|
De doodsangst in de Hof van Gethsemani - 4
Omstreeks dit uur, 23.15u, waren de apostelen in de loofhut van Getsemane teruggekeerd en onderhielden zich een poosje met elkaar en legden zich dan te slapen. Zij waren buitengewoon ontsteld, ontmoedigd en door zware bekoring overvallen. Allen waren zij naar een schuilplaats gaan zoeken en met ongerustheid vroegen zij zich af: Wat zullen we aanvangen, wanneer zijn vijanden Hem ter dood hebben gebracht? Om Hem te volgen hebben wij ons werk laten staan, ons huis en alles wat we bezaten, verlaten. Wij zijn behoeftig geworden, een voorwerp van spot voor de wereld. Wij hebben ons helemaal op Hem verlaten en hoe is Hij nu onmachtig en ontmoedigd en zonder troost.
De andere leerlingen hadden eerst rondgedwaald en nadat zij bijzonderheden vernomen hadden over de dreigende voorspellingen van Jezus, hadden de meesten zich naar Betfage begeven. Ik zag Jezus opnieuw bidden in de grot en zijn strijd voortzetten tegen de natuurlijke afkeer voor zijn lijden. Hij voelde zich uitermate zwak en moedeloos worden en al beven bad Hij: Vader, indien het uw Wil is, neem deze kelk van Mij weg, maar niet mijn Wil, maar de Uwe geschiede. (Lk. 22, 42).

Nu opende zich voor Hem de afgrond en Hij aanschouwde langs een baan van licht vele trappen die naar beneden in het voorgeborchte van de hel afdaalden. Hij zag daar Adam en Eva, de aartsvaders, profeten en rechtvaardigen, de ouders van zijn Moeder en Joannes de Doper, die allen met zo’n vurig verlangen zijn komst in de onderwereld verwachtten, dat het zijn minnend Hart sterkte en bemoedigde. Zijn dood moest de Hemel ontsluiten voor die gevangenen, die zo vurig naar hun verlossing smachtten.
Hij moest hen verlossen uit die kerker, waar zo’n smartend heimwee hen verteerde. Nadat Jezus met diepe ontroering die toekomstige Hemelburgers uit het Oud Verbond had gezien, leidden de engelen onder een aanmoedigend wijzen met de vinger de stoet van alle toekomstige gelukzaligen voorbij Hem. Dezen waren het, die, hun lijden en strijden verenigend met de verdiensten van zijn lijden, zich door Hem met de Hemelse Vader zouden verenigen. Dit was een onbeschrijfelijk verkwikkend gezicht.
Allen gingen Hem voorbij volgens hun aantal, hun roeping, hun staat en hun waardigheid, versierd met alle verdiensten van hun lijden en goede werken. Hij zag dat zijn aanstaande verlossingsdood een onuitputtelijke bron van zaligheid zou openen en dat ontelbare heiligen er de vrucht van zouden zijn. Aan zijn oog trokken voorbij de apostelen, de leerlingen, de maagden en H. Vrouwen, alle martelaren, belijders en kluizenaars, de pausen en bisschoppen, alle scharen van toekomstige kloosterlingen, ja alle gelukzalige toekomstige Hemelingen. Allen droegen op het hoofd zegekransen, het loon voor hun lijden en overwinningen op zichzelf. En de bloemen van hun kronen verschilden in vorm, kleur, kracht en geur.

Die bloemsoorten groeiden als het ware uit de verscheidenheid van de smarten, van de gevechten en van de zegepralen, waardoor zij tot de glorie gekomen waren. Heel hun leven, al hun daden, de verdiensten van hun strijd en zegepraal, al het licht en al de kleur van hun triomf, beloning en verheerlijking, ontleenden hun waarde geheel en uitsluitend aan hun vereniging met de verdiensten van Jezus Christus. De wisselwerking tussen al die heiligen, hun wederkerige invloed op elkaar, en het putten uit één en dezelfde bron toverden een buitengewoon treffend en heerlijk schouwspel voor zijn ogen.
