Zaterdag 12 november 2005
HABEMUS PAPAM Eerst had ik nog een lichte aarzeling Daar ik de witte rook niet goed kon duiden, Maar toen ook alle klokken gingen luiden Wis…
HABEMUS PAPAM
Eerst had ik nog een lichte aarzeling
Daar ik de witte rook niet goed kon duiden,
Maar toen ook alle klokken gingen luiden
Wist ik meteen wel waar de klepel hing.
Ik kreeg het bimbamBeieren te horen
En dacht: O jé, daar is de paus geboren!
(Driek Van Wissen)
Introïtus (Ps. 4:7) De knoppen der kastanjes kleven, De struiken schieten kreuklig uit, En ’t glimmend rijs, dat nog niet spruit, Staat met …
Introïtus (Ps. 4:7)
De knoppen der kastanjes kleven,
De struiken schieten kreuklig uit,
En ’t glimmend rijs, dat nog niet spruit,
Staat met gespannen bast te beven.
De sappen stijgen in elk leven
Dat zich voor Uwe drang ontsluit.
Heer! Zie uw dienaar! Zie Uw bruid!
Bereid, hun volle bloei te geven.
Bloeien wij, Heer, alleen gelaten
Met schaduw en met spiegelbeeld?
Al wat ons pijnigt en verveelt
Aanzien zij lustloos en verwaten.
Ach Heer, zijn wij van u gehaten,
En laat Gij toe dat dood ons steelt
(1927) Willem de Merode
Vogelvrije tijd Een koekoeksklok was in Bourtange in een huis aan de muur opgehangen. ''t Is de tijd, die 'k benijd,' zei de vogel met spijt…
Vogelvrije tijd
Een koekoeksklok was in Bourtange
in een huis aan de muur opgehangen.
''t Is de tijd, die 'k benijd,'
zei de vogel met spijt,
'want die vliegt en ik zit hier gevangen.'
(Aubrey)
Mizerie-mensen Ik heb u lief, mizerie mensen, Die geen genoden werd Van 's levens blij festijn, Die te onverschillig zijt, om iemand kwaad t…
Mizerie-mensen
Ik heb u lief, mizerie mensen,
Die geen genoden werd
Van 's levens blij festijn,
Die te onverschillig zijt, om iemand kwaad te wensen
Te bitter, om nog goed te zijn.
Ge zijt een godslamp van de kerke,
In wier karmijnen hert
Wat olie wordt gedaan,
Te luttel, om in vlammen op te vlerken,
Te veel, om er van dood te gaan.
II
Ik heb u lief, m'n schamele armen,
Ik weet u schijnbaar blij
Tussen de mensen gaan,
Te fier, om gierge gunst van menselijk erbarmen
Te zwak, om heel alleen te staan.
Toch zal uw trots me nooit bezeren,
Mij, die van dichtebij
Uw bleke wezens ken;
Mij, die uit iedre dag, uit ieder uur moet leren,
Dat ik er een van de uwen ben.
Uit de bundel: Op zachte vooizekens
(Alice Nahon)