In de jaren zestig vormden welgeteld 1 postman en 1 bediende de late ploeg. Door de jaren heen is die ploeg aanzienlijk aangegroeid tot een volwaardige dienst met meerdere sorteerders, codeerders en buslichters. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig stond ik regelmatig met de late, graag zelfs, daar ik een hekel had aan vroeg opstaan. Terwijl de postbodes al naar huis waren of volop van hun ronde binnenkwamen begon onze dienst. Niet zelden bestond mijn eerste taak erin postbodes die tijdens hun ronde te diep in het glas hadden gekeken te gaan depanneren. Het postkantoor werd opgebeld door mensen die melden dat hun postbode echt niet meer in staat was om zijn ronde verder te zetten en dat we hem best kwamen halen. De postman die in een café of bij mensen thuis was gestrand werd mét fiets en onbestelde post in de postauto geladen en naar het postkantoor gebracht. De grote kunst bestond erin de onbestelde post op het kantoor te verbergen tot 's anderendaags en de postman vlug naar huis te brengen. Een confrontatie tussen een lallende facteur en postmeester De Cuyper moest zeker vermeden worden. Het meerserieuze postwerk in de late dienst waren meerdere buslichtingsrondes en het klaarmaken van de vele poststukken voor sortering. Op het postkantoor van Lier had men in die tijd 1 postauto, een Bedford met schuifdeuren. In de zomermaanden kon je die deuren openzetten en reed ik met mijn toen nog langere haren wapperend in de wind door de Lierse straten. De vele brievenbussen moesten op een vastgestelde ronde stipt op tijd geledigd worden. Elke brievenbus had een verschillende sleutel en zo vertrok ik met een aanzienlijke bos sleutels, grote en kleine, witblinkende en bijna verroeste exemplaren op ronde. In het begin was dat bijna een onoverzichtelijke opdracht maar na enige tijd wist je precies welke sleutel op welke brievenbus paste. Na enkele jaren was er toch een verlichte geest die ervoor heeft gezorgd dat er nog slechts één sleutel nodig was die op alle brievenbussen van Lier paste. De opbrengst van zo een buslichting was vooral in de vooravond, nadat de meeste bedrijven gesloten waren, aanzienlijk. Terug op het kantoor kon het scheiden van de grote en kleine brieven beginnen. Een oude zwarte stempelmachine, die nu naar 't schijnt ergens in een postmuseum staat, vergemakkelijkte en versnelde het afstempelen van de aanzienlijke rij brieven. Ene Jef, wiens achternaam ik me niet meer herinner, Hubert van den Bosch en Jos Mariën sorteerden al die brieven met de hand volgens provincie en grote steden. In 1969 deden de postnummers hun intrede wat de sortering een stuk minder moeilijk maakte. Brieven werden gebundeld, in postzakken gestoken en die zakken werden gesloten met rode of witte etiketten. De zak met het rode etiket, die waardepapieren en aangetekende stukken bevatte werd gelood. Een echt stukje lood werd aan de knoop van het touwtje bevestigd en met een loodtang dichtgeknepen. Blijkbaar moest dat kleine loodje ervoor zorgen dat die postzak extra beveiligd was. Toen onze dienst er bijna opzat kwamen ze de postzakken ophalen met een camion vanuit Antwerpen. Enkele jaren later moesten de zakken dan weer op de trein naar Antwerpen gezet worden en ik heb ze ook met onze postauto, die ondertussen vervangen was door een Citroën, merk Geitje, naar het sorteercentrum van Antwerpen gebracht. Dat sorteercentrum was toen gevestigd in de catacomben van het centraal station in de Pelikaanstraat.
