het plekje van weleer
de bomen schenen mij te kennen
de beuken, populieren en de dennen
ze bogen en wuifden met de takken
ik kon eventjes de sprietjes pakken
de bomenkruin, gekamd door de wind
strijkend over het hoofd van een kind
ritselende blaren die zingend groeten
schouwspel dat ik elke dag wil ontmoeten
het is alom een pracht en een praal
de planten, het water en de dierentaal
het gonst er van lieflijke gezangen
wat kan een mens nog meer verlangen
ik weet die plekjes nog van weleer
waar speelse eekhoorns en de vleer
samen met vogels een huisje bouwen
bij het genieten van hun vertrouwen
een vertrouwen dat wederzijds was
dieren en planten toonden mij zopas
dat ik mag terugkomen naar deze plek
en dat ik allen groet als ik hier vertrek





