GEDICHT VAN DE WEEK

VERPLAATST PERSOON
Geen laaiend vuur, dat uitslaat, maar een pit,
waarbij gij nauwlijks uw gebed kunt lezen
en die u nochtans vrijwaart tegen vrezen
voor wat er in ons hartedonker zit.
Was het een onverantwoord zelfvertrouwen,
dat mensen meest van goeden wille zijn
en dat uw schuwe buurman in de trein
bestemd is om Gods heerlijkheid te aanschouwen?
Er zongen engelen te Bethlehem
over de daken van de huizen henen,
Toen is aan herders de Zoon Gods verschenen,
Maar had ik zelf geluisterd naar hun stem?
En die dit leest, zegt, zoudt gij opgetogen
de gure winternacht zijn ingegaan?
Liet gij uw huisraad zonder toezicht staan
waar engelen, geen bommenwerpers, vlogen?
In Bethlehem is niemand opgeschrikt
door de Sirenen van de Godsgenade.
Hoe werd de kinderdoodslag van de kwade
Koning Herodes door dat volk geslikt?
Daar is geen revolutie uitgebroken
tegen zijn wreedheid; het gewend bestand
verdroeg die felle schok, al hoorde ‘t land
de schreeuw van Rachel bang ineengedoken.
Verdriet, dat anderman wordt aangedaan,
zijn wij gewoonlijk bliksemsnel vergeten,
zolang wijzelf maar kunnen wonen, eten
en dringen om vooral vooraan te staan.
Mij is het, sinds ik dit heb ondervonden,
op Kerstmis niet zo aartsgezellig meer,
het samenzijn met Onze Lieve Heer
wordt bitter bij mijn angst voor onze zonden.
Ik zie hem in de kribbe met die vracht
bezwaard maar al te veel op kindren lijken,
wier ouders uit hun woning moesten wijken,
omdat een schurk een nieuw regiem bedacht.
Gewikkeld in de strakgetrokken doeken,
die moeders nood hem om de lenden bond,
schijnt hij, nog ongewend aan aardse grond,
zijn hemelse bewegingskans te zoeken.
Alleen door stil te zijn en hulpeloos,
kan hij wat menslijk mededogen krijgen.
Verbreekt hij zijn vertrouwenwekkend zwijgen,
dan haat hem deze wereld voor altoos.
Hij is om onzentwil hierheen gekomen,
maar ieder kind komt hier om onzentwil!
Het ziet de wereld aan en keert zich stil,
begerig naar de toekomst van zijn dromen.
Hoeveel werd Hem in ieder kind misdaan
door farizeeën en door schriftgeleerden
door priesters en levieten, die gedeerden
zien liggen lang de weg en verder gaan?
In elke vonk, die smeult wordt Hij vertreden.
Hij wordt gebroken in ’t geknakte riet,
mijn lieve God, wie onze wereld ziet
en daarin leeft, schaamt zich voor zijn gebeden!
Vergeef het ons, die vol erbarmen zijt,
dat wij het heil van eeuwenlang verlangen
in zulk een huis en zulk een hart ontvangen,
verplaatst persoon van Gods Drievuldigheid!
Anton van Duinkerken






































