Naar de inhoud

VAN KONGO NAAR AMERIKA

Dagboeknotities over 30 jaar buitenland
akke.beakke.be
publicatie op blog van het boek van Kongo naar Amerika (2006) door Jozef Van Mullem

Archief

VAN KONGO NAAR AMERIKA - HOOFDSTUK 4: BAMBESA - katoen

Hoofdstuk 4: Bambesa 

 

Research! A mere excuse for idleness;

 it has never achieved, and will never achieve any results of the slightest value.

Benjamin Jowett

 

Katoen

 

            In mijn bibliotheek steken enkele boekjes die ik  meegenomen heb uit  de kleine boekenkast van de agronome de territoire  van Faradje.  Zoals les cultures coloniales: plantes textiles  van Henri Jumelle (Paris, 1915) met een interessante bijdrage over de katoenteelt in Amerika en Tunesië. In de loop van mijn carrière werd ik een paar maal  geconfronteerd met de teelt van katoen,  in Faradje en in  Texas maar spijtig genoeg niet meer in Tunesië (waar we verbleven van 1967 tot 1973) omdat daar de productie van katoen als gevolg  van teelttechnische problemen  was opgedoekt.   De teelt van katoen is zeer oud.  Drie duizend jaar vóór onze tijdrekening werd  in China al katoen geteeld.  In Indië  kende men,  10 eeuwen vóór J-C, het spinnen van  katoen. 

            In de uiterste hoek van de Kongolese noordelijke savannen, de streek van de Logo’s, werd katoen zeer laat, dat wil zeggen in de vijftiger jaren van de voorgaande eeuw,  onder impuls en controle van  de Compagnie Cotonnière Congolaise een verplichte teelt.  Katoen is geen inheems gewas.  Begin 1900 werd de teelt van katoen in Kongo geïntroduceerd door reizigers en missionarissen en in het Oosten door Araabse handelaars. Nadat de Amerikaanse expert Fisher in 1911 positieve introducties realiseerde besloot de overheid de katoenteelt te verspreiden (te verplichten)  In 1957 waren er in Kongo 700.000 planters op iets meer dan 350.000 ha. 

            De ‘Cotonco’ zoals de katoenmaatschappij  werd genoemd had één van zijn 2.500 aankoop magazijnen te Faradje. Samen met de verantwoordelijke voor de streek trokken  we dagenlang onder de loden zon in de brousse om zowel het manuele planten als  het manuele oogsten  van het katoen te observeren en te controleren.  De complete opruiming van ‘alle’ oogstresten bleek de moeilijkste opgave.

            Ook in het Amerikaanse Zuiden van Amerika was een goede 150 jaar terug de katoenteelt en vooral de pluk van het katoenpluis, een zaak van handenarbeid.      Amerikaanse zuiderlingen, waaronder heel bekende lieden als Jefferson en Washington, bekeken op dat moment de slavernij als een kwaad welke wel eens zou kunnen worden afgeschaft. Het werd echter helemaal anders wanneer in 1793 Eli Whitney de Cotton Gin uitvond.  Een eenvoudige maar doeltreffende machine voor het machinaal verwijderen van de zaden van het katoenpluis. De katoen-economie van het Amerikaanse Zuiden kreeg op korte tijd een ander gelaat. Omdat nu heel veel goedkope arbeidskrachten nodig waren  werd de houding tegenover de slavernij ‘bijgesteld’. In 1850 werkten 2 miljoen slaven op de Amerikaanse katoenplantages.

            Tijdens de eerste helft van de 19de eeuw nam katoen méér dan de helft van de totale Amerikaanse uitvoer voor zijn rekening.  Het is dan ook geen wonder dat dit product gaandeweg het Vlaamse  vlas verdrong waarvan de bewerking op de hoeve verdween.  Het verdwijnen van deze  thuisarbeid lag mede aan de basis van de grote landbouwcrisis die in de tweede helft van de 19de eeuw in onze gewesten het economische en maatschappelijke leven ontwrichtte.                                       

            Mijn eerste kennismaking met de katoenteelt gaat terug naar de stage op het proefstation van het NILKO voor de verbetering van de katoenteelt te Bambesa in Beneden-Uele. Ik werd er door de  Directeur opgezadeld met een “wetenschappelijke” observatie die bestond uit het tellen, volgens een bepaald protocol, van zwarte hoekige stipjes veroorzaakt door een bacterie, Bacterium Malvacerum, op blaadjes van de katoenplant.  Een maand lang heb ik vanaf zes uur in  de morgen ten dienste van de wetenschap zwarte stipjes geteld.  Misschien heb ik, zonder het te weten, meegewerkt aan één van die fameuze nieuwe Bambesa types die na tien à vijftien jaar onverdroten selectiewerk het licht zagen. Selectie die in wezen tot doel had de Triumph Big Boll, de eerste variëteit die in de Kongolese katoenstreken rond  1911 uit Texas werd ingevoerd, te verbeteren.

            Ook in Yangambi, een paar maanden eerder, had mijn stagemeester een even monotone bezigheid uitgevonden  Ik moest er een uitgestrekt veld pedologisch prospecteren.  Iedere dag werd ik naar mijn ‘werkplaats’ gebracht samen met een zwarte assistent - die de  gaatjes in de bodem moest boren - om  de kwaliteit van de grond te bepalen.  Omdat daarvoor  het eigen speeksel moest worden gebruikt leerde ik snel de diepere betekenis kennen van “hij heeft een droge mond.”

            35 jaar later  ben ik in  Texas, the Lone Star State, het oorsprongsgebied van het Kongolese katoen.  De katoenvelden zijn er zo weids dat ze de indruk geven verder te reiken dan de einder.  En met de herinnering aan de tropische veldjes uit Faradje in het achterhoofd en de katoenboeren met hun lange kukata coupé die er rustig op los harken lijken de reusachtige oogstmachines die hier worden gebruikt op geheimzinnige mastodonten van een andere planeet.

            Dé kwaliteitsnorm van het katoen was vroeger en is nu nog, de helwitte kleur van het katoenpluis.  In Lubbock zien we voor ‘t eerst uitgestrekte velden met katoenpluis dat niet wit, maar  op natuurlijke wijze, door een (nuttige?) bacterie lichtbruin gekleurd is.      

            Last but not least  worden we niet zo ver van El Paso naar  een weverij gebracht.  In de reusachtige fabriekshal wordt, onder oorverdovend lawaai, Amerikaans (wit) katoen, na kleuren, door 400 Belgische “Picanol“ weefgetouwen tot duizenden kilometers jeansstof verwerkt.

 

 

Een van de laatste vrouwen van de Babirastam met schotellip in noordoost Kongo. Daarnaast een filmer met een ‘Paillard 8 mm’, het neusje van de zalm in die tijd.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Jozef Van Mullem om 13:53 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - HOOFDSTUK 5: ABA - savoir vivre

Hoofdstuk 5: Aba

 

Civilization is a method of living

                an attitude of equal respect for all men

                                                                                                          Jane Addams

           

Savoir vivre

 

            Aba was tijdens de koloniale tijd, zo leerden we op school, een belangrijk handels- en nijverheidscentrum in het noordoosten van Kongo gelegen op zowat 65 km van Faradje en op een kleine 20 km van de grens met Soedan.  Vanuit Faradje reden we er regelmatig naar toe met onze greenelectric studebaker champion voornamelijk om proviand op te slaan in de grote winkel waar de Griekse uitbater zijn vrouw bij het pokerspel had gewonnen.  Zo werd verteld en waarom zou men het niet geloven.  Het gaf wel een bijzonder cachet aan de winkel.

            Dat de Grieken verwoede kansspelers zijn hebben we tijdens oudejaarsnacht 1958 van dichtbij kunnen meemaken. We waren door de familie Panas uitgenodigd om de overgang van oud naar nieuw te vieren in hun landhuis op plantage Spelu aan de Aro.  Panas was niet alleen koffieplanter en fabrikant van palmoliezeep – palmolive – hij was ook ondernemer en bouwde vooral in de streek van Paulis ( thans Isiro)

            Onder de reusachtige kerstboom hebben we gegeten, gedronken en tenslotte bingo gespeeld.  Het ging er heftig aan toe, op zijn Grieks met wijn en gezang en verbale uitbarstingen, met winnen en verliezen zonder dat men daar lang bleef bij stilstaan.  Toen in de vroege morgen de strijd werd stilgelegd bleek het, hoe kon het ook anders, dat we voor geld hadden gespeeld en naar onze maatstaven zelfs tamelijk grof.  Gelukkig bleef ons saldo positief zodat we zonder financiële kleerscheuren het nieuwe jaar konden induiken.

