ziel kan doen, gij moet dat meer dan anderen begrijpen. Verwar zondaar en zonde niet. De zonde moet ge haten, de zondaar te hulp komen. Daarvoor zijn gebeden en verstervingen, daarvoor is boete nodig. Dat is de enige ware naastenliefde.
De mogelijkheden om ze te beoefenen ontbreken niet.
Ik heb dorst naar zielen.
Deel mijn dorst! Wilt ge?


