Zondag 2 mei 2004
Een rustdag in Tarifa
02/05/2004
Het giet en de wind is ook heviger geworden. We maken er het beste van en zetten de verwarming aan en drinken een tasje koffie. Rechts van ons staat een kraampje. Ik zie steeds mensen er naar toe gaan en met een zakje terug komen. Mijn vrouwelijke nieuwsgierigheid is dan ook getrokken door dat komen en gaan van zoveel volk. René denkt dat het een krantenkiosk is maar niemand komt met een krant voorbij. Het is nu in de namiddag en ik weet het nog altijd niet. Ik neem mijn jas en wat geld. René begint te lachten omdat ik niet meer te houden ben en het moet weten wat daar aan de hand is. Door de gietende regen ga ik er naar toe. Twee kleine kinderen staan nu voor het kraam. Het is een snoepkraam. Het kraam zit tot boven toe vol met snoep. Ge kunt het je niet voorstellen wat daar allemaal staat. De kinderen staan met de uitbaatster te praten en ik versta er uit dat ze zegt dat ze hun tanden regelmatig moeten poetsen. Ja natuurlijk anders zal hare winkel niet draaien als ze allemaal tandpijn krijgen. Nu weet ik ook waarom in ieder klein dorpje een "klinca dentista" is. De Spanjaarden zijn dus snoepers. Ik koop ook een kleinigheid en ga triomferend naar de camper terug. René kijkt naar mij met vragende ogen omdat ik lachend binnenkom. Ik weet het "het is een snoepkraam". Hij vraagt of ik mij nu beter voel, nu dat ik het weet. Natuurlijk zeg ik nu weet ik teminste wat de klanten daar komen kopen. Wat moet je anders doen als het zo een slecht weer is. Het wordt donker en de wind wordt heviger. De camper gaat over en weer en ik ben er niet gerust meer in. We zoeken dan ook een andere plaats op waar we uit de wind staan. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. We staan nu in een smal straatje tussen de huizen. Hier moet toch niemand voorbij. We gaan slapen maar ik denk dat ik geen oog ga toe doen.
Het giet en de wind is ook heviger geworden. We maken er het beste van en zetten de verwarming aan en drinken een tasje koffie. Rechts van ons staat een kraampje. Ik zie steeds mensen er naar toe gaan en met een zakje terug komen. Mijn vrouwelijke nieuwsgierigheid is dan ook getrokken door dat komen en gaan van zoveel volk. René denkt dat het een krantenkiosk is maar niemand komt met een krant voorbij. Het is nu in de namiddag en ik weet het nog altijd niet. Ik neem mijn jas en wat geld. René begint te lachten omdat ik niet meer te houden ben en het moet weten wat daar aan de hand is. Door de gietende regen ga ik er naar toe. Twee kleine kinderen staan nu voor het kraam. Het is een snoepkraam. Het kraam zit tot boven toe vol met snoep. Ge kunt het je niet voorstellen wat daar allemaal staat. De kinderen staan met de uitbaatster te praten en ik versta er uit dat ze zegt dat ze hun tanden regelmatig moeten poetsen. Ja natuurlijk anders zal hare winkel niet draaien als ze allemaal tandpijn krijgen. Nu weet ik ook waarom in ieder klein dorpje een "klinca dentista" is. De Spanjaarden zijn dus snoepers. Ik koop ook een kleinigheid en ga triomferend naar de camper terug. René kijkt naar mij met vragende ogen omdat ik lachend binnenkom. Ik weet het "het is een snoepkraam". Hij vraagt of ik mij nu beter voel, nu dat ik het weet. Natuurlijk zeg ik nu weet ik teminste wat de klanten daar komen kopen. Wat moet je anders doen als het zo een slecht weer is. Het wordt donker en de wind wordt heviger. De camper gaat over en weer en ik ben er niet gerust meer in. We zoeken dan ook een andere plaats op waar we uit de wind staan. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. We staan nu in een smal straatje tussen de huizen. Hier moet toch niemand voorbij. We gaan slapen maar ik denk dat ik geen oog ga toe doen.



