Niets scheen toevallig in hen. Hun werken, doen en laten, hun marteling en overwinning, voorkomen en kleding. Dit alles, hoe verschillend ook van elkander, smolt tezamen in één oneindig volmaakte harmonische eenheid. En deze eenheid in die rijke verscheidenheid ontsprong uit de stralen en lichtkleuren van één zon, nl. uit het lijden van de Heer, uit de smarten van het Mensgeworden Woord, in wie het Leven was, dat het licht der mensen was, dat in de duisternis heeft geschenen en wat de duisternis niet heeft begrepen. Wat hier in dit tafereel aan de zieleblik van de Zaligmaker voorbij gevoerd werd, was de gemeenschap van de toekomstige heiligen. Zo stond de Heer en Verlosser tussen - het smachtend verlangen van de aartsvaders en - de zegepralende stoet van de toekomstige gelukzaligen.
Deze beide legioenen verenigden zich en vermeerderden het aantal en vulden de volmaaktheid aan en vormden zich om het minnende Hart van de Verlosser als een schitterende zegekroon. Dit onuitsprekelijk indrukwekkend zicht schonk de ziel van de Heer, die het lijden van alle mensen op zich had genomen, enige troost en versterking. Hij beminde zijn broeders en schepselen zozeer, dat Hij met vreugde alle smarten en pijnen op zich zou hebben genomen, al had Hij daardoor ook maar een enkele ziel kunnen redden en winnen. Omdat deze verschijningen betrekking hadden op wat nog in de toekomst lag, zweefden ze op een zekere hoogte boven de aarde.
Spoedig echter verdwenen die gezichten die Hem zulk een troost geschonken hadden en de engelen toonden Hem nu zijn lijden dicht bij de aarde om daardoor aan te duiden dat het nakend was. Vele engelen waren hierbij in de weer. Ik zag hoe al wat gebeuren moest, Hem duidelijk en voor de geest kwam staan, van de kus van Judas af tot aan zijn laatste woord op het kruis. Ik vond daar alles weer wat ik zie bij het beschouwen van Jezus’ lijden:
- het verraad van Judas,
- de vlucht der apostelen en leerlingen,
- de verguizing en het lijden in de gerechtshoven van Annas en Kaïfas,
- de verloochening van Petrus,
- Jezus’ terechtstelling vóór Pilatus,
- de bespotting bij Herodes,
- de geseling en doornenkroning,
- de kruisdraging,
- zijn herhaaldelijk vallen onder de kruislast,
- de ontmoeting met de H. Maagd, haar bezwijming,
- haar beledigd worden door de beulen,
- de zweetdoek van Veronika,
- de gruwzame nageling aan het kruis en de oprichting ervan,
- de bespotting door de Farizeeën,
- de smarten van Maria, van Maria Magdalena en Joannes, die van het lijdensdrama getuigen moesten zijn,
- de stoot met de lans in zijn zijde,
- in een woord ALLES werd Hem tot in de minste bijzonderheden aangetoond, en wel zeer duidelijk.

Alle gebaren, alle gevoelens en woorden van de mensen zag, hoorde en verstond Hij en ook hoorde en begreep alles. Dit zicht sloeg de Heer met ontzetting, maar Hij nam alles gewillig aan en onderwierp zich aan alles uit liefde voor de mensen. Hetgeen Hem echter het diepst griefde was zijn veroordeling om ontkleed te worden en schandig naakt aan het kruishout te moeten hangen om daardoor te voldoen voor de zonden van onkuisheid. Met aandrang bad Hij opdat ten minste deze schande Hem bespaard zou worden en opdat Hij van iemand een lendendoek zou krijgen. Ik zag vervolgens dat dit gebed verhoord werd en dat zijn verlangen volbracht zou worden, niet door degenen die Hem kruisigden, maar door een medelijdende man.
