Naar de inhoud

De Beul van Rumbeke

Herinneringen, anekdotes, gebeurtenissen...
akke.beakke.be

Archief

D. en de beerput

’t Was een beetje logisch (maar ik beken, ook wat vies) dat ik, toen ik ongeveer veertien jaar oud was, besloot de altijd precies in twee stukken gescheurde seks boekjes op te rapen, onwillekeurig door iemand weg geslingerd in het hoge struikgewas, in de Guido Gezellelaan, aan de spoorlijn, dicht bij ons thuis, in Rumbeke. Één of twee keer per week moest ik me haasten, op mijn fiets, eens van de school vrij gelaten om ze, vóór er andere nieuwsgierige makkers toevallig op stootten, geniepig uit hun bereik weg te gaan halen en soms was ik zodanig rap dat ik nog juist de dikke kale man (een verkoper, heel waarschijnlijk, of zowel een hete paster) die zich achter het stuur van zijn auto had áf zitten trekken, zo veronderstelde ik toch, langzaam weg zag rijden. En iedere keer was het buit. Soms lag er zelfs meer dan één exemplaar. Argwanend rond kijkend zette ik er eerst mijn voet op, om eventuele andere geïnteresseerden onmiddellijk te ontmoedigen en dan bukte ik me om de stukken rap samen te scharrelen en ze zorgvuldig tussen mijn schoolboeken te frommelen. Thuis arriveerend sloop ik onmiddellijk naar mijn slaapkamer, bevend van de verwachting en hopend dat F., die in dezelfde kamer sliep, niet zou ópdagen, zodat ik de tijd zou hebben ze keurig samen te plakken en er dan, direct naar de vuilste beschrijvingen bladerend, mijn roerende en ontroerende hals erover kapot te draaien. De eerste keer, rap en zenuwachtig, de tweede, er wat zaliger van profiterend, beseffend echter dat ik de deurklink in de gaten moest blijven houden en de derde keer in bed, ’s avonds laat, onder de dekens, waarvoor ik een schoollat gebruikte om er een tent van te maken, mijn zaklampje niet vergetend, terwijl F. luid snurkte...

Op het einde bezat ik een gehele collectie en op den duur wist ik niet meer waar ze allemaal veilig op te bergen, tot ik aan de zolder dacht, waar Nonkel Fons over een oude houten koffer beschikte waar hij delicate voorwerpen in bewaarde die oorspronkelijk door hem vanuit China waren ingevoerd geweest, bedekt door een dikke laag stof en waarin er nen hele hoop kobben geduldig op een onschuldig kinderhand zaten te wachten, zonder te spreken van de muizen, die men nooit zag, maar wel hoorde. Nog later heb ik ze, op een regenachtige namiddag, terug naar de plaats gebracht waar ik ze eertijds gevonden had, terwijl ik daarna, van op een veilige afstand, heb zitten bespieden wie er eventueel ook interesse in zou vertonen, tot er een mollige snotneus op dook, een jaar of dertien waarschijnlijk, met een bril, met dikke glazen, op het puntje van zijn neus, die de, nu in vier delen gescheurde seks boekjes (ik had niet alleen de oude scheur hersteld, maar er zelfs een nieuwe aan toegevoegd) zonder veel ceremonie tussen zijn boeken in zijn schooltas heeft gefrommeld en er vlug mee weg is gereden. Ik kon er praktisch op zweren dat hij nog onbekwaam was zijn pisbuis recht te krijgen....

Onze zolder, die ik tot dat ogenblik alleen maar binnen had getrapt om er mijn "gebruikte" seks boekjes in te verbergen en die zelden door mijn broers werd bezocht, bleek me hoe langer hoe nuttiger te zijn, want ik ontdekte daar spannende momenten, nadat ik het schuine luikje op het dak eindelijk had kunnen open wringen, na eerst ne hele hoop aambetante kobben verjaagd te hebben, zodat ik er mijn hoofd dóór kon steken om de omgeving, daar beneden, te waarderen, waaronder onze hof, de hoge populieren op het einde van de wijde, aan de rechterkant van onze hof, de Madame van de Chef van de Statie die wiegend en knorrend haar konijnen eten ging geven, aan onze linkerkant en de goot van ons eigen dak, waar er regelmatig een bal in verzeild geraakte en waarvoor we vroeger op geen recuperatie konden hopen. Mijn collectie ballen (ik bewaarde daar ook mijn lege stylo's, versleten portefeuilles, kapotte vulpennen, oude marbels en zelfs een bot zakmes, die me, bijna allemaal, gegeven waren geweest door Mark Soenen, mijn beste vriend van het vijfde studiejaar, in de Broederschool, als vergoeding voor mijn immere interesse hem te verdedigen van lafaardige aanvallen van sterkere klasmakkers), in een "Solo-margarine" doos, die ik dan later, af en toe, vertederd bewonderde: mijn eerste, eerlijk en zelf verdiende, eigendommen...) groeide opeens aanzienlijk maar toch mocht ik ze niet dadelijk te voorschijn halen om de aandacht niet te trekken vanwege mijn broers en buren die dat zeker niet "zomaar" (zonder meer, noch minder) zouden aanvaarden. Ik bewonderde ook de hemel, halvelings verborgen door de rap voorbij passerende wolken en me helemaal door het venstertje wringend, kon ik zelfs, daar beneden, op een veilige afstand, het gedoe gade slaan van Nonkel Phons en D., die hevig zwetend, met emmers, de beerput aan het ledigen waren.

