De afgebroken schoolvleugel: een stukje geschiedenis (3)
Op 5 maart 1928 schrijft de minister een korzelige brief aan de gouverneur. Reeds sedert 3 jaar, aldus de minister, belooft het Gemeentebestuur de lagere school uit te breiden. Eerder was beloofd dat er 2 nieuwe schoollokalen voor jongens in het centrum en 6 nieuwe klassen voor 'Werbeeck, Hooidonck, Branst (sic)' zouden gebouwd worden. Uit de gemeenteraadsbeslissing van 9 december 1927 blijkt dat er maar 4 voorzien worden terwijl de lokalen in het centrm zelfs niet meer vermeld worden. En de minister stelt dat de plaatselijke ovelrheid 'door zijn voortdurend talmen bewijst dat zij geenszins geneigd is te voldoen aan heer verplichtingen inzake onderwijs'. Hij geeft de gouverneur opdracht 'het onwillig bestuur voor oogen te leggen' dat indien de bundel niet voor einde april in het bezit is van de minister, hij de schoolsubsidies zal inhouden.
Reeds op 12 maart 1928 vertrekt er een hoogst verontwaardigde brief van het Reties Gemeentebestuur naar de minister. Het bestuur beschouwt het als 'een zijner bijzonderste plichten van voor een goed onderwijs te zorgen'. De oorzaak van de vertraging is niet bij het gemeentebestuur te zoeken, 'doch wel bij de immer nieuwe voorstellen van de hogere schooloverheid'. Wat de oprichting van wijkklassen betreft, is het gemeentebestuur van mening dat 'de woningen der gemeente daarvoor niet geschikt zijn door hunne ligging'. De gevolgen zouden alleen maar 'nuttelooze personeelsvermeerdering en gelduitgave ' zijn. Toch is het bestuur bereid voor de gehuchten Werbeek, Hodonk en Brand '2 lokalen voor 4 gemengde afdelingen der kleine jongens en meisjes van 6, 7, 8 en 9 jaar ' op te richten.Anderzijds wil het Gemeentebestuur vooral werk maken 'van de jongensschool in het centrum te vergrooten en vraagt niet beter dan aanstonds met deze werken te kunnen beginnen.'
(Uit de brochure 'Gemeentelijke Schoolgebouwen Retie 1835-1994', Gust Adriaensen, 1995)