Hij zag en voelde ook de smart van zijn Moeder op dit ogenblik, die in innige vereniging zijn angst en droefheid meeleed en die nu in het dal van Josafat in zwijm was gevallen in de armen van de 2 haar vergezellende vrouwen. Aan het einde van al deze lijdensgezichten viel Jezus als een stervende op de grond op zijn aangezicht neer. De engelen en taferelen verdwenen; het bloedig zweet droop overvloediger dan tevoren uit heel zijn lichaam. Ik zag het door zijn geelachtig kleed dringen. Er heerste nu diepe duisternis in de grot. Ook zag ik nu een engel tot Jezus neerzweven, die groter, klaarder afgelijnd was en ook meer op een mens geleek dan de andere die ik vroeger gezien had.
Hij was priesterlijk gekleed in een lang, golvend, vliegend, met kwasten versierd gewaad en hij droeg in zijn handen vóór de borst een kleine beker die de vorm had van de kelk van het laatste avondmaal. Boven of in de kom van die kelk zweefde een klein dun, langwerpig-rond, roodachtig en lichtgevend stukje spijs, zo groot als een boon. Boven de aarde zwevend, in liggende houding strekte de engel de rechterhand naar Jezus uit om Hem op te richten. Nadat Jezus zich van de grond had verheven, gaf de Engel Hem dat lichtstralend voedsel in de mond en liet Hem eveneens uit de kleine lichtende kelk drinken en verdween toen weer.
Na vrijwillig zijn lijden op zich te hebben genomen en nieuwe kracht bekomen te hebben, bleef Jezus nog enige ogenblikken in de grot in stille overweging en in dankzegging tot zijn Hemelse Vader verzonken. Hij was nog wel bedroefd, maar anderzijds op bovennatuurlijke wijze dermate versterkt, dat Hij zonder vrees en onrust en met vaste tred naar zijn leerlingen kon gaan.

Wel was Hij nog bleek en zijn trekken misvormd door het lijden, maar Hij stapte rechtop, vastberaden, manmoedig. Hij had zijn gezicht met een zweetdoek afgedroogd en zijn haar neergestreken, dat, nat van bloedig angstzweet, in klissen samengeplakt was. Op het ogenblik dat Jezus de grot verliet, zag ik nog, de wonderbare vlek op de maan en de lichtkring of regenboog er omheen. Het licht van maan en sterren was evenwel anders dan het mij toeleek gedurende de hevige doodstrijd van de Heer. Hun licht scheen nu natuurlijker. Toen Jezus bij zijn leerlingen kwam, lagen zij zoals de eerste keer, tegen de muur van het terras te slapen.
De Heer vermaande hen dat het nu de tijd niet was om te slapen, nu het waken en bidden nooit zo dringend nodig was geweest. Hij zei: Zie, het uur is gekomen waarop de Mensenzoon in de handen van de zondaars zal overgeleverd worden. Sta daarom op en laat ons weggaan, ziet! De verrader is reeds nabij. Oh! het ware hem beter nooit geboren te zijn!
De apostelen sprongen verschrikt op en zagen angstig om zich heen. Nauwelijks waren zij van hun schrik bekomen of driftig zei Petrus: Meester, ik loop de andere apostelen roepen en wij willen U verdedigen. Als enig antwoord hierop wees Jezus hun een troep gewapende mannen aan. Ze bevonden zich reeds in de vallei, nog aan de overkant van de Kedronbeek op enige afstand. Zij naderden met fakkels in de hand, en Jezus sprak: Eén van de 12 heeft Mij verraden! Maar zij hielden dit voor onmogelijk.
Jezus had zich geheel hervat en met alle kalmte deelde Hij hun nog veel nuttigs mee en beval hun ook nogmaals zijn Moeder te troosten en besloot met deze woorden: Laten wij de vijand tegemoet gaan. Ik wil Me zonder verweer in hun handen overleveren. Nu verliet Hij met de 3 apostelen de Olijfhof en trad de gerechtsdienaars tegemoet op het pad dat deze hof van de hof van Getsemane scheidt.
|