            Begin 1958 hebben we in Aba gewestbeheerder Charles Orbaen, een schilderachtige en tegelijk vaderlijke figuur, voor ‘t eerst ontmoet.  Van hem hebben we onthouden dat zijn in het Frans opgevoede zoon tegen hem zei als hij Vlaams sprak: « je ne comprends pas ton Bangala » . Maar ook, en veel meer, hebben wij van hem en zijn lieve vrouw, een en ander opgestoken over savoir-vivre, over levensstijl.  We waren beiden jong toen en begrepen het allemaal niet te best, maar vijftig jaar later, bekijken we dit soort getemperde, op het randje af geblaseerde houding, van iemand die het juist niet bereikt heeft, met een groter begrip.  We hebben het nu ook allemaal meegemaakt, zijn zelf grotelijks blasé, en het moet allemaal niet meer.   Maar toch blijft daarvan altijd iets hangen en veel later kijk je nog altijd met veel weemoed terug aan die mooie tijd in tropisch Afrika waar vriendschap en samenleven intens op elkaar waren afgestemd.

            Charles Orbaen had een fantastische bibliotheek, dat wil zeggen een enorme verzameling boeken in vele kisten opgeborgen.  Met nog slechts een paar jaar carrière voor de boeg, vond hij het niet meer de moeite om de boeken uit de kisten te halen en in kasten uit te stallen.

            Gewestbeheerder en mevrouw Orbaen werden bediend door een butler!... Geen gewone boy zoals wij allen een pichi  en een lavadère hadden.  Nee, een echte,  gestyleerde, in krakende kledij gestoken maître d’hôtel die ’s morgens met madame een discussie voerde over de wijnen die bij ‘t avondmaal, in functie van het niveau van de gasten, zouden worden geschonken.  In dit decor weggelopen uit een novelle van Somerset Maugham, waren we enkele avonden te gast en diep onder de indruk van de wijze waarop, in die godvergeten uithoek van de wereld, we mochten aanzitten en bediend werden.

            Om  het beschavingswerk op een duurzame wijze verder te kunnen zetten werd men na een term van drie volle jaren gedurende zes maanden terug naar het moederland gestuurd om er te bekomen en eventueel te herstellen van het verblijf in de tropen.  Vooraleer de Orbaens met vakantie naar België vertrokken hadden ze hun huisbediende een fiets geschonken en zes maanden loon uitbetaald zodat hij zonder (financiële) zorgen de terugkeer van zijn patrons  kon afwachten.  Die  vonden, na hun vakantie,  een man terug, vroeger wellicht hun maître d’hôtel, maar nu, zonder fiets, zonder geld, een arme en berooide zwerver, terug pikzwart met de zwarten in slome palaverstijl.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jozef Van Mullem om 13:58 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - HOOFDSTUK 5: ABA - Kurukwata en 'staande lamp'

Kurukwata

 

            De smalle baan die Aba met Faradje verbond trok een lateriet spoor door een eindeloze savanne.  Hier en daar een tamelijk hoge bult (Inselberg) Enkele magere bomen rond een bron en wat schrale velden tussen het stekelige gras.  In het droog seizoen werd je soms geconfronteerd met een fascinerend schouwspel wanneer de savanne in brand was gestoken.  Heel voorzichtig moest je rijden als je ’s avonds laat vanuit Aba naar Faradje terug keerde want reusachtige vonken vlogen rond je auto als vuurvogels in de nacht.

Halfweg lag een uitdeinende groene vlek: Kurukwata, de koffieplantage van een koloniale onderneming in Russisch bezit. De koffiestruiken vertoonden futuristische vormen omdat ze op een merkwaardige wijze waren gesnoeid door de Duitse baron von Schlippe een vooral in Kongo onder de naam de Schlippé  bekende socioloog-agronoom en gezaghebbend auteur

La taille du caféier  was onder agronomen in Belgisch-Kongo permanent aan de orde van de dag.  De oudere robusta plantages in de Oostprovincie waren meestal een verzameling ‘éénstammige’ koffiestruiken. In de jongere plantages  werden meestal ‘meer-stammigen’ geteeld.  Wat  het snoeien betreft  waren er evenveel varianten als er experts waren. Het indrukwekkende en tezelfdertijd intrigerende resultaat van de Schlippé’s snoei  waren lange rijen koffiestruiken die als Gotische kandelaars onder de strakke Afrikaanse hemel stonden te pronken.         

            De Duitse baron werd opgevolgd door de zoon van een Russische generaal uit de Tsarentijd, een zekere Aksakov.  Hij probeerde de koffiestruiken een natuurlijk groeipatroon terug te geven.  Hij was een charmante man die mij veel over de praktijk van de koffieteelt  heeft bijgebracht. 

Volgens pater Denys bleef begin 1985 van de eens zo bloeiende koffieplantage slechts een schamel skelet over. Ondertussen was ex-gouverneur John Foster Manzikala - een ja-knikker en vleesgeworden imbeciliteit - de  nieuwe eigenaar geworden.  Hij kwam uit de streek en was een tijdlang klerk op Kurukwata geweest nadat hij samen met Lumumba in de gevangenis had gezeten. 

 

Staande lamp

 

            Tijdens onze stagetijd in Yangambi toonden anciens trots hun schemerlampen gemaakt met de stam van een ‘koffieboom’.  Ook wij hadden belangstelling voor dergelijk verlichtingsmiddel  Wanneer men de lagen schors verwijderd komt het gladde ivoorkleurige getordeerde hout te voorschijn. De enige moeilijkheid was het vinden van een éénstammige koffiestruik die het uitroeiingproces had overleefd. Het duurt een 30 jaar vooraleer  een stam in aanmerking komt voor een  gebruik als lampstaander. Na lang zoeken vonden we in de buurt van Niangara een stam die aan alle voorwaarden voldeed. Weken heeft Jacqueline gewroet om de knoestige stronk van zijn schorslaagjes te ontdoen.  We hebben een filmpje waar je haar, in de relatieve koelte van de barza, een achtmaands buikje torsend, in ijltempo ziet ontschorsen.  Tot eindelijk het gladde gedraaide prachtstuk naar de timmerman kon worden gebracht om het op een voetje te zetten.  Op 14 juli 1959 komt een ontdane timmerbaas terug met een gladgeschuurd paaltje.  De heerlijkst gedraaide koffiestam van Afrika was alle bulten en uitsteeksels kwijt. Niet de leerling tovenaar maar de leerling timmerman had juist op die dag zijn verstand kwijtgespeeld, mayele akimi en zodoende met een paar fikse schaafstoten het wekenlange labeur van vrouwlief naar de vaantjes geholpen.

            Ce n’est pas fini.  ‘t Mooiste moet nog komen. In plaats van de verhoopte schemerlamp-op-voet-met-bijpassende-kap, kregen we een paar uur later een tweede zoon.  Laten we aannemen dat ingevolge de alteratie door de leerling-timmerman veroorzaakt Johan zoveel weken te vroeg werd geboren als de duur dat Jacqueline aan haar stronk had gezwoegd.

            Eén week later op 21 juli 1959 organiseerden we thuis  een doopfeest voor Johan Jozef Wilfried Maurits, geboren op 14 juli.  Afgezien van het feit dat Johan  ter wereld kwam op de Franse nationale feestdag en gedoopt werd op de Belgische nationale feestdag zou later blijken dat deze bijzondere feestelijke aangelegenheid waar alle collega’s, zwart en wit, aanwezig waren,  later zou worden herinnerd als de laatste ‘vredige’ viering van een ‘Belgische’ nationale feestdag in Afrika.

            P.S.: na een lange zoektocht doorheen de Uele kon een tweede ‘koffiestam’ op de kop worden getikt.  Voor het ‘voetje’ werd echter beroep gedaan op een Brugse timmerman die deze taak tot een goed einde bracht. 

