Grijs en tergend klinken traag de dagen
De tijd van scheiden breekt reeds aan…….
Met bladeren, verkleurd en zwààr om dragen,
En een boomstam, geworteld: dié blijft
staan.
Maar mist en nevels versmachten zijn pijn.
O God,
wàt heb ik toch gedààn?
Mijn lot, gij, wind doorheen mijn zijn,
Zeg mij, wàt heb ik niet verstaan?
Een schaduw, een droom, een blik, een
woord:
zij waaien door mijn geest en kruin
en ràken mij: verward, gestoord
en droef én ouder, het hoofd schuin.
Ik luister naar je licht en stràlen
verstopt achter het wolkendek….
Ik honger naar je, tracht je te vertalen
herinneringen als kralen rond mijn nek.
Mijn bron, licht op, wijs mij de weg.
Gij Moéder, eeuwig, en dit voor altijd.
Geloof je me als ik je zeg
dat wanneer ik je pijn deed, dit mij spijt?
O Zon, breek door tot aan mijn biddende
onmacht
en smeed mijn zwaard tot wit en wijs
en laat mij, strijdend, zilver, en ook
grijs
je oever vinden in de nacht.
Sint Michaël 91