‘Wat heb je nodig om vuur te maken?’, vraag ik soms aan de vormelingen.
‘Brandstof’, antwoordt een vormeling. Inderdaad. Iets wat vuur kan vatten of verspreiden, zoals papier, een kaars, droge takken, een houtblok, olie, benzine of zelfs gas, hoewel die laatste al voorbij de gevarengrens komen.
‘Wat heb je nog nodig?’
‘Iets om vuur te maken’, zegt een andere vormeling. Jawel. Een lucifer of een aansteker, of zelfs een sterk vergrootglas, als je het naar de zon keert, zoals we leren bij de scouts.
‘Is dat alles?’, vraag ik. ‘Wat is nog nodig?’
Aarzelend kijken de vormelingen naar elkaar. Tot iemand zegt, wellicht op aangeven van een catechist: ‘Zuurstof!’
Inderdaad, zonder zuurstof raakt geen vuur op dreef. Of dooft het snel weer uit. In elke sacristie hangt wel een kaarsendover: een kleine metalen kegel op een houten steel, waarmee men de paaskaars kan doven. Even de kegel bovenaan de lange kaars zetten, de zuurstof afsluiten en de kaars gaat uit.