Berichten van 30 januari 2006 tot 5 februari 2006
The winds of change are blowing hard in my direction,
pablo neruda
En het was op die leeftijd...de poëzie was
naar me op zoek. ik weet niet, weet niet vanwaar
ze opdook, uit winter of rivier.
ik weet niet hoe of wanneer,
nee, geen stemmen, stemmen waren het niet, geen
woorden, geen stilte,
maar uit een straat werd ik geroepen,
uit de takken van de nacht,
plotseling, te midden van de anderen,
te midden van de felle vuren
of alleen op de terugweg -
daar stond zij zonder gezicht
en raakte me aan.
ik wist niets te zeggen, mijn mond
zag geen kans
iets uit te brengen,
mijn ogen waren blind,
en er sprong iets op in mijn ziel,
koorts of verloren vleugels,
en door die brand te ontcijferen,
smeedde ik
mijn eigen eenzaamheid
en ik schreef de eerste vage regel neer,
vaag, onvast, pure
nonsens,
pure wijsheid
van wie niets weet,
- en ineens
zag ik de hemel
opengaan
en zich mededelen:
planeten,
sidderende landouwen
en het donker doorschoten,
doorzeefd
van pijlen, vuur en bloeseming
de overompelende nacht, het heelal.
en ik, nietig wezen,
van de grote sterrende leegte
dronken,
ik naar gelijkenis en beeld
van het mysterie,
voelde mij zuiver deel
van de afgrond
en ik wentelde mee met de sterren
en mijn hart sloeg op drift in de wind.
rutger kopland
Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. je blijft
iemand op wie wordt gewacht.
weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. niemand
wacht want je bent er nog.
niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.
bart moeyaert
Er zijn plekken
waar ik zonder glimlach
niet meer langs kan.
ooit is daar een grap
verteld, een kus geroofd,
iets voor het eerst gedacht.
ter hoogte van mijn oor,
bijvoorbeeld,
heb jij me op een nacht
beloofd dat eeuwigheid
een leugen is, maar dat het
daarom tussen ons niet
minder lang gaat duren.
meer woorden waren er
niet nodig – een mond
spreekt van zichzelf al mooi
en huid heeft een geheugen.
jij blijft mijn hals, mijn navel,
mijn holte van mijn knie
voor altijd bij.
zonder glimlach kan ik
aan geen plek voorbij.
marc tritsmans
Dood, laat me niet lachen.
tot oppergod verheven,
werd je ego veel te groot.
terwijl je hebberig naar alle
lijven graait en vergeet waar
het echt om draait. met veel
misbaar verniel je slechts
omhulsel – dat ons toch alleen
gedonder geeft – zodat wat telt
weer alle vrijheid heeft. vuurwerk
dat uiteenspat, als gloeiende
gensters in wachtende harten
ongrijpbaar onderduikt. povere
mislukkeling: precies hetgeen je
hebben wilt ontsnapt je elke keer.
ann tronquo
de ochtend trok plotsklaps sandalen aan
het licht drapeerde zich door lamellen
en door mijn hoofd
het joeg mijn bloed zigeunerblauw de ijle hoogte in
was het mei geweest, had ik gewacht
had ik toegekeken hoe de avond
Bengaals rood onderging
zouden dagen zich tussen de bladeren haken
en had ik in rust genoten van het neervlijen op het mos
maar het was pril februari
gesmolten sneeuw spoorde nog de schoenenkast
en tot vorige avond rilde kou door mijn slaap
het was een voorjaar dat frontaal aansloeg
me meezoog uit bestofte voorkamers
het soort dat wees naar iets dat moest gebeuren
naar het plukken van vruchten voordat
bloesems groeiden
ik priemde de paarlemoeren lucht
volgde de lijn van vogels
hun gezang was hevig begonnen
ik zocht
stond met naakte voeten op versteende grond
de dood hield bomen nog uitgekleed
en geen lied
geen verlangen
hoe weelderig het uit me sloeg
deed leven uit zijn slapen springen
er gebeurde ondraaglijk niets