Later heb ik daar, in de zolder bedoel ik, ook mijn, met zand opgevulde, bokszak aan een balk op gehangen, die ik gebruikte, samen met de oude en de te grote bokshandschoenen, die ik me voor een appel en een ei in de "Stock Americain" had aangeschaft, om daar, alleen, die nobele sport te beoefenen en mezelf voor te bereiden op de strijden die zich nooit lang hebben laten wachten.

Geschreven door Rudo om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Met een natte handdoek (2)

De vorige post herinnert me aan een gebeurtenis die zich echt waar heeft afgespeeld in Maceió, de hoofdstad van de staat van Alagoas, grenzend aan de Staat van Pernambuco, waar ik nu leef. De “Governador” daar, laat ons zeggen AB (want ik wil niet vroegtijdig mijn hielen samen slaan), had zich door zijn vrouw laten overtuigen dat hij zijn eigen krant moest scheppen en zo rap mogelijk inhuldigen wilde hij hopen op succes, gedurende de volgende verkiezingen, een paar maanden later, want de toen bestaande kranten zongen allemaal, in een georchestreerd koor, tegen zijn regering. Hij had natuurlijk geen enkel benul van kranten en liet de markt peilen voor vertrouwbare mensen die hem in die taak konden helpen. Oké, goed, dat was juist iets voor mij. Maar het was allemaal uiterst dringend en er was gene dag ne meer te verliezen en de krant moest in circulatie treden, op zijn maximum, binnen de drie maanden en kom dus maar af, jaja, vandaag nog, maar vandaag is het toch geen werkdag, ‘t is ne zaterdag, jaja, maar ’t kan me niet schelen, kom maar onmiddellijk af; ja maar morgen is het de verjaardag van mijn vrouw; ewel en wat dan, ik beloof u dat ge vandaag nog terug zult kunnen keren... en daar ging ik, een beetje bekommerd dat ik mijn tijd aan het verliezen was, want politiekers kende ik al van andere oorlogen en er was geen enkele bij die te vertrouwen was en een krant oprichten is geen werk om er in drie maanden gereed mee te zijn en met politieke bedoelingen, nog slechter, maar ge kent dat, als het beroep u roept is het beter niet te aarzelen.... ne mens weet nooit.. en ik was ooit al eens verrast geweest...

