|
De doodsangst in de Hof van Gethsemani - 2
Deze avond was er in Jeruzalem weinig lawaai. De Joden troffen in hun huizen de nodige voorbereidingen voor het komende Pesach. Op mijn tocht her en der zag ik ondertussen hier en daar enige vrienden en leerlingen van Jezus elkander ontmoeten, met elkaar meegaan en samen spreken; zij schenen zeer ongerust en vol vrees voor het een of ander noodlottig voorval. De Moeder van de Heer, Maria Magdalena, Marta, Maria van Kleofas, Maria Salome en Salome hadden zich van de eetzaal of het Cenakel naar het huis van Maria Markus (in de wijk Ofel) begeven. Verontrust door de geruchten die zij opgevangen hadden, waren zij van daar buiten de stad gegaan om nieuws over Jezus in te winnen. Hier nu kwamen Lazarus, Nikodemus, Jozef van Arimatea en enige verwanten uit Hebron bij hen en trachtten hen gerust te stellen en hun angst te kalmeren.
Hoewel deze vrienden, deels door persoonlijke aanwezigheid in de zijgebouwen van het Cenakel, deels door leerlingen op de hoogte gekomen waren van de droevige voorspellingen van Jezus tijdens en na het avondmaal, waren zij nog bij sommige kennissen van hen onder de Farizeeën op inlichtingen uitgegaan. Maar ook van dezen hadden zij niets vernomen, wat er op wees dat nieuwe stappen tegen Jezus ondernomen waren en dat men zo onmiddellijk een aanslag op Jezus wilde wagen. Ze zeiden dat het gevaar niet zo dreigend was. Zo kort vóór het feest zou men zich wel niet aan de Heer vergrijpen.
Maar zij wisten toen nog niets van het verraad van Judas. Maria sprak hun over de onrust en verwarring waarvan Judas in de laatste dagen blijk had gegeven, hoe hij de eetzaal verlaten had. Volgens haar vermoeden was hij zeker weggegaan om het verraad te voltrekken. Meermaals had zij hem gewaarschuwd dat hij een zoon des verderfs was. Hierna keerden de H. Vrouwen naar het huis van Maria Markus terug.

Toen Jezus in de grot was teruggekeerd en met Hem die storm van smarten, viel Hij met uitgestrekte armen plat ter aarde neer met het aangezicht ten gronde en bad tot zijn Hemelse Vader. Nu begon echter een nieuwe strijd in zijn ziel, die 3 kwartier duurde. Engelen naderden tot Hem en lieten Hem in een lange reeks van beelden al de folteringen in hun hele omvang aanschouwen, welke Hij zou moeten verduren tot voldoening voor de zonden. Zij lieten Hem zien, hoe heerlijk schoon de mens als evenbeeld van God geweest was, vooraleer hij de zonde bedreef en hoe zijn val in de zonde hem misvormd had. Zij toonden Hem de eerste zonde als oorsprong van alle andere zonden.
Zij toonden Hem de diepste betekenis en de ware natuur van alle zondige genoegens en de verschrikkelijke terugslag en gevolgen ervan op de krachten en vermogens van de ziel en lichaam van de mens. Zij toonden Hem eveneens de betekenis en aard van elk lijden dat tot straf moest dienen en dat aan elk zondig genoegen tegengesteld was. In het zoenlijden dat Hem voorgesteld werd, toonden zij Hem
- ten eerste een lichaams- en zielelijden toereikend om door de pijn ervan te beantwoorden aan de straffen die de goddelijke Rechtvaardigheid eiste voor alle zondelust van de hele mensheid; en
- ten tweede, een lijden dat, om genoegdoening te kunnen geven, de schuld van de hele mensheid strafte op de enige onschuldige Mensheid, de Mensheid van de Zoon van God, die, om de schuld en de straf van alle mensen, werkelijk en uit liefde op zich te nemen, ook in zichzelf de zege moest bevechten op de natuurlijke, aangeboren tegenzin voor lijden en dood.