            Ondertussen waren we ‘einde-term’ en moesten we terug naar het moederland.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jozef Van Mullem om 14:04 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - DEEL TWEE: TUNESIE - HOOFDSTUK 6: MANOUBA - pleisterplaats

DEEL TWEE:TUNESIE

 

Hoofdstuk 6: Manouba

 

home is where the heart is

 

           

                            Pleisterplaats

 

            Manouba was de pleisterplaats waar bijna zeven jaar lang (van 1967 tot 1973)de technische assistentie zijn huiselijke dimensie kreeg.  Een ruime en warme plek.  Manouba.  Een schelp, een coquille sainte Jacqueline,  waar het prettig toeven was.

            Een wit gestrekt gebouw ingebed in een decor van opgeschoten cipressen, mispelaren en laurieren en kleurige vlekken van mimosa en kerstrozen werd bereikt via een honderd meter lange ingangsdreef aan beide zijden geflankeerd door 21 volwassen palmbomen met ertussen hibiscus, veelkleurige oleander en pelargonium.  Het witte landhuis met breed terras was getooid met  een vlammende bougainvillea van beneden tot boven als een rode fez op  zijn kant.

            Dit groene decor was de uitverkoren woonplaats van honderden vogels van in de vroege ochtend bezig de omgeving op rumoerige stelten te zetten.  Ook de aanpalende boomgaard, vol sinaasappelbomen en één pompelmoesboom, waren het domein van de vogels. Pompelmoes is mannelijk zo kan hij overleven midden al de vrouwelijke sinaasappelbomen met hun bloesems die een parfum verspreiden dat zelfs Paverotti kon begeesteren want hij stopte het in flesjes.   In het late najaar, wanneer de bloesems in ooft zijn omgezet, verliezen de sinaasappelbomen als bij tover hun vruchten.  Ook de naast mijn kantoor ingeslapen kromme vijgeboom  was ieder jaar een zelfde lot beschoren.  In één nacht verdwijnen al zijn meestal nog niet rijpe vruchten. Alleen de pompelmoes bleef, omwille van de bittere smaak van zijn vruchten, gespaard. 

            Op het erf liggen overblijfsels van Romeinse origine.  Een elegante marmeren sarcofaag, drie afgebroken zuilen, enkele amforen, een  reusachtige  platte steen van een pletmolen en een enorm Corinthisch kapiteel.  Voorwerpen die door de bouwheren, de gebroeders Sourd, waren verzameld. 

            De tuin als een park was het speeldomein van Filip, Johan en Patricia en van Wapi, een nukkig ezeltje.  Als Indiaan of cowboy verkleed verbleven ze in hun boomhut, hun ‘kamp’, een ingewikkelde constructie hoog in de bomen, opgetrokken met de  overblijfsels van kratten en kisten waarin het uit België opgestuurde materiaal voor het Station Expérimentale de la Manouba, was verpakt.      

            Enkele jaren vóór  Tunesië de Franse protectie van zich afschudde bouwde de familie Sourd de villa als een klapstuk op een rijk en geslaagd leven als colon. Het tuinbouwbedrijf, officieel la ferme Dupleix, in de volksmond chez le roi de l’abricot werd in het verlengde van de officiële kolonisatie, die op het einde van de vorige eeuw vorm kreeg, opgericht.  Het bracht de kleine Europese boer, merendeels van Franse oorsprong, naar Tunesië. 

            Wanneer op 12 mei 1964 de nieuwe bewindvoerders met één pennentrek alle koloniale gronden inclusief bedrijfsgebouwen, vee, materiaal, voorraden en te velde staande gewassen naasten, waren de gebroeders Sourd eigenaars van een 250 ha groot  bevloeid tuinbouwbedrijf,

            Op de  vruchtbaar gemaakte grond werden olijven, druiven, tarwe en amandelen geteeld.  Vruchten die reeds in de chera  rond Carthago op het einde van de 4de eeuw  vóór Christus, werden geproduceerd. Ook artisjokken, meloenen en asperges waren dan al klassiekers.  Later werden vijgen, granaatappelen en peren door de Romeinen geïntroduceerd. 

            Al die teelten met hun moderne soorten vond men in 1964 op het bedrijf van  de gebroeders Sourd terug naast boomgaarden met  perelaars, pruimelaars, abrikoos- en perzikbomen, een grote wijngaard en uitgestrekte velden tomaat, aubergine en pepers in de zomer, artisjokken in de winter.

            In de onmiddellijke omgeving  van het woonhuis stond een usine de vinification, een wijnfabriek van behoorlijke afmetingen. Tijdens de vendange, wanneer mannen met hun voeten, in grote kuipen op het ritme van Arabische muziek, de druiventrossen tot een weinig smakelijk uitziende mostbrij kneusden en verpletterden, werd de hele omgeving beroerd door een doordringende geur van onvolmaakte wijn.          

            Van op het grote terras hadden we ‘une vue imprenable op een licht golvend groen-blauw gekleurd landschap door Bernlef verwoord:

“U kent ze wel, die vage blauwe bergen waarnaar geen wegen voeren maar die toch bereikbaar lijken”.

            Niet ver weg de overblijfsels van een Romeinse aquaduct.  Die Romeinse waterleidingen zijn soliede constructies die de tand des tijds hebben getrotseerd.  Ze werden tot in de moderne tijd gebruikt voor de aanbreng, over grote afstanden, van zoetwater.  Vele werklui van het station hebben de zware grote blokken als steunpunt voor hun onderdak uitgekozen.  Ezels, kippen en honden stoeien er met de kinderen in een harmonie die alleen in zonnelanden te vinden is.      

            Het is evident dat we tijdens de eerste maanden in dit voor ons volstrekt nieuw  milieu  geconfronteerd  werden met  de klassieke ingrediënten van  aanpassing en integratie.   Toen we op 27  maart  1967 met de ganse familie onze intrek namen in het ruime huis, waren enkele kamers vol gestouwd met stoelen, tafels, enkele tapijten en ander meubilair.  Een paar dagen later komt een zekere mijnheer Zitouna, plaatselijk autoriteit, zomaar een tapijt en een aantal stoelen opeisen.  Niet gelijk welke stoelen maar juist  die stoelen  die Jacqueline voor eigen gebruik had uitgezocht. Doordat ze meteen en kordaat zei dat dit niet mogelijk was bleven we nadien van dergelijke verzoeken gespeend.

            De witte villa had veel charme en klasse.  De brede marmeren trap die in een elegante zwaai beneden met boven verbond   hoorde  thuis in een klassiek landhuis. Ze bood een supplementair voordeel.  Wanneer de nacht snikheet beloofde  te worden brachten we de bedden naar beneden en sliep  de ganse familie onder zijn marmeren koelte. De kamers waren  anders ruim genoeg en de overloop zo breed dat de kinderen er bij minder goed weer in konden voetballen.

            In vakantieland Tunesië zijn er ook minder clemente seizoenen. Tijdens de wintermaanden wordt men soms overvallen door een gure wind en korte hevige regens.  Verrassend ongezellig.  Om de koudere maanden op te vangen hadden de Sourds een update van een Romeins verwarmingssysteem geïnstalleerd.  Het opgepompte water werd via een met kolen verwarmde ketel door een circulatiepomp in leidingen die enkele centimeter onder de vloer lagen, gebracht.  Na onze intrek in het huis liet  het circulatiesysteem het na korte tijd afweten. Ondertussen hadden we kennis gemaakt met de nadelen van dergelijk systeem.  Bij onweer vielen we  gewoonlijk zonder electriciteit waardoor én waterpomp én circulatiepomp uitvielen.  Jacqueline heeft eens, alleen thuis en met een professor op bezoek, de ganse trammelant meegemaakt.  De elektriciteit was ingevolge een  avondlijk onweer uitgevallen zodat de verlichting en de pompen stilvielen.  De kolen in de ketel bleven evenwel rustig verder branden.  Slechts één reactie was mogelijk. Zo snel mogelijk de gloeiende massa kolen naar buiten brengen en op het plein voor de garage deponeren.

            Omdat het ondergrondse netwerk niet waterdicht was, hebben we  tijdens de zomer in de woonkamer een schouw gemetseld waardoor  we een ordinaire petroleum  kachel konden installeren.  Adieu Romeinse verwarming.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jozef Van Mullem om 14:19 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - DEEL TWEE: TUNESIE - HOOFDSTUK 7 - WATER

Hoofdstuk 7 : Water

 

Quand la rivière est en crue, ce sont des génies qu’elle escorte, ce n’est pas de l’eau.

