|
Dramatisch is ook het verslag van deze onderwijzeres die het later gebruikte bij haar leerpakket over bombardementen van 14 mei 1940, destijds 14 jaar oud. Zij woonde met haar ouders en twee zusjes in een ruim bovenhuis boven de groothandel in electrische artikelen, haar vader was daar de filiaalhouder. Zij hadden zich juist aan de lunch gezet, toen de sirenes weer eens loeiden; luchtalarm, met meenemen van jassen snelde men naar bneden naar het magazijn waar haar vader een schuilplaats had gemaakt door een grote muurkast onder de trap te ontruimen. Om op alles voorbereid te zijn had men ook enige koffers en tassen ingepakt en daar neergezet. Pikdonker was het in die kast, we kunnen er met z'n vijven in. Mijn zusje van 10 jaar huilt.... plotseling schudden de muren en trilt de grond. Een oorverdovend lawaai doet ons de oren dichtstoppen. De deur van de kast valt open..... wolken stof vliegen naar binnen. Mijn moeder hoor ik hardop bidden. De deur valt weer dicht. Dan een herhaling van dreunen. : "bommen", zegt mijn vader, "vlakbij".. Wij houdenelkaar omarmd bij wijze van bescherming. Naast ons horen wij de buren gillen en schreeuwen. Dan valt er een stilte. Mijn vader kijkt even om de deure; "eruit", zegt hij. De ravage is enorm. Is dat de zaak? De achtergevel is ingestort. Mijn moeder ziet het bovenaan de trap branden. De voordeur gaat gelukkig nog open. Wat we buiten zien is haast niet te geloven. De hel lijkt losgebarsten. Naar rechts kunnen we niet meer weg.... de voorgevel van onze buren verspert de weg. Ik zie uit de huizen overal vlammen slaan en alle wapperende gordijnen brandden. Naar links is moeilijk, een grote krater is in de weg geslagen door een bom. Het hoedje van mijn zusje valt in de krater; ze wil het pakken, maar moeder sleurt haar mee. We schuivelen langs kapotte puien verder, we stikken haast van de rook en het gas. Een huilende politieagent roept ons toe dat we een zakdoek voor onze mond moeten houden. als we de hoek van de Markt bereikt hebben horen we de vliegtuigen weer aankomen. We zien meer mesnen hun huizen verlaten. Vader trekt ons een donker gangetje van een huis in. Het geluk is met ons. Het huis wordt niet geraakt. We vluchten verder. Een man loopt met een zwaar gewond kind, beentje is eraf. Hij zal niet ver komen.... In deze rustpauze bereiken we het spoorwegviaduct van de Binnenrotte. Daar moeten we plat op de grond gaan liggen als er weer een regen van bommen komt. Mensen gillen. Dan zie ik mijn vader huilen... Gek als je vader huilt.... Ik houd mijn kffertje als een kostbaar bezit dicht tegen mij aan. Mijn vader wil zijn tas weggooien. maar mijn moeder pakt hem over. Ik zie dat mijn kouzen kapot zijn en dat mijn knieen bloeden. Vreemd dat je zoiets nog opvalt. We moeten verder. Weg uit deze hel van vuur en verwoesting. |