Het moet einde jaren zestig geweest zijn dat Jules Wijns, de personeelschef, mij bedacht met 'Dienst Kolen'. Zouden er nog postmannen en postvrouwen zijn die vandaag kunnen vermoeden wat die kolendienst inhield? Een gure winterdag einde jaren zestig. In het goederenstation van Lier was er een wagon met steenkool toegekomen. Die steenkool was bedoeld voor meerdere scholen in Lier en omstreken. Kolenleverancier 'Van Rickstal' vanop de Antwerpsesteenweg in Lier was aangeduid om die wagon te lossen en in de desbetreffende scholen te leveren. Een postbode moest gans dat gebeuren controleren en toekijken of er geen onregelmatigheden gebeurden. De firma 'Van Rickstal' waren vroege vogels en om zes uur 's ochtends stonden zij in de bijtende koude kolen in zakken te scheppen. En ikke, ik stond erbij en keek ernaar. Meestal zat ik wel in de cabine van hun camion waar de koude wind en het kolenstof doorheen blies. Na uren hard labeur voor Van Rickstal en lang gewacht voor mij was een eerste lading klaar. We reden met de camion de de zakken kolen naar een weegbrug op de Lispersteenweg. ( die weegbrug is reeds jaren uit het Lierse stadsbeeld verdwenen. ) Een eenvoudige rekensom later ( tarra,bruto, netto ) wisten we hoeveel kilogram kolen we bij hadden. Die steenkool werd in de kelder van de school 'geschud'. Ik herinner me nog heel duidelijk een school in Kessel. En zo ging het gans de tijd door tot de wagon leeg was. Ik zie nog de lachende maar tegelijk bezorgde blikken van thuis als ik zwart, alsof ik had meegeschupt, thuiskwam.
Om vijf uur in de morgen, naar mijn gevoel midden in de nacht, moesten de meeste postbodes beginnen. Maria, de poetsvrouw, zorgde ervoor dat drie grote kolenkachels in de winter warm werden gestookt. Een postcamion uit het sorteercentrum van Antwerpen ( toen gelegen onder het centraal station ) kwam aanrijden in de Florent van Cauwenbergstraat. Vele grijsbeige postzakken werden door de postbodes door de lokettenzaal naar de achterliggende facteursruimte gesleurd. Zakken werden geopend, de poststukken gescheiden, kranten en allerlei abonnementen verdeeld, de postmannen namen plaats aan de sorteerkasten. Daar werd alle brievenpost gesorteerd volgens ronde, een werk dat, al naargelang de hoeveelheid post vlug 1 tot 2 uur duurde. Als goeie sorteerder kende je alle straten van Lier uit het hoofd en wist je precies welke straten tot welke ronde behoorden. Aan zijn eigen werkplaats maakte de postbode zijn ronde klaar volgens straat en nummer. Aangetekende stukken en ouderdomspensioenen waren de belangrijkste stukken die de postbode bij zich had. Een dagelijks terugkerend onderdeel in het voorbereidende werk was 'den afroep'. ( zou dat in 2011 nog gebeuren, ik twijfel.) Bijna onleesbare poststukken, brieven zonder straatnummer, zonder straat of zonder achternaam werden door de chef-facteur in de groep afgeroepen. Dikwijls zijn qua onbestelbare brieven toch nog kunnen gepost worden door de opmerkzame postbode die de mensen op zijn ronde stuk voor stuk kende.
Dagen, weken en maanden gingen voorbij en stilaan leerde ik mijn postcollega's kennen.
