met smoorwarme heupen loopt de zon door mijn tuin op hoge hakken maar ze maakt geen enkel geluid ze is een vogelverschrikker ze is een mensenverschrikker want niemand komt naar buiten je gaat er ook aan zeg ik tegen de hortensia die met de salvia samenspant tegen de rozenverraadster het gras is een vale oude jas en droog als de poten van een schildpad alleen de lavendelbloemen lachen in het Frans spreken Frans met elkaar met het irritante geluid van een overrijpe R laat er geen misverstand over bestaan deze hitte doet pijn aan mijn takken en mijn wortels ze schreeuwen om regen ik ga douchen
als je in de buurt bent word ik iemand anders ik voel hoe je naar me kijkt met ogen als donkere honing uitdagend en glijdend langs mijn grenzen glimlachend, knipogend, plagend je vult mijn kop met beelden wat ik zou doen als ik alleen zou zijn met jouw verlangen maar je schept er genoegen in om mijn uithoudingsvermogen te testen je maakt me zo moe ik zou zo graag onze monden en handen ruilen tot diep in de ochtend
drie mereljongen glippen door de mazen van de zomer mijn tuin in en verstoren de prettige chaos van mijn kleinzonen de lucht heeft witzwarte vogels verzonnen die zigzaggend de huizen aan de hemel naaien je schaduw knipt bloemen uit de struiken terwijl de zon penseelzacht sproeten op je armen schildert en je ligt daar zo mooi flair en libelle te zijn je maakt me zo gelukkig als een luis op een kam en ik geef je ogen de mooiste kleur die er niet bestaat hoe lang kan dit delirium nog duren zou het helpen als ik zout op de staart van de tijd leg
aan de overkant staan de deuren te geeuwen in de gevels de straat ligt erbij als een vrouw met een zware verkoudheid te moe om op te staan de lakens en de kussens zijn doorweekt en de vaat van gisteren staat nog op de stoep haar uitdagende avondjurk hangt uitgeput aan een boom straks gaat ze niet dansen en ruisen onder de hongerige blikken van de nacht
elke beek heeft de tijd nodig om binnen te dringen in de zee elke ster heeft de tijd nodig om het oog te bereiken de wind heeft de tijd nodig om de zeilen te strelen en de akkers hebben de tijd nodig om het graan te doen rijpen onder de schorsen borrelt de tijd en plots is er de zon en zijn er druiven niet te tellen druiven
als ik je zie ben ik zo blij als een dolgedraaid kind op de paardjesmolen je ligt op het puntje van mijn tong met de smaak van radijsjes je bent meer dan de optelsom van alle stiltes om je heen je ruikt naar de lentebloei van duizelende magnolia's het is tijd om je uit te kleden hoera je witte jurk ligt als een plas aan je voeten en als je lacht begint God in zijn handen te klappen ik ruik het begin van een zomer
ik ben het nog niet vergeten hoe we in dat bos niet begonnen te vrijen omdat de merels ons in het oog hielden omdat twaalf fietsers hun fiets tegen de boom zetten waaronder wij lagen en de vlinders op je lippen landden omdat ze dachten dat het lentebloemen waren
nu, zandgestraald door de jaren, achter de omheining van je lichaam ben ik het zachte ritselen van je vingers gewoon ik hoor de ochtendvogels van je woorden gaten in de lucht fladderen ze zoeken naar de nadorst van onze zoenen en ik kijk hoe je op de wijze van het huis je koekje in je koffie sopt en de koffie van je lepeltje likt likje na likje
als een druif heb ik me volgezogen met de zon van de zomer kneed me nu pers me uit en drink me met grote slokken laat mijn sap langs je lippen lopen het doet zo goed te weten dat ik jouw drank ben en jij mijn dorst
dag winter in dit landschap van mij zoals je daar ligt moet je niet liegen als er iemand vraagt wanneer de lente komt geen excuses van te veel werk of druk druk druk of ik wil nog wat slapen onder mijn sprei en me even draaien op mijn zij het is beter dat je blijft zwijgen en luistert naar de wind uit het noorden ik denk dat het gewoon een kwestie van geduld is en dat de krokussen en de narcissen er eerder zullen zijn dan we denken