 Poésie marocaine

 

 

            Sedert het begin der tijden raakt het water het hart van Tunesië.  De eerste regen na het droog seizoen wordt als een geschenk uit de hemel ervaren.  De uitzaaiïng van het koren is niet mogelijk zonder herfstregens, zonder lenteregens is geen oogst te verwachten.  Tunesië is niet alleen afhankelijk van zeewinden die vanuit het Noorden regen brengen, maar moet ook landwinden  uit het Zuiden trotseren, zoals de vreselijke sirocco, waarvan de brandende adem zich laat voelen tot in de meest noordelijke streken. 

            Het natuurlijke waternet, uitgezonderd in het Noorden, is totaal onvoldoende.  De wadi’s die slechts water voeren na een forse regenbui, enkele uren of hoogstens een paar dagen per jaar, bereiken zelden de zee. Alleen de Medjerdah met haar bijrivieren, bijzonder die van de rechteroever die het water uit de Atlasuitlopers aanvoeren, is een echte rivier.  Het is de Medjerdah die via een complex van dammen, pompstations, betonnen kanalen en sluizen, het water voor de irrigatie van onze teelten levert.  Water is het waarom achter ons verblijf in Manouba.

            Wanneer de werkzaamheden van de dag zijn afgelopen gaan de gentleman-farmer  en zijn familie, tussen de vertikale cypressen uit Jezus’tijd het kleurige decorum van de velden gaan verkennen:  rood voor tomaten, paars voor aubergines en  geel voor pepers.

            Alhoewel het in 1970 niet zoveel meer voorkwam stonden  we toch één keer oog in oog  met een overblijfsel van de ancestrale pastorale landbouw.  Een horde Nomaden uit het Zuiden met kamelen, karren en muilezels, vrouwen en een rits kinderen, trok , op weg naar de groene weiden en de graanvelden van het Noorden, rumoerig aan het station voorbij. 

Essentiëel tijdens de pre-kolonisatie periode was de strijd tussen de pastorale en de gevestigde landbouw.  Dit was voor de ontwikkeling van de Maghrebijnse landbouw zeer belangrijk en vloeide voort uit de kontra-sterende ecologische voorwaarden in het Noorden en het Zuiden. In het Noorden is “duurzame” akkerbouw mogelijk, hoe dieper men zuidwaarts trekt, hoe duidelijker het wordt dat de trekkende veeteelt de dominerende bestaansmogelijkheid vormt.  Het wrijvingsvlak tussen beide zones ontstaat waar de beide vormen van landbouwproductie elkaar ontmoeten.  Alhoewel in dit contactgebied een zekere symbiose voorkomt tengevolge van de complementariteit en de ruilmogelijkheden tussen beide vormen, staan in wezen, de ambities, zowel van de nomaden als van de gevestigde boeren, regelrecht tegenover elkaar.  De herders willen naar de groene weiden in het Noorden, landbouwers willen hun velden uitbreiden tot diep in het binnenland.  Bereikt men een compromis dan is het steeds ten koste van de meest productieve valorisatievorm.  De zich vasthechtende landbouw kan zich maar vesigen in zuidelijker gelegen landstreken wanneer bevloeiingssystemen worden geschapen.  Het oprichten van irrigatiesystemen onderstelt: een gevestigde macht, een foutloze organisatie, een verwijderen en en uitschakelen van het nomadisme.  Omgekeerd kunnen we stellen dat een opbloei van het nomadisme samengaat met een afzwakken van de gevestigde ode, hezt verval van de irrigatiepoloitiek, een inkrimping van de bewerkte akkers, een verslechting van de algemene toestand.

            Van Huize Manouba liep in de zomer een dagelijks spoor naar de Middellandse zee.  Koningin Elyssa, bijgenaamd Dido, de vluchtelinge na de moord op haar echtgenoot, wist goed wat ze deed toen ze zowat 2.800 jaar geleden king Pygmalion van Tyrus, haar broer, ontvluchtte en langs de boorden van wat nu de Golf van Tunis wordt genoemd, Carthago stichtte. De gunstige ligging in de Golf van waaruit de snelle zwarte Punische schepen de zeeën kunnen  beheersen speelde daarbij een belangrijke rol.  Toen het zeevolk uit Fenicië voor ‘t eerst de Golf binnen vaarde zagen ze aan de horizon het symbool van hun oppergod Baäl, de gehoornde koning.  Gunstig voorteken want het heeft de stichters van Tunis en Carthago beslist geen windeieren gebracht.  De Bou Cornin, tweehoornig vadertje, is het best zichtbare oriëntatiepunt van de kust gebleven.  Het kreeg die naam omdat de kruin in een gladde boog, twee horens vormde. 

            Recht tegenover de Bou Cornin domineert Sidi Bou Saïd, de Golf van Carthago en de wijde zee.  Het wit-blauwe dorp met het vermaarde café des nattes, verzamelplek van schilders, poëten en toeristen, heeft zijn charmes.  Bij zonsondergang, wanneer de roze flamingo’s, de vlammende vogels - flamants, flambant - hun lethargische één-potige houding verlaten, stort Tunis en omgeving zich weer in het bruisende leven, een lawaaierige en geurige heksenketel. Maar voor ons, en misschien ook voor haar, is het azuren zeewater, inclusief de koele bries, een bron van levensgenot.

 

 

 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jozef Van Mullem om 14:24 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - DEEL TWEE: TUNESIE - HOOFDSTUK 8 - AFRICA PROCONSULARIS - Romeinse villa

Hoofdstuk 8: Africa Proconsularis   

When we build let us think we build for ever

          John Ruskin

 

 Romeinse villa

 

            Tijdens het Africa Proconsularis, toen het huidige Tunesië met het Oosten van Algerije een groot tarweveld vormde, woonden waarschijnlijk Romeinse kolonisators op de terreinen van het  Station Expérimentale.

            Als bewijs dit verhaal.  Op een goede dag besliste  men bij onze buren die de overige hectaren van de boerderij Dupleix  beheerden, om met een wroeter een veld dat in het midden een grote bult vertoonde,  klaar te maken voor de aanplant van fruitbomen.  Een wroeter is een soort ploeg die zeer diepe voren trekt en regelrecht de bodem opensnijdt. Aan de bult aangekomen haalde de wroeter resten van een Romeinse woning naar boven.  Gebroken vaatwerk, marmeren blokken, voetstukken, allerhande brokstukken, lagen, na een verblijf van vele honderden jaren onder de aarde, open en bloot onder de Tunesische hemel.  Uren hebben onze  aspirant archeologen het puin doorzocht.  Een paar emmers scherven,  enkele stukken waterleiding, een paar olielampjes waren de buit.  De grote  marmeren blokken hebben we tijdens de constructie van het laboratoriumgebouw van het station in het terras kunnen integreren.  Zonder het te weten volgden we daarmee het voorbeeld van Kairouan, het Afrikaanse Mekka, dat, onmiddellijk na de Arabische verovering, gebouwd werd met o.m. de resten van een kroonlijsten van Romeinse tempels die in de stadsmuren werden ingemetseld. Stenen van altaren die vroeger dienst deden als offertafels voor heidense goden werden gebruikt als  muurvoeten.  Bij ons bezoek in 1997  bleek het ganse complex van laboratorium- en kantoorgebouwen netjes gewit.  Alles gaf een ordelijke propere indruk.  Op mijn vraag wat er gebeurd  was met het terras en de mooie marmeren blokken kreeg ik als antwoord dat men  die ongelijke stenen met een laagje beton had bedekt.

Teburbo Majus, Dougga, Utica, Testour, Thibar, Medjez el Bab... 

            Zoveel plaatsen waar het goed toeven was.  De wonderbare wereld van Dougga,  het Romeinse plaatsje waar we in het amfitheater Oedipe Roi door de Comédie française zagen opvoeren. Op andere dagen kon men er, zich honderdman of  Vestaalse  maagd wanend, rustig wandelen langs de hobbelige straatjes, tussen de overblijfsels van een cultuur die er talrijk en achteloos lagen rondgestrooid. 