- De Wollants: goed in het vel zittende postbode, toen al aftellend op zijn pensionering. - Chareltje De Swert: een kleine man met een hese stem en een droge lever. 's Morgens vroeg was hij nog aan te spreken, doch na zijn ronde dikwijls volledig in de wind door de vele borrels en pintjes die hij kreeg bij o.a. brouwerij Cuyckens. Hij had één van de zwaarste rondes in Lier, de Mechelsesteenweg helemaal tot aan de grens met Duffel, de Lintsesteenweg tot in Lint. - Frans 'Sooi' Vervloet: een echte postbode, steeds in de weer voor zijn klanten, die toen al in de nieuwjaarsperiode zijn eigen gestencilde kaartjes op zijn ronde in de brievenbussen stak. Ik herinner me nog goed de eerste woorden van zijn nieuwjaarswens:" Ik drentel door de sneeuw...." - Bob Hermans: zonder twijfel de vlugste postbode van toen. Lang voor de anderen was hij gereed met het klaarmaken van zijn ronde, hij had zijn postronde gedaan nog voor sommige beginnende postbodes moesten vertrekken. - Jos Schoofs: had volgens mij een auto ronde om jaloers op te zijn. Buslichtingen en het wegbrengen van de overlasten, zakken post die naar een bepaald adres werden gebracht waar de postbode kon gaan bijladen. Maar Jos ergerde zich elke morgen danig aan postbodes die naar zijn gevoel te traag waren met het klaarmaken van hun overlastzak.Bijna elke morgen opnieuw was er wel een postbode waarop hij vloekte en tierde dat het een lieve lust was. Totaal over zijn toeren en rood van woede vertrok hij met zijn postauto. - Frans Elst: verdeelde zeer plichtsgetrouw de post op de Antwerpsesteenweg en de tuinwijk Zevenbergen. Hij had een grote wasmand vooraan op zijn postfiets gemonteerd en zwaarbeladen maar steeds goedgemutst vertrok hij op ronde. Bij regenweer was steevast zijn uitspraak:" regen voor acht uren blijft niet duren". Als het dan toch eens een ganse voormiddag had blijven regenen waren de andere postbodes op Frans slecht gezind. - Jules Wijns: de personeelschef, klein van gestalte, goed van inborst. Steeds in een grijze stofjas gekleed, potlood en gom binnen handbereik om de personeelslijsten bij te werken. - Gommaar Vermylen: loketbediende met veel jaren dienst. Kende de post door en door en had daardoor tijdens zijn dienst nog genoeg tijd om meer met zijn zeer omvangrijke postzegelverzameling bezig te zijn dan met zijn postwerk.
Het zijn maar enkelen van de vele postmensen van toen die ik me nog zeer levendig voor de geest kan halen. Als ik er zo over terug peins zouden ze zo kunnen weggelopen zijn uit 'De Collega's'
Het was in 1964 dat nonkel Bernard me vertelde dat er een examen werd uitgeschreven van wat toen het 'Bestuur der Belgische Posterijen' noemde. Later werd dat moderner 'De Post' en vandaag op zijn Engels 'Bpost' genoemd. Toen, meer dan 47! jaar geleden, was een 'staatsplaats' en daarna een 'vaste benoeming' een gegeerd iets. Zo gebeurde dat ik op sinterklaasdag, grieperig en helemaal niet gemotiveerd de trein nam naar Brussel waar in een grote zaal het examen werd afgenomen. Enkele weken later kreeg ik een brief dat ik geslaagd was en nog enkele maanden later kreeg ik een aangetekende brief dat ik op het postkantoor van Lier mocht beginnen als hulpkracht-besteller, in mensentaal heet dat een beginnende postbode.
Op een mooie zomerdag moest ik me om negen uur aanmelden in het imposante postkantoor in de Florent van Cauwenbergstraat in Lier. In het gebouw hebben zich al jaren andere diensten gevestigd, enkel de geklasseerde voorgevel met grote brievenbussen is nog in de oorspronkelijke staat en herinnert aan het postgebouw van toen. Ook Gommaar van de Velde, een jongeman uit Emblem, moest zich die morgen aanmelden. Een kleine, wat oudere man in een iets te lange grijze stofjas kwam naar ons toe en heette ons welkom. "Dat is zeker de postmeester" zo dachten we verkeerd, dàt was Jules Wijns, de personeelschef. De postmeester, stijf in kostuum met een gezicht als een donderwolk en een dikke sigaar in zijn mond kwam tevoorschijn tussen de hoge ladenkasten. Streng maar rechtvaardig, zoals een postmeester past, las hij op een gebiedende toon de post reglementen. We moesten ook een post eed zweren maar wat wij in die jaren stillekes hebben gezworen weet ik echt niet meer. Aan het gezicht van de postmeester te zien was het wel heel erg serieus. In een walm van sigarenrook verdween de postmeester en Jules Wijns gaf ons elk een grote schrift met lege etiketjes. Met een naamstempel van het kantoor moesten we op die etiketjes LIER stempelen, mooi recht in 't midden, gans die schrift vol. Maar hoe gaat dat bij jongemannen van juist achttien, op de eerste bladzijden zagen die stempels er mooi, recht en goed leesbaar uit. Doch tegen ons stempelwerk ten einde was, stonden die stempeltjes schots en scheef en was dit echt niet meer mooi om te zien. En dan kwam de postmeester himself ons werk keuren en zag dat het niet goed was. Een eerste strenge vermaning zat eraan te komen. Mijnheer Dom, Mijnheer Van de Velde, zò werken wij hier niet hé!! Ik heb postmeester De Cuyper in al de jaren dat hij postoverste was nooit een postbode bij zijn voornaam weten noemen, het klonk altijd mijnheer hier en mijnheer daar. En zo kenden we ineens het humeurige karakter van mijnheer Jules De Cuyper, postmeester van Lier. Daar viel niet mee te lachen.