Ik kon nog op het nippertje op de enige dagelijkse vlucht van Recife naar Maceió springen en zoals afgesproken stonden ze me daar, in de luchthaven, op te wachten. Twee deputado’s, toebehorend aan de kring politicus van de governador en die ook ernstig aan het piekeren waren over hun eigen herkiezing en wat reclame konden ze zeker niet minachtten en weg waren we, naar de fel bewaakte villa van de grootste overheid van de staat daar, waar we onmiddellijk aan de middagtafel werden geplaatst, want niemand is van steen, alhoewel ik absoluut niets heb kunnen binnen slikken want het betrof zich om een plaatselijk gerecht met grote krabben met enorme benen... bach... geen denken aan, maar ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om alles, voor eens en voor altijd, kristalhelder te maken en van de onkosten en alle andere soorten te verwachten moeilijkheden gesproken tot ze inzagen dat ik waarlijk, een eerlijke mens was, want puntje bij paaltje gerekend, ik was hen sterk aan het aanraden van dat plan áf te zien, een bestaande krant te huren, of bestaande machines te lenen enz.. en dat is juist waar het vuur van de sterke mensen van op wakkert.... het gevaar.. het risico... en ze besloten plechtig met hun gedacht dóór te gaan, tenslotte betrof het zich om gemakkelijk verdiend geld en wie niet waagt niets wint... oké.. in dat geval zal mijn machine, het kleinste dat er beschikbaar is, honderd vijftig duizend dollars kosten, op voorhand te betalen.. ah, ja??.. jaja, als ge het echt meent... ik meen het ook.. maar ik beloof u dat, wat de machines betreft, uwe krant gereed zal staan binnen de drie maanden, gerekend natuurlijk vanaf vandaag, als ge vandaag betaalt... ah, ja??... en meneer deputado, ga a.u.b. eens dat valiesje halen in mijn slaapkamer... ge weet wel welk... en voor alle zekerheid ging de vrouw van de governador ook mee... want daar stonden verschillende valieskes op een rijtje... en daar kwamen ze al terug, met het juiste valiesje in hun handen en het geld was rap geteld, want iedereen aanwezig telde precies twee pakskes van tienduizend dollars elk en we waren met ons zeven, enkele vertrouwbare assistenten erbij gerekend, zodat ik alleen maar drie pakskes heb moeten tellen... en allemaal zonder enig teken van wantrouw... want als ge niet op de mensen kunt vertrouwen zijde beter er niet méé te beginnen en in het land van de dieven is een eerlijke mens een fortuin waard.. en terwijl ik me naar de deur begaf herinnerde ik me opeens dat er op dat uur geen vliegtuigen meer beschikbaar waren naar Recife en voelde ik mij verplicht mezelf om te draaien om hem aan zijn woorden te herinneren en aan zijn belofte dat ik diezelfde dag nog thuis zou geraken en natuurlijk, ordonnans, neem diene beste mens onmiddellijk mee naar het vliegveld en geef instructies aan mijn piloot (betaald door de Staat) en mijn co-piloot (ook betaald door de Staat) om hem met mijn vliegtuig (een zes persoon's vliegtuig, de bemanning niet ingerekend, ook aan de Staat toebehorend) naar Recife te vliegen.... en let op zijn valieske... Wel, ik heb mijn beloftes helemaal volbracht en mijn machines stonden startklaar op de dag dat ik het beloofd had, maar ik ben nooit juist te weten gekomen wat er verkeerd is gegaan met het project, de Governeur en zijn ploeg, want de krant heeft nooit één enkel exemplaar geproduceerd.

Toch heb ik, enkele dagen daarna, een notitie gelezen in de krant dat de Governador van de Staat van AL betrapt was geweest door een reporter van een wekelijks, nationaal, tijdschrift, terwijl hij, in de badkamer van het kantoor van zijn officieel paleis, een pak slagen had gekregen van zijn echtgenote, met wat denkt ge???... een natte handdoek.....!!

(PS: hij en geen enkele van zijn aanhangers, zijn herkozen geweest. Spijtig eigenlijk....)

Geschreven door Rudo om 14:17 Reageer op dit bericht Stuur door

Met een natte handdoek

Nog een anekdote die in de context van het belachlijke mag vermeld worden gaat over één van onze techniekers die, beroepshalve, naar de hoofdstad Brasília werd gezonden.

Na het werk voltooid te hebben, zo luidden zijn eigen woorden, besloot hij zijn achterstand van thuis op te halen en vooraleer te gaan slapen, ergens een hoertje op te pikken om zijn verstoorde gedachten terug in de juiste volgorde te kunnen plaatsen, onderbroken dat ze waren door de opeisende aandacht van zijn beestelijke instincten. Daar moest hij niet ver voor lopen eigenlijk, want pas verliet hij het hotel, hij botste op een bereidbaar schepsel. Knap en verleidend sleepte ze hem mee bij de arm naar een donker steegje, waar ze hem verwoed op de mond kuste terwijl ze, met teder knijpende handen, over zijn geheime delen wreef. De goesting kreeg hem vlug te pakken en hij besloot de prijs te onderhandelen vooraleer hij door de lust overmeesterd werd. Ze fluisterde hem in zijn oor dat hij geluk had vandaag. Ze was juist in die “speciale dagen” (hier vertaald door: “Chico”) en was bereid haar "furíco“ van achteren” op te offeren voor de prijs van haar orgaan, “van voren”. En jawel hoor, dat was geluk hebben, want hij verkoos dat eng kanaaltje boven die brede schacht, die hij thuis alle dagen aangeboden kreeg en waarvan hij nooit zeker wist of hij er al in zat of nog altijd aan de randen aan het zwerven was. Om het gemakkelijker voor hem te maken, leunde ze met haar open handen tegen de muur, haar achterwerk ferm achteruit en naar