            Ook  het zeer Spaans ogende Testour, het vroegere Tichilla, midden de vruchtbare vlakten van het Noorden, had veel te bieden.  Meermaals  kwamen we in  Thibar, de grote landbouwonderneming van de Witte Paters, de bekende producenten van vieux Thibar, een alom geprezen rode wijn en van een even klassiek wit wijntje de  vin de messe.  In de jaren na de eerste wereldoorlog produceerde de toenmalige pater wijnbouwer met de resten van een vendange een distillaat, een eau-de-vie.  Deze brandewijn bleef, min of meer vergeten, tientallen jaren in de kelders van Thibar liggen.  Wanneer het goedje, na al die jaren,  op flessen werd getrokken en verkocht als fine de Thibar, bleek het te kunnen wedijveren met de allerbeste Franse cognac. 

            Ook ‘Witte nonnen’ hadden in Thibar een kloostergemeenschap.  Zij produceerden geen wijn maar wel degelijke handgeknoopte tapijten in hun school waar de traditionele tapijtweverij met Romeinse motieven werd aangeleerd. Dergelijke tapijten werden niet industrieel geknoopt.  Wanneer je je zinnen op een Thibar tapijt had gezet, moest je na de bestelling minstens twee jaar geduld oefenen vooraleer het begeerde stuk kon worden afgehaald.

            Er huisde een ooievaar op de  schouw van het klooster van de Witte Paters in Thibar.  Of was het een kaalkoppige  maraboe?  Een maraboe is een ooievaarachtige met een naam afgeleid  van het Arabische merabet wat klooster betekent.  In Noord-Afrika is maraboe ook de titel die een bijzonder vrome muzelman na zijn dood wordt toebedeeld.   Witte pater en maraboe, is er in Noord-Afrika een betere combinatie denkbaar?

            Het meest kwamen we in de streek van Utica, driehonderd jaar vóór Carthago gesticht, op het 1.000 ha uitgestrekte  domein van onze vriend Abes Feriani.  Een model bedrijf met wijn- en boomgaarden, traditionele en ook meer recente teelten zoals peppermint en groene asperges. Het domein bezat ook  een  eigen stuk Romeinse aquaduct.  Niet zo robuust en hoog als die van Manouba maar op een elegantere manier in het landschap verscholen.  We gingen er regelmatig heen, de jongens te paard, de jongedames met de koets en wij, de volwassenen in een aftandse jeep zonder remmen.  Op het bedrijf werd de beste ricotta van de streek geproduceerd.  In de glazen flonkerde de vin de l’amitié, het edele vocht gebotteld als Chateau Feriani  door onze gastheer, de beste wijnboer van Tunesië. Nu en  dan  konden  we  ook  -  teken  des  tijds -smullen van de cochonaille die, na het slachten door een Belgische beenhouwer van het vetgemeste varken, ter plekke  werd klaargemaakt.  Hoe ongerijmd het ook moge klinken, men startte in Moslimland Tunesië, in het begin  van de zeventiger jaren, een N.G. project voor het vetmesten van varkens.  Een Waalse beenhouwer was daarvoor naar Tunesië gehaald.  De bedoeling was varkensvlees te produceren voor de toeristen.  Onenigheid over de manier waarop de zaak moest worden gerund, waarbij vooral het idee dat varkens liefst zo zwaar mogelijk moesten worden vetgemest tot katastrofale resultaten leidde, deed het project een langzame dood sterven. Maar de beenhouwer bleef in Tunis en werd concierge op de Belgische Ambassade.  In zijn vrije uren bleef hij, zeer tot het genoegen van Belgen en anderen, zijn vroeger beroep uitoefenen.

            Medjez el Bab, op 60 km van Tunis, was een ander oord met voor ons magische klank.  Je bereikte het lage gestrekte landhuis na een lange rit door een dreef van amandelbomen waarvan de bloesems - Bouquets éclatants, d’une rose très pâle, presque blanc, offrant l’exemple de l’espoir jamais détruit  (Barjavel) -, kunnen wedijveren met die van sinaasappelbomen en koffiestruiken.

            In het riante huis, in koloniale tijden het verblijf van de rentmeester van een 6.000 ha groot domein in Belgisch bezit, woonde goede vrienden.  Hij was de directeur van het Collège Nord-Africain de Machinisme Agricole et de Génie Rurale, een FAO project met steun van de Wereldraad van Kerken.  Het grote domein was een indrukwekkende rest van de Franse  politiek tijdens de protectoraatsperiode.  Een politiek  van rechtstreekse administratie gericht op het bevolken van het land met Europeanen, zoveel mogelijk Fransen.  De feodale meesters werden  door concessiehouders vervangen, de ancestrale bezetters werden huurders.  De overgang van latifundia naar koloniale eigendom werd in de hand  gewerkt door  de zwakke verbondenheid van de inheemse boer met de grond.  De eerste kolonisators hielden het vooral bij het planten van de wijnstok.  De later komenden doen bij voorkeur aan graan- en veeteelt. Het domein van Medjez el Bab behoorde tot die tweede groep.  De eigenaars woonden in België, de rentmeester in Tunis en de aan deze laatste ondergeschikte bedrijfsleider ter plekke in het mooie huis. 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jozef Van Mullem om 14:43 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - DEEL TWEE: TUNESIE - HOOFDSTUK 9- LA SEM

De zes fasen van een project:

1. Enthousiasme

2. Desillusie

3. Paniek

4. Zoektocht naar de schuldige

5. Straf voor de onschuldige

6.  Lof en eerbetuigingen voor de niet-deelnemers

Hoofdstuk 9: 

La Station Expérimentale de la Manouba(SEM)

 

          

           Ik arriveerde op zondag 29 januari 1967, onze tiende huwelijksverjaardag, in Tunis met als enige professionele bagage een exemplaar van het Accord Particulier  van 18 september 1966 waarbij in de périmètre irrigable de l’Office de la Vallée de la Medjerda (O.M.V.V.M.)  een Station Expérimentale de la Manouba (S.E.M.) werd opgericht. Naast enkele  mondelinge aanbevelingen van Profesor Lode De Wilde, promotor van het projekt en enkele contactadressen,  was dit ongeveer alles waarmede moest worden gestart.

            Een klassiek voorbeeld van een  gemoedelijk Belgisch begin.  De moederlandse administratie wist dat je de gebrekkige voorbereiding door een jeugdige inzet zou compenseren.  Verder werd gehoopt dat je spelenderwijs met de administratieve mallemolen van het nieuwe land zou leren omgaan.  ‘Al die willekeur van het moment, altijd weer opnieuw‘ (P.Muys).

            Geen houvast, geen draaiboek of richtsnoer.  Geen materiaal.  Het verslag van de pedologische prospectie  nog niet  ter beschikking.  De man die de kwaliteit van de toekomstige proefvelden moest beoordelen was confrater en vriend Paul die we kenden van vroeger in Belgisch-Kongo.  Hij woonde toen in Butembo en we hielden er halt tijdens onze reis naar Katalé in Kivu.  De pedologie die hij daar beoefende, in het land der Banande, was van een heel wat wildere soort, midden olifanten en jagers op groot wild dan de gewone prospectie in het vredige Noord-Afrika.

            De streek was ook bekend om haar pygmeeën en ivoorsnijders.  Pygmeeën die we in de buurt van Beni hebben ontmoet.  De kennismaking beperkte zich tot het uitdelen van sigaretten en een paar filmopnamen.  Het was op dat ogenblik heel vredelievend.  Later, tijdens de troebele zestiger jaren bleken ze  echter ver van vredelievend te zijn.

            Tijdens diezelfde reis logeerden we te Beni in het hotel du Ruwenzori (13 kamers en 6 badkamers, electriciteit!).  Daar hebben we voor ‘t eerst in ons leven artisjokken gegeten, niet wetende wat een belangrijke rol, een tiental jaren later, artisjokken zouden spelen op ons Station.

            De landbouw in Tunesië is mediterraan en behoort tot een ecologisch areaal, wat anders is dan een gebied dat door economische kenmerken wordt bepaald.  Ze wordt niet alleen bedreven in de landen gelegen rond de Middellandse Zee, maar ook in zuidwest Arizona, in Californië, in Centraal Chili, op de zuidwest top van Afrika en in twee kleinere gebieden van Zuid-Australië.  Wie actief is in de tuinbouw van Noord-Afrika, heeft lotgezellen over de wereld. Tussen Tunesische en Californische tomaten is teeltkundig  weinig verschil. De natuurlijke dissociatie van warmte en vochtigheid ligt zowel in Noord-Afrika als in Amerika aan de basis van een aantal teeltproblemen.  De irrigatie problematiek werd daarom te Manouba een belangrijk onderzoekselement.

