HOND (2)
Mijn hond
- Mijn hond, die hond van mij
- die halve mens,
- die mij tot anderhalve maakt,
- is beter dan mijn beste vriend.
- Mijn hondse kameraad
- is een veel ouder dier
- dan de gebleekte sapiens die ik ben.
- Zijn pels ruikt ruig en roestig
- naar de tijd van toen, de oertijd
- en zijn voorhistorisch wolfs bestaan.
- Hij draagt nog steeds een muil
- die ik sedert millennia heb afgelegd.
- Hij heeft een kwispelende staart
- die mij al lang geen zorg meer baart.
- Zijn bruine blik boort
- schrander in mijn ogen
- en als ik luister naar zijn hijgen,
- versta ik ieder van zijn woorden.
- Mijn hond is steeds onmenselijk trouw
- in liefde en genegenheid tot in de dood.
- Begrijpen doet hij mij,
- een half woord volstaat.
- Hij is die enige unieke enkeling,
- die mij bewondert en waardeert,
- ook tegen heug en meug,
- en vaak volledig onterecht,
- en mij ontzettend fel bemint,
- zoals ikzelf ook steeds mijzelf heb lief gehad.
- Zo zijn we nu met tweeën om mijzelf
- hartstochtelijk lief te hebben,
- te koesteren en te beminnen.
- Mijn hond zal waken op mijn graf
- en kreunen, janken, blaffen,
- huilen in de wind,
- en razen, razen, razen
- tegen het sterven van het licht.
- En wie verstrooid voorbij zal komen
- bij het vallen van de nacht,
- zal denken dat ik het weer eens ben
- die nog een toespraak houd,
- vooraleer de winden liggen gaan.
- Mark EYSKENS