Vroeg in de ochtend vaart 'The Splendour' de haven van Venetië terug binnen.
Onvoelbaar legt de stuurman de boot tegen de kademuur, juist op
dezelfde plek waar we een week geleden vertrokken. Nog drie andere
cruiseboten, waaronder de schitterende Ruby Princess die we al in
Kusadasi konden bewonderen, zijn zopas de haven van Venetië
binnengelopen.
Terwijl we nog genieten van een vorstelijk ontbijt gaan de eerste
passagiers van boord. De talrijke Amerikanen en Canadezen schepen eerst
uit, zij hebben nog een lange vliegreis voor de boeg.
Ruim twee uur later is het aan onze 'groene label groep' om een beetje met tegenzin het cruiseschip te verlaten.
De valiezen staan netjes kleurlabel bij kleurlabel gerangschikt in de aankomstterminal.
Niettegenstaande het vroege uur is het rond de boot al een drukte van jewelste.
Er vormt zich een stoet vrachtwagens van waaruit containers vol met
voedingswaren aan boord worden gehesen. We kunnen er ons geen gedacht
over vormen hoeveel ton goederen er mee moeten om 2000 passagiers van
eten en drinken te voorzien en dat gedurende een ganse week.
Zelden hebben we zo een 'vol' luchthavengebouw gezien. Hoe kan het ook
anders. Vele honderden uitgecruisde reizigers schuifelen in lange rijen
naar de incheckbalies. Maar nadat de Amerikanen, Canadezen en Japanners
vertrokken zijn gaat het al snel beter. Enkele uren later landen we op
Zaventem.
Nog een hele tijd heeft onze seapass in mijn portefeuille gezeten als
prettig kleinood van een zeer geslaagde cruise. We hebben hem zelfs
eens aangeboden voor een havenrondvaart in Antwerpen met de
Flandria..... maar we mochten niet mee...... erg hé !!!
Rimpelloos cruisden we de voorbije week op de Middenlandse zee.
Even rimpelloos maakten we, deels in onze slaap, de overgang tussen de
kunststad Venetië, de vestingstad Dubrovnik, de ruïnestad Efeze, de
witte stad Fira en de hoofdstad van Korfoe.
Het animatieteam doet zijn best om de gasten op deze laatste cruisedag
te animeren, maar de meeste passagiers geven er blijkbaar de voorkeur
aan om zalig te genieten op het zonnedek.
We kijken geamuseerd rond aan boord. In een heus reisbureel kan je, heel makkelijk, je volgende cruise bespreken en boeken.
De kasten en laden van de fotostudio puilen uit van de vele foto's die
nog steeds wachten om verkocht te worden. Morgen als alle gasten
uitgecheckt zijn gaan al die mooie foto's van al die blije mensen
waarschijnlijk in de papierversnipperaar.
Terug in de kajuit vinden we 4 enveloppen voor de gebruikelijke fooien
aan het kamermeisje, de kelner, hoofdkelner en de
tafelverantwoordelijke. Die gegeerde fooien maken, naar men ons heeft
verteld, het karige loon goed.