Dit alles toonden Hem de engelen, nu eens in hele koren die een hele reeks beelden aan zijn oog lieten voorbijtrekken, dan weer als afzonderlijke engelen, die Hem een hoofdgebeurtenis voorstelden. Geen taal kan uitdrukken welke angsten en smarten Jezus‘ ziel doorstond op het zicht van die lijdenstaferelen, want Hij doorgrondde niet enkel de zin van alle uitboetingspijnen ter verdelging van de zondeschuld, maar ook de inhoud (het wezen) van de daarop betrekking hebbende foltertuigen. Hij werd niet alleen schrik aangejaagd door die foltertuigen zelf, maar ook door de zondige toorn van hen die ze hadden uitgedacht, door de woede en boosheid van hen, die in de loop der eeuwen er gebruik van hadden gemaakt en door het ongeduld van allen die, schuldig of niet, ermee gefolterd waren geworden.
Hij droeg en voelde inderdaad de zonden van de hele wereld. Al die martelingen en mishandelingen die Hem in een geestesaanschouwing te zien gegeven werden, vervulden Jezus met zulk een ontzettende schrik, dat ze Hem een bloedig zweet uit al de poriën van zijn lichaam persten.

Terwijl nu de Mensheid van Jezus in die overmaat van lijden verslagen en verschrikt verzuchtte, zag ik de engelen medelijden hebben. Er ontstond een kleine rustpoos en het was of zij vurig verlangden Hem troost aan te bieden en ik zag hen vóór de troon van God als het ware om verlichting voor Jezus bidden. Er scheen op dat ogenblik een strijd te ontstaan tussen Gods barmhartigheid en gerechtigheid en de zich opofferende liefde. Ik kreeg eveneens een verschijning van God, maar niet op een troon zoals gewoonlijk, maar in een lichtgedaante. Ik zag de goddelijke natuur van de Zoon zich in de persoon van God de Vader terugtrekken, zoals een zoon in het hart van zijn vader zou ingaan, en ik zag de persoon van de H. Geest uit hen en tussen hen, en toch was dit alles slechts één God.
Wie zou dat met menselijke woorden verstaanbaar kunnen maken? Ik had meer een inwendige gewaarwording door vormen dan een aanschouwing van menselijke gedaanten. In dit gewaarworden werd mij getoond hoe
- de goddelijke Wil van Christus zich om zo te zeggen in de Vader terugtrok, opdat zijn Mensheid, (beroofd van goddelijke troost) al het lijden zou kunnen (en moeten) verduren dat zij nu in haar smeking tot de Vader onder angstige worsteling, verzacht of van zich afgewend wenste te zien. De Godheid van Christus was één met de Vader en bestemde voor haar Mensheid het vreselijkste lijden, terwijl
- de menselijke wil van Christus tot de Vader bad juist dat lijden van Hem af te willen wenden.
Ik zag dit in de tussenpoos, toen de engelen uit medelijden Jezus verlangden te troosten en op dit ogenblik ontving Jezus werkelijk enige verlichting. Maar weldra verdwenen die voorstellingen; de medelijdende engelen die Hem verkwikt hadden, verlieten Hem weer en aanstonds omsloot een nieuwe kring van schrikbeelden de Heer.

Toen Verlosser zich in de Olijfhof als ware, werkelijke mens ten prooi gaf aan de bekoring en aan de macht van de menselijke tegenzin voor lijden en dood, toen Hij op zich nam ook deze tegenzin voor lijden en dood, die een onderdeel van ieder lijden is, te overwinnen, werd het de verleider toegestaan met Hem te doen wat hij aan ieder mens doet, die zich voor een heilige zaak wil opofferen.
- In de eerste doodsangst toonde satan Hem met verbeten woede de ontzettende grootheid van de zondeschuld waarvoor Hij wilde voldoen en dreef zijn aanvechting en onbeschaamdheid zelfs zo ver dat hij Jezus’ levenswandel voorstelde als niet vrij van zonden.
- In zijn tweede doodstrijd zag Jezus in al hun omvang de pijnen en smarten, die gevorderd werden om inderdaad aan de goddelijke rechtvaardigheid voldoening te geven.
Dit laatste werd Hem echter door engelen getoond, want het is satan niet eigen te wijzen op de mogelijkheid van een verzoening; de vader van de leugentaal en de wanhoop vestigt de aandacht niet op de werken van de goddelijke barmhartigheid.