            Zover waren we echter nog niet die eerste maanden van 1967 in het druilerige en winderige Manouba.  Om onze goede wil te tonen werd een 3 ha groot veld beplant met Roma tomaten voor industriële verwerking.  Dit op empirische  manier gerunde veld werd door de inzet en het enthoesiasme van de medewerkers van het eerste uur, de eerste geslaagde Vlaamse veldproef in de drieduizendjarige geschiedenis van de Tunesische tuinbouw!  Weinig mensen zijn bij deze heuglijke gebeurtenis blijven stilstaan.  Voor het S. E. M. was dit tomatenveld, qua voorbereiding, uitvoering en een oogst van meer dan 120.000 kilogram,  een regelrechte Public Relations-stunt die de latere samenwerking met Tunesische collega’s heeft vergemakkelijkt. We hadden als het ware onze geloofsbrieven getoond. Ondertussen, we zijn al april 1967, wordt aan het O.M.V.V.M gevraagd om de percelen die door ons zullen worden gebruikt, op te meten.  De topografische opmeting werd nimmer afgewerkt.  Wat was opgemeten bleek later, toen we alles nog eens zelf hadden opgemeten, niet te kloppen met de werkelijkheid. Het initiële perceelplan werd om de haverklap gewijzigd.  De wijngaard mocht opeens niet meer worden gerooid.  Laaggelegen velden die regelmatig onder water liepen moesten worden geïntegreerd.

            Begin augustus 1967, 180 dagen na onze aankomst, werden een paar losse contouren van het proefstation zichtbaar.  Na drie dagen gedraaf om de zeven  verschillende  stempels  op de  papieren  te krijgen worden we de heuse eigenaar van een loods in losse stukken, een Ford trekker, een Brabantse ploeg, een aanaarder, 55 ton meststoffen, 300 kg phytoproducten waaronder DDT, meubelen voor één kantoor, klein landbouw alaam zoals sapes, een soort hakken verwant met de kukata coupé uit Congo. Onze hakken hadden korte stelen, terwijl in het gewest Faradje, bij de Logo’s, pientere mannen, de stelen meer dan twee meter lang waren.

            Vooralsnog geen sprake om er eens in te vliegen en de retrousser les manches wat de directeur van het O.M.V.V.M. de hoogste tijd vond om te doen.  De aangeduide proefpercelen kwamen niet tijdig plantklaar.  Het oogsten van de vorige teelten was op de lange baan geschoven.  Met de middelen op dat ogenblik ter beschikking konden we ook de vervuiling die de velden vertoonden, niet de baas. 

            Tijdens de zomermaanden probeerden we de loods in elkaar te zetten. Een gebruiksaanwijzing op de wijze van ‘meccano’ was er misschien wel bij maar geen gereedschap om de klus te klaren.  Dan maar in de stijl van het project, initiatief nemen, niet klagen en dank u zeggen wanneer we ladders, een talie, koorden, kruiwagens, sleutels en tangen bij elkaar konden krijgen.  De constructie werd tenslotte aangevangen,  met zes ‘handlangers’, een metser en zijn assistent, onder de gedreven leiding van onze medewerker Paul (Monsieur Quinze voor het werkvolk afgeleid van zijn, op zijn Frans uitgesproken naam: Waelkéns)    Zijn inbreng was niet alleen een behoorlijke bouwkundige kennis maar vooral een eigen set werktuigen.  Op korte tijd stond de loods overeind en werd er ook een betonnen vloer gelegd, een hellende oprit gebouwd en een aalput van zes kubieke meter gegraven.

            Stationsrapporten over het eerste jaar vermelden niet de inertie, de tegenwerkende krachten die moesten worden overwonnen.  We zaten midden in een gebied dat sedert millennia toonaangevend was op het gebied van de tuinbouw.  Magon  uit Carthago heeft het geboekstaafd, 28 volumes lang.  Ze werden in opdracht van Scipio Emilius,  na de verwoesting van Carthago, in het latijn vertaald.  De Romeinse  grootgrondeigenaars deden op hun beurt, oorlogsmoe, hun duit in het zakje.  Terwijl ze op hun domeinen in de provincies buiten Italië resideerden hielden ze zich onledig met de modernisatie van de land- en tuinbouw. Dit is heel lang geleden en voor de problemen van vandaag in Manouba irrelevant.  Relevant is dat wij hier zijn om een en ander te ‘presteren’ en dit  zoveel mogelijk ten bate van de Tunesische producent van tomaten, pepers en artisjokken.

            Negen maanden zijn we al in Manouba.  Het is een heel langzaam maar toch duidelijk work in progress.  We zoeken geschikte werklui.  We verzamelen de instrumenten  voor de grove werkzaamheden.  Niet alles kan door buren of sympathisanten  voor  langere  tijd  worden  uitgeleend.  Dan  maar  ’s  nachts gewerkt.  Mahmoud, mijn homoloog (kleinzoon van de laatste eerste minister van de Bey van Tunis) is al een paar weken bij ons.       

            Op 25 november 1967 was het dan zover.  Inhuldiging van het Station in aanwezigheid van minister Lassaad ben Osman en ambassadeur Panis.  Alhoewel deze laatste zelfverzekerd verklaarde dat wij al op kruissnelheid vaarden zou het nog tot 1969 duren, zegge en schrijve méér dan twee jaar na mijn aankomst te Manouba vooraleer al het materiaal en uitrusting ter bestemming was. Ondertussen schreef Lassaad ben Osman in het gastenboek: « Tous mes voeux de pleine réussite à ce projet très intéressant à plus d’un point de vue ». Daaronder schreef de Ambassadeur een diplomatiek statement:  « wat kan men daar nog (of beter) aan toevoegen?»

            Ondertussen waren we niet blijven stilzitten.  Op een bepaald ogenblik hadden we naast de drie hoofdteelten - tomaat, paprika en artisjok - waarop het merendeel der experimenten werd gedaan, meer dan veertig verschillende  groenten in observatie.  De meest fascinerende en volstrekt onorthodoxe was wel de productie van saffraan dit zijn de stempels van een krokus soort (crocus sativa)  die groeit in het Middellandse Zee gebied.  Deze specerij verving nog niet zo lang geleden in Tunesië tijdens de ramadan de eieren om kleur te geven aan banketgebak.  Wij hebben tijdens de eerste jaren van ons verblijf in Manouba dat conserveren van de eieren in kalk in de periode vóór de vastenperiode nog meegemaakt.

            Aangezien de krokusstempels tijdens de bloeitijd in de vroege morgen met de hand geplukt worden en er voor 500g saffraan zowat  200.000 stempels (70.000 bloemen) nodig zijn is het niet te verwonderen dat dit de duurste specerij ter wereld is.   Saffraan van goede kwaliteit heeft een feloranje kleur en een bijzondere zoete geur.  Onze totale productie - 45 gram - netjes in een blikken doosje verpakt heb ik voor 135 dinar verkocht aan het Hilton hotel van Tunis.

Gastenboek                 

            Het gastenboek dat we vanaf de eerste maanden te Manouba bijhielden vormt een leuke inventaris van de honderden bezoekers, meestal Belgen, die voorbijkwamen.  Voor de meesten lag  het Station terzelfdertijd in een heerlijk vakantieland.  Men kon er op een aangename wijze blijk geven van grote interesse voor het ontwikkelingswerk.

            Projectvader Lode de Wilde was in april 1967 met zijn echtgenote onze eerste bezoeker.  Hem zijn we dank verschuldigd voor zijn vermogen om vele hinderpalen uit de weg te ruimen.  Hij wees ook de weg naar Tunis en Manouba aan meerdere professoren van de landbouwfaculteit.  Allen hebben hun steentje bijgedragen tot het welslagen van het project.  Zij waren allen welgekome gasten.  Voor de kinderen waren al die personages van diverse pluimage grappige bronnen van  observatie.

            Een bijzondere herinnering blijft de notenbalk met de eerste muziekregel van de baion  “Manouba” door nonkel Roger tijdens zijn verblijf gecomponeerd.  Het werd één van de succesliedjes van radio  Tunis.  Ontelbare keren gedraaid naast andere zoals zijn “Mexico” waarvan  in de tijd van de World Cup voetbal, iedere dag, vóór het nieuws, afhankelijk van de beschikbare tijd, een aantal maten werden gespeeld.