De groengekleurde valieslabels betekenen dat we
morgenvroeg als voorlaatste groep het schip kunnen verlaten. Al
naargelang het vertrekuur van de terugvlucht verschillen de
valieslabels van kleur. Deze avond laat zullen we onze gepakte valiezen
voor de kajuitdeur zetten en morgen staan ze in de aankomsthall van de
cruiseterminal, netjes geordend, kleur bij kleur. Zoals we al meer op
de cruise mochten ondervinden is de ontscheping van de bijna 2000
opvarenden goed doordacht, ordelijk en helemaal geen drukke bedoening.
Na het laatste avondmaal en de afscheidsshow heeft kapitein Tommy
Nyseter het laatste woord. Uit zijn korte toespraak onthouden we nog
enkele indrukwekkende cijfers. We cruisden zo'n 3411 kilometer bij
elkaar en 150 koks maakten de voorbije week in totaal 40.000 maaltijden
klaar. Indrukwekkend!
We zouden nog wat souvenirs kunnen kopen in de dure winkels aan boord,
nog poseren voor een laatste foto op de showtrap, nog wat geld
vergokken in het casino in Vegas stijl of nog een kleurrijke cocktail
drinken in één van de talrijke bars.......... het feest is (nog altijd
niet) gedaan.
Is het de zeelucht of het zachte wiegen van de boot, maar we hebben geen enkele moeite om de slaap te vatten.
Een nieuwe dag, een nieuw eiland om te ontdekken.
Korfoe is één van de Ionische eilanden, het meest groene van alle Griekse eilanden.
Tijdens de excursie over het eiland Korfoe bezoeken we in het stadje Gastouri het Achilleion paleis.
Het Achilleion paleis werd in 1890 gebouwd voor keizerin Elisabeth van
Oostenrijk, beter gekend als keizerin Sissi. Bijna iedereen kent haar
levensverhaal. Veel minder geweten is dat het leven van de keizerin en
haar huwelijk met keizer Franz Joseph niet zo sprookjesachtig was.
Elisabeth maakte verre reizen en verbleef lange tijd op Madeira, Korfoe
en in Beieren. Omstreeks 1891 was het Achilleion paleis, genoemd naar de
mytische held Achilles, klaar.
Het interieur van het paleis is, helemaal naar de wens van Sissi,
gedecoreerd met kunstwerken uit de Griekse mythologie. In de
keizerlijke tuinen, uitkijkend over groene heuvels en de Ionische zee
staan exotische planten en bomen en talrijke Griekse standbeelden. De
mooi onderhouden tuinen zijn een lust voor het oog. Maar haar liefde voor
Korfoe en het paleis was van korte duur, de keizerin raakte
snel haar interesse kwijt en het paleis werd verkocht aan de
Duitse keizer Wilhelm II. Zeer
tragisch is haar dood. Keizerin Elisabeth werd op 10 september 1889 aan
het meer van Geneve vermoord door anarchist Luigi Lucheni. Ze was 60
jaar.
Vanop het uitzichtterras in Kanoni kijken we naar een postkaartenpanorama.
Op een schiereilandje in de lagune ligt het witte klooster van
Vlacherna en verderop het piepkleine muizeneiland. Dit idyllische
plaatje is één van de meest gefotografeerde landschappen op Korfoe. Het
geluid dat we er ongevraagd bij krijgen is veel minder idyllisch. Op
enkele honderden meter is namelijk de start- en landingsbaan van de
luchthaven. Met een hels lawaai stijgen de vliegtuigen voor onze neus
op. Wel ideaal voor vliegtuigspotters.
We kuieren door Korfoe-stad en onze aandacht gaat onmiddellijk naar de
fraaie, driehonderd jaar oude Sint Spiridon kerk. Sint Spiridon is de
beschermheilige van het eiland.
Op de esplanade in het hartje van Korfoe-stad genieten we van de
zon. Bonkige gebouwen en Venetiaans aandoende arcaden omzomen het plein.
Zoals gewoonlijk varen we om 18 uur af. Er rest ons nog een zeereis van
37 uur tussen Korfoe en Venetië waar we overmorgen zullen
aankomen.