- Nauwelijks had Jezus in volkomen onderwerping aan de wil van zijn hemelse Vader al die aanvechtingen zegevierend doorstaan of Hij werd door een derde angst overvallen: een nieuwe menigte schrikbeelden werden vóór de ogen van zijn ziel gevoerd. Nu rezen namelijk ook in zijn ziel de onrust en bekommernis op, die in ieder menselijk hart een zwaar en pijnlijk offer voorafgaat. Hij stelde zich de verschrikkelijke vraag: “Wat zal het nut van al dat lijden zijn? Wat zal er door gewonnen worden?” En deze vraag vervulde weer zijn bedroefde en beangstigde ziel, zijn liefhebbend Hart met de meest ontzettende toekomsttaferelen. (cfr. Jes. 49, 4)
** Na de schepping van de eerste mens zond God Adam een diepe slaap over, opende zijn zijde en ontnam hem één van zijn ribben en vormde ermee Eva, zijn vrouw, de moeder van alle levenden en Hij stelde haar nu aan Adem voor, die sprak: “Dit is been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees. De man zal vader en moeder verlaten om zijn vrouw aan te hangen en zij zullen 2 zijn in één vlees.” (Gen. 2, 23-24). Dit is het huwelijk waarvan geschreven staat: “Dit sacrament is groot; ik zeg het ten aanzien van Christus en zijn Kerk.” (Efez. 5,32).
Want Christus, de nieuwe Adam, wilde ook de slaap over zich laten komen, nl. de doodslaap aan het kruis;
Hij wilde ook zijn zijde laten openen, opdat de nieuwe Eva, zijn maagdelijke bruid, de Kerk, de moeder van alle levenden, daaruit gevormd zou worden. Hij wilde haar
- het bloed van de Verlossing,
- het water van de zuivering en
- zijn Geest geven,
de 3 die getuigenis afleggen op aarde. Hij wilde haar de sacramenten geven, opdat zij een zuivere, heilige en vlekkeloze bruid zou zijn; Hij wilde haar Hoofd zijn; wij moeten haar ledematen zijn, aan het Hoofd onderdanig, been van zijn gebeente en vlees van zijn vlees. De menselijke natuur aannemend met het doel de dood voor ons te ondergaan, had Hij ook zijn Vader en Moeder verlaten om zijn bruid, de Kerk aan te hangen en om één vlees met haar te worden. Dit doel bereikt Hij vooral in het H. Sacrament van het Altaar, waardoor Hij haar met zichzelf voedt en waarin Hij zich telkens opnieuw met ons als in een huwelijk verenigt.
Zo wilde Hij met zijn bruid, de Kerk, op aarde blijven, tot wij allen, in haar met Hem verenigd, in de Hemel zouden komen. En van haar heeft Hij gezegd: De poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. Om zijn onmetelijke liefde tot de mensen te kunnen tonen, was de Heer mens geworden en een broer van de zondaars, om de straf die zij door hun zonden verdiend hadden, op zich te kunnen nemen. Hij had de grootte van hun schuld en de omvang van het daarvoor gevorderde lijden met ontzettende droefheid gepeild en toch had Hij zich met offervreugde aan de Wil van zijn Hemelse Vader aangeboden om voor de zonden te voldoen.
Nu echter zag Hij de smarten, de strijd en de wonden van zijn toekomstige Kerk, zijn bruid, die Hij tegen zulk een hoge prijs wilde vrijkopen, nl. door zijn Bloed en des te smartelijker drukte op zijn ziel het zicht van de ondankbaarheid van de mensen. Aan de ziel van Jezus vertoonde zich verder al het toekomstig lijden van zijn apostelen, leerlingen en vrienden, het kleine aantal leden van de eerste Kerk. Hij zag hoe daarna, naar gelang de Kerk zich verspreidde, ketterijen en scheuringen ontstonden en hoe aldus de boosheid van de eerste zondeval zich in hoogmoed, ongehoorzaamheid, in ijdelheid en bedrieglijke zelfrechtvaardiging herhaalde.
Hij zag de lauwheid, de verblindheid en de grote boosheid van ontelbare Christenen; de vele drogredenen en bedrieglijke spitsvondigheden van hoogmoedige dwaalleraren, de schandelijke misdaden en heiligschennissen van slechte priesters en als gevolg van al dat kwaad de gruwel van de verwoesting in het godsrijk op aarde, in het heiligdom der ondankbare mensheid. Dat terwijl Hij op het punt stond ten koste van zijn bloed en leven onder onuitsprekelijk lijden de mensheid te kopen en te stichten. Ik zag alle schandalen van de wereld in een eindeloze reeks taferelen uit alle eeuwen tot in onze tijd. Ja, zelfs tot het einde van de wereld, aan het geestesoog van de arme Jezus voorbijtrekken.

In die taferelen zag Hij in al hun vormen de krankzinnige waanwijsheid, onbeschaamdheid, valsheid, fanatieke dweepzucht, het valse profetendom, de ketterse onbuigzaamheid en boosheid. Alle afvalligen, alle rechtvaardigsprekers van zichzelf, dwaalleraren en schijnheilige hervormers, verleiders en verleiden bespotten en pijnigden Hem, als was Hij in hun ogen niet goed gekruisigd, als was Hij ongepast aan het kruis geslagen, niet zoals hun lusten het wilden of hun waanwijsheid het goed vond. Zij verscheurden en verdeelden als om strijd het naadloze kleed van zijn Kerk. Ieder van hen wilde de Verlosser anders hebben dan Hij zich uit liefde gegeven had. Ontelbaren mishandelden Hem, bespotten en verloochenden Hem.
Ontelbaren zag Hij voorbijtrekken, die laatdunkend de schouders over Hem ophaalden en het hoofd schudden. Zij ontvluchtten de armen die Hij naar hen uitstrekte om hen te redden en spoedden zich naar de afgrond die hen verslond. Daarnaast zag Hij ontelbare anderen, die het wel niet waagden Hem openlijk te verloochenen, maar zij trokken lauw, geërgerd en walgend voorbij aan de wonden van zijn Kerk. Zoals de leviet met een boog de arme man voorbijging, die op zijn weg in de handen van vrijbuiters gevallen was, hoewel zijzelf die wonden hadden helpen slaan. Hij zag hoe zij zich van de gewonde bruid losscheurden, gelijk laaghartige en trouweloze kinderen, die hun moeder in de steek laten, wanneer zij ‘s nachts door inbrekende dieven en moordenaars overvallen wordt. Hoewel zijzelf door hun zondige levenswandel en zorgeloosheid de deuren hebben geopend.
Hij zag hen naar de buit hollen, die men naar de woestijn gebracht had: gouden vaten en stukgereten halssnoeren. Al deze, van de ware wijnstok afgesneden ranken, zag Hij liggen en legeren onder de wilde wijnstok. Hij zag die afgedwaalde mensen als schapen, die ten prooi gevallen waren aan roofzuchtige wolven, als een kudde die door huurlingen in slechte weiden gebracht was en die weigerde binnen te gaan in de schaapstal van de goede Herder, die zijn leven voor zijn schapen heeft willen offeren. Hij zag hen, zonder vaderland in dorre en eenzame woestijnen rondzwerven, zonder zijn stad die op een berg voor allen zichtbaar ligt, te willen bemerken.
Hij zag hen als zandgolven te midden van uitgestrekte woestijnen door tegenstrijdige winden heen en weer geslingerd worden, zonder eenheid of solidariteit, zonder dat zij het huis van zijn Bruid, zijn Kerk, die op de rots gebouwd is, met wie Hij beloofd heeft te blijven tot het einde van de wereld, wilden zien. Zij vertikten het door de smalle poort binnen te gaan, omdat zij weigerden hun stijve nek te buigen.

Hij zag hoe zij anderen naliepen, die niet door de deur, maar langs een valse ingang, een sluiptoegang binnendrongen. Op zand bouwden zij verplaatsbare, bouwvallige, veranderlijke hutten van alle soorten, maar zonder altaar en offer. Zij hadden windwijzers op hun daken staan en hun leer was even onvast en onzeker als die weerhanen. Onder elkander waren zij het nooit eens, maar in voortdurende onderlinge tegenspraak en hadden, net als nomaden, geen vaste woonplaats. Vaak sloopten zij hun hutten en slingerden de resten tegen de Hoeksteen van de Kerk, die onwrikbaar bleef. Dichte duisternis heerste in hun hutten en toch wilden zij niet naderen tot het licht dat in de woning van de Bruid op de kandelaar staat.
Met gesloten ogen dwaalden zij rond de omheinde hoven van de Kerk en het enige leven dat zij behielden, kwam hun van de kostbare geuren die zij uit die tuinen inademden. Zij strekten hun armen uit naar hersenschimmen, nevelbeelden en dwaalsterren, die hun de weg wezen naar waterloze bronnen. Aan de rand van de afgrond wilden zij niet luisteren naar de stem van de Bruid die hun waarschuwend toeriep, en, hoewel zij stierven van honger, bespotten zij met hooghartig medelijden de dienaren en boden die hen naar het bruiloftsmaal uitnodigden. Zij wilden de tuin niet binnentreden, uit vrees voor de beschermende doornhaag. De Heer zag hen, dronken van zelfgenoegzaamheid, van honger omkomen bij gebrek aan tarwe. Hij zag hen versmachten van dorst, bij gebrek aan wijn. Verblind door hun eigen dwaallicht noemden zij de Kerk van het mensgeworden Woord ‘onzichtbaar’. Jezus zag hen allen.
Hij weende en treurde over hen en wilde lijden voor al degenen die Hem niet zien, die hun kruis na Hem niet willen dragen in zijn Bruid aan wie Hij zich geschonken heeft in het H. Sacrament, in de stad die Hij op de berg heeft gebouwd, in zijn Kerk die Hij gegrondvest heeft op de steenrots en waartegen de poorten van de hel niets zullen vermogen. Die ontelbare taferelen van ondankbaarheid, misbruik en misvorming van de bittere zoendood van mijn Hemelse Bruidegom waren telkens opnieuw verschillend en afwisselend, dan weer waren het dezelfde beelden die smartelijk terugkeerden en opnieuw aan de beangstigde ziel van de Heer voorbijtrokken. In die taferelen zag ik hoe satan in allerlei schrikgestalten mensen van vóór Jezus’ ogen wegsleurde en wurgde, mensen die door zijn Bloed waren vrijgekocht.
Zelfs mensen die door zijn sacrament waren gezalfd. Jezus beschouwde en beweende al die ondankbaarheid, al dat verderf in de eerste, de latere, de hedendaagse en toekomstige Christenheid. Deze taferelen en verschijningen waartussen de stem van de verleider de Mensheid van Jezus telkens weer toefluisterde: Zie! voor zulke ondankbaren wilt Gij lijden. Ze overvielen de Heer zo onstuimig en waren vergezeld van zo’n uitdaging en bespotting en keerden zo herhaaldelijk met onverminderd geweld terug, dat een onuitsprekelijke vrees Jezus’ menselijke natuur benauwde. Christus, de Mensenzoon wrong zich de handen, viel keer op keer op de knieën als verpletterd onder het gewicht. En zijn menselijke wil voerde zulk een geweldige strijd tegen de weerzin om voor zulk een ondankbaar geslacht zo onnoemelijk veel en wreed te lijden, dat Hem een bloedig zweet in dikke druppels uit het lichaam brak en op de aarde neerstroomde.

Hij was zo angstig dat Hij om zich heen keek om hulp en dat Hij de hemel en de aarde en de sterren aan het uitspansel tot getuige van zijn lijden scheen te willen nemen. Ik meende Hem te horen uitroepen: Ach! is het mogelijk zo’n ondankbaarheid te verdragen? Legt u getuigenis af van mijn angst en nood!
Toen kreeg ik een indruk als kwamen de maan en de sterren opeens nader tot Hem. Op hetzelfde ogenblik voelde ik het klaarder worden. Hierdoor lette ik nu vooral op de maan en ik zag ze geheel anders dan gewoonlijk. Ze was nog niet vol en toch zag ze er groter uit dan bij ons. In het midden bemerkte ik een donkere vlek als een schijf die er vlak vóór geplaatst was en die zelf in haar midden een opening scheen te hebben. Uit deze opening nu straalde licht naar de nog niet volle en ronde zijde van de maan.
De donkere vlek leek een berg en rondom de maan was een lichtkring als een regenboog. In zijn vertwijfeling verhief Jezus gedurende enige ogenblikken met luide stem een angstige kreet en ik zag dat de 3 apostelen rechtsprongen, met de handen ten hemel verschrikt luisterden en naar Hem toe wilden lopen. Petrus weerhield toen Jakobus en Joannes en zei: Blijf hier, laat mij eens tot Hem gaan! En ik zag Petrus inderdaad gaan zien en de grot binnentreden: Meester, vroeg hij, wat overkomt U? En hij deinsde van schrik terug, toen hij Jezus daar zo zag, vol bloed en van vrees terneergeslagen.
Jezus echter antwoordde niet en scheen hem niet te bemerken. Dan keerde Petrus naar de 2 terug en zei dat de Heer hem niet had geantwoord en niets deed dan kermen en verzuchten. Nu vermeerderde nog hun droefheid. Zij bedekten weer hun hoofd en gingen neerzitten om te bidden onder tranen. Ik echter wendde mij opnieuw tot mijn hemelse Bruidegom in zijn bittere benauwdheid.
|