            Op één april 1969, een heerlijke lentedag, kregen we een grote delegatie op bezoek geleid door minister voor ontwikkelingssamenwerking Raymond Scheyven.  Hij kwam kijken naar wat we al hadden gepresteerd en noteerde: avec le témoignage de ma gratitude et de mon admiration pour tout ce que vous faites pour la Belgique et la Tunisie et pour l’amitié entre les deux pays.   

            Twee jaar later, op 16 juni 1971, kwam hij nog eens terug en dan schreef hij : heureux du passé et du présent, certain de l’avenir »  Op dat ogenblik beleefden we het hoogtepunt van de Belgisch-Tunesische technische samenwerking.  Er waren een 200-tal Belgen werkzaam en de stemming op alle niveaus was opperbest.  Maar van zodra men vanuit België is beginnen sleutelen aan de organisatie en structuur van de samenwerking werden de kiemen van de afbraak gezaaid.  Certain de l’avenir  werd niet bewaarheid.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Jozef Van Mullem om 15:10 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - DEEL TWEE: TUNESIE - HOOFDSTUK 9B - afsluiter deel 2

           Felix Dalle van Kerk en leven kwam voor een reportage op bezoek en tekende wat in ons gastenboek.  Het staat hiernaast.  Voor alle duidelijkheid  nog eens de tekst: ZEGT  DE ARABIER : VERGEET NIET/HET BLOEMPJE OP TIJD/WATER TE GEVEN/HET BLOEIT /MAAR/EEN PAAR DAGEN/MAAR /HET LEEFT/LANG VOORT/IN ONS HART. (30/1/1969) 

           Alhoewel Gaston Derkinderen, toenmalige grote baas van het ABOS, in grote letters een boodschap naliet  voor zijn vriend de Wilde:  « Lode hier is het bewijs dat ik me geïnteresseerd heb aan het project van ‘Gent’.  Het zijn hier lieve mensen, (get.) Gaston », bleef de twijfel groeien omtrent de zin van het werk en het gevoel tegen stroom in te roeien. Het redetwisten  met de Belgische Dienst voor Ontwikkelingssamenwerking over alles en nog wat, werd onverminderd voortgezet.

            Na de overstromingsramp in de herfst van 1969 kregen we op 9 januari 1970 een hele meute bekende medialui over de vloer.  Vic Lories van de TV, Jan Lambin van de radio.  Tien journalisten van alle bekende Belgische kranten waaronder LDL en Jean d’Osta.  Het interview met Jan Lambin kwam onder de vorm van een paar flashes op de radio.  Ontdaan van voorwoord en nawoord klonken de uitspraken gedurfd.  Er kwamen verschillende reacties uit het moederland.  Bij sommigen rezen de haren ten berge.  In die tijd werd het vormen van een eigen kleine  mening weinig of niet geapprecieerd.  Stout waren we zeker  niet geweest.  Alleen maar een en ander vrijmoedig gezegd over de technische samenwerking van Belgen met Tunesiërs.

            In 1970 kwam de landbouwfaculteit van Gembloux  onder leiding van rector Ch. Bonnier langs.  Twee vermeldenswaardige feiten.  Gaston Rondia, onze collega van Fretissa, een project van de landbouwfaculteit van Gembloux, ontmoette bij ons zijn toekomstige vrouw die als laatstejaars studente aan de reis deelnam.  Een van de reisgezellen was ziek en werd thuis door Jacqueline verzorgd.  Tien jaar later werd Jean Lekeu mijn medewerker op de Belgische ambassade te Bonn.

            Op 9 mei 1971 mocht ik  een grote groep mensen van de FAO uit Rome onder leiding van directeur generaal Boerma, ontvangen.  Ik wou de personaliteiten een dronk aanbieden en vroeg onze boekhouder daarvoor te zorgen.  Hij opende met groots gebaar onze mooie (Europese) ijskast waarin het midden één flesje  spuitwater stond te pronken.

             Wij bleven nog tot in mei 1973 op de SEM...om daarna te 'emigreren' naar ...STOCKHOLM!

           

 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jozef Van Mullem om 19:25 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - DEEL DRIE: EUROPA -HOOFDSTUK 10: STOCKHOLM

hoofdstuk 10 :Stockholm

    

 Det finns en värld, somej förga

(Er is een wereld zonder einde)

Bo Setterland

 

Van warm naar koud

 

            De integratie in de Zweedse leefwereld kreeg een stevige duw van  een lokale muzikale groep.  Het moet begin 1974 geweest zijn dat we met z’n allen voor de televisie (na zeven televisieloze jaren in Manouba) zaten  in de als televisiesalon ingerichte ruime  overloop van ons riante huis gelegen in de straat met de toepasselijke (?) naam Lusthusbacken (de achterkant van het lusthuis) in Bromma, een voorstad van Stockholm. En wat niemand voor mogelijk had gehouden gebeurde, de Zweedse groep Abba won het songfestival met de song Waterloo. Zweden klom meteen een trapje hoger op de internationale kleinkunstladder.  En voor ons, verdween in de roes van die zege, endgültig het vorig leefmilieu.

            Uiteraard had het ruilen van het  zonnige levenslustige mediterane Afrika met het kale stijvere Noorden van Europa van alle familieleden een niet geringe inspanning gevraagd.  Maar Zweden en de Zweden boden ons een aantal faciliteiten waardoor het nieuwe leven, na korte tijd,  best te dragen viel. Er was een Franska Skolan, een Franse school, die voor de laatste jaren van de humaniora samen werkte  met  de cours par correspondance uit het Franse Vanves. Er was het ruime warme huis in Bromma romantisch gelegen aan de oever van de Mälleren met alles erop en eraan, sauna, drie open haarden, wijnkelder, tuin.

            De wijze  waarop het Zweedse ministerie van Buitenlandse Zaken het intens aanleren van de Zweedse taal (3 voormiddagen per week) organiseerde maakte dat Jacqueline, al na enkele maanden, de graag geziene gast was bij de Zweedse buren die ze grotendeels in hun taal te woord kon staan.

            En voor mij verliep de professionele ommezwaai, van Noordafrikaanse hereboer naar Noordeuropese boer-diplomaat, buiten  het aanleren van het Zweeds en het opfrissen van het Engels, rustig, zonder opwinding.  Je werd wel als een vreemde eend in de bijt op de ambassade, de nieuwe werkomgeving, ontvangen.  De ambassadeur vond het nodig een telegram naar Brussel te sturen  met de bede hem in te lichten wat die nieuwe snuiter in zijn ambassade kwam doen.  Het was anders een heel vriendelijke man, die helemaal op het einde van zijn carrière nog steeds ten zeerste begaan was met de sociale problemen op zijn kanselarij.                                                                                                                                                                                                                   

            Terwijl ik dit aan het schrijven ben, een 22 jaar later op mijn kantoor in 3330 Garfield street te Washington D.C. dwalen mijn gedachten terug naar onze integratie in de diplomatieke wereld.  Na Kongo, de Veeteeltdienst en Tunesië, was dit onze vierde challenge.

            Op de kanselarij in Stockholm verliep de  integratie wat stroef, om het diplomatiek uit te drukken, in de eerste plaats te wijten aan een geringe kennis van de diplomatieke geplogenheden, maar anderzijds omdat ik  botste op  een product van het establishment (nous, les vrais diplomates) die over een aantal zaken er een heel eigen mening op na hield.  De logistieke steun van je eigen departement maakte echter veel goed en op de ambassade was ik mijn eigen baas.  Twee ideale voorwaarden om de taak, die nimmer werd omschreven, naar eigen goeddunken, aan te vatten.  Weinig ambtenaren genieten tegenwoordig nog  van dergelijke faciliteiten. En toch was het niet allemaal koek en ei.  Door het ontbreken van richtlijnen liep je af en toe verloren in het labyrint van de Zweeds-Belgische landbouwpolitiek.  In 1973 wist ik dat allemaal nog niet.  In Stockholm heb ik dan ook heel veel kunnen leren.

 

Gijzeling

 

            Dé gebeurtenis tijdens ons verblijf in Zweden was de gijzeling op 21 maart 1974 op de Belgische Ambassade.  Hoofdfiguur  was een dertigjarige Fransman die zijn zoon of vermeende zoon die in België vertoefde, terug wilde.  Hij eiste dat de kanselier zou telefoneren naar het ministerie van Justitie te Brussel om zijn zaak te herzien want bij beslissing van het gerecht was het kind toegewezen aan een andere man.  Om zijn argumentatie kracht bij te zetten trok hij een pistool en haalde een pakje (explosieven volgens hem) boven. « Je moet geen angst hebben  maar nu moet je bellen » zei hij.  Onze kanselier had wel angst want de zesdaagse dramatische gijzeling op de Duitse Ambassade te Stockholm van een paar weken voordien, lag nog heel vers in zijn geheugen. De man bleef maar aandringen, vertelde hij nadien, een kwartier lang, tot een secretaresse het kantoor binnen kwam, en hij kon weglopen.  De man gijzelde dan maar de  secretaresse, bond haar vast aan een sofa, verbrijzelde twee ramen en stak het vuur aan de papiermand.  Hij dreigde de secretaresse neer te schieten wanneer zijn eis niet werd ingewilligd.

            Binnen de vijf minuten hadden zowat 50 politiemannen met kogelvrije vesten en gewapend zowel met zwaar geschut als met precisie geweren voor de snipers, de kanselarij omsingeld.  Na een lange en verwarde discussie kon de Fransman tenslotte praten met enkele journalisten en met de Zweedse televisie.  Hij wilde de ganse wereld zijn situatie uitleggen. De directeur van de Zweedse televisie, die eerst niet wou horen van een optreden van de Fransman voor televisie camera’s, moest dit later toch toestaan na een interventie  van de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken.

            Kort voor middernacht arriveerden de captatiewagens van de Zweedse televisie en verscheen de gijzelhouder gewapend met een pistool aan het raam. Het duurde nog tot na het morgenjournaal van zes uur.  Dan stelde de man zich ter beschikking van de politie, werd de secretaresse bevrijd en bleek het wapen een speelgoedpistool te zijn.  Ook het pakje bevatte geen springstoffen. De kanselier was enkele uren een beroemd man.  Ook  Edmonde Dever, de Belgische Ambassadeur, deelde in de roem, want ze had tijdens de nachtelijke discussie voorgesteld om de plaats in te nemen van de gegijzelde.

            Terug naar de beginfase van het drama.  Jacqueline kreeg thuis een ‘klassiek’  bedankingstelefoontje van een dame die na het tak for maten  zei  er is iets gaande op de Belgische ambassade, er is een terrorist...ze geven het op de televisie en zeg niets aan de kinderen.  Een melding die haar effect niet miste.  Maar de grote ongerustheid duurde niet lang.  Er kon vanuit een politiewagen worden getelefoneerd dat alle leden van de ambassade, de secretaresse van de kanselier uitgezonderd, heelhuids de kanselarij hadden kunnen verlaten via een raam en een bijgehaalde ladder van de brandweer.

 

Geloofsbrieven

 

            Een andersoortig evenement van hoge diplomatieke rang is de overhandiging, door een nieuw posthoofd, van de geloofsbrieven, aan de koning van het land waar hij of zij geaccrediteerd wordt. Ik was erbij toen in Stockholm op die gedenkwaardige 22 november 1973 drie mannen in rok (white tie) Son Excellence Madame l’Ambassadeur de Sa Majesté le Roi des belges en toilette de thé avec des gants, sans chapeau, mochten vergezellen naar het koninklijk paleis.    De mannen in kwestie waren  het reeds vermelde product van het establishment (drager van drie decoraties), onze kanselier, op dat ogenblik nog geen lokale beroemdheid (zonder decoraties) en ikzelf (één decoratie).  Het was een mooie groep: dame en drie heren  op weg  naar een koninklijk paleis !

            Het Zweedse overhandigingsprotocol werd vele jaren terug uitgewerkt en dateert waarschijnlijk van een tijd dat er nog weinig automobielen waren. Het was  door het Zweedse ministerie van Buitenlandse Zaken in het Frans opgesteld.  Het posthoofd-in-spe moest zich naar het Grand Hotel begeven waar het werd afgehaald  door een met vier paarden bespannen koninklijke galakoets, voorafgegaan door 2 pikeurs ofte rijmeesters en vergezeld van twee lakeien. 

            Bij aankomst aan het paleis wordt het posthoofd begroet door twee kamerheren die, twee foeriers van het hof vóór zich, de ambassadeur voorafgaan, wanneer deze het paleis binnentreedt.  Een intieme kamerheer (met staf) wacht bij de ingang van het appartement waar de audiëntie zal doorgaan.  Voorafgegaan door twee gewone kamerheren, gaat de intieme kamerheer, gevolgd door de ambassadeur,  het appartement binnen.  De twee kamerheren houden halt in het eerste salon. 

            In het tweede salon,  dit is het salon onmiddellijk naast de audiëntiezaal, bevinden zich de eerste maarschalk  van het hof, de chef van het militaire huis van de koning, twee intieme kamerheren, twee adjudanten (lijfwacht en hulp-lijfwacht) alsook twee kapiteins van de cavalerie.  Aan de deur van de audiëntiezaal staan twee hofjonkers.  Nadat de koning het bevel aan de hofmaarschalk heeft gegeven om het nieuwe posthoofd binnen te laten, worden, klein maar gewichtig detail,  de twee deurvleugels geopend wanneer het een postoverste met de rang van ambassadeur betreft en slechts één deurvleugel voor een posthoofd van lagere rang.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jozef Van Mullem om 11:28 Reageer op dit bericht

VAN KONGO NAAR AMERIKA - DEEL DRIE: EUROPA -HOOFDSTUK 11: BONN - kleine stad

Hoofdstuk 11: Bonn

 

                                                                       Ein Tag der sagt dem andern,

mein Leben sei ein Wandern

Tersteegen

 

 

Kleine Stad

 

            In Bonn, aan de Rijn, verbleven we 124 maanden.  Eerst in Bad-Godesberg, daarna in Bonn, in het  Johanniterviertel en tenslotte in Beuel-Sud.  Drie hoeken van het urbaan centrum dat ‘Groot-Bonn’ was geworden elk met een eigen karakter.  Bad-Godesberg ademde nog de stijlvolle rust van weleer.  Ietwat te vergelijken met Chelsea in Londen of Georgetown in Washington.  De Johanniterviertel  daarentegen was dat deel van het moderne Bonn waar het CDU hoofdkwartier verbroederde met de Britse ambassade bekend van John le Carré’s A Small Town in Germany.  We woonden er bijna vijf jaar maar omdat  onze huiseigenaar, Duitse diplomaat, onverhoeds uit Amerika naar Duitsland terug kwam, werden we verplicht uit te kijken naar een andere woonst.  Die vonden we aan de overkant van de Rijn, in Beuel-Sud, met de nadruk op Sud, de residentiële wijk van Beuel. 

            Stromen die steden doorsnijden zoals de Seine in Parijs, de Theems in Londen en de Rijn in Bonn, bepalen een prestigieuze kant en een overkant van minder allooi.   Het opdelen van Bonn zou tot in de tijd van de Barbaren terug gaan.  De meer beschaafde lui woonden beneden de stroom, in Bad Godesberg bijvoorbeeld en werden tegen de invallen van de Barbaren beschermd door de Rijn voor wie deze stroom, geruime tijd,  een onoverkomelijke  hinderpaal zou zijn geweest. De minder fortuinlijken woonden aan de andere kant.  In het stadje Beuel bijvoorbeeld.

            Tien jaar is vanuit diplomatiek oogpunt een zeer lange tijd maar omdat de Europäische Agrarwirtschaft tijdens die periode een euforische ontwikkelingsperiode doormaakte vloog de tijd voorbij. Daarenboven bleef ook het moederland niet stil zitten en  deed aan actieve handelspolitiek. De integratie verliep zonder storingen.  Professioneel  was de overgang van Skandinavië naar Duitsland en Oostenrijk, behoudens het aanleren van alweer een nieuwe taal, meer een overschakelen naar een andere versnelling.  De acties en activiteiten werden  breder en intenser.  En we waren dicht bij het moederland.  Wat zowel voor- als nadelen had.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jozef Van Mullem om 11:47 Reageer op dit bericht

Meer van VAN KONGO NAAR AMERIKA

↑ Terug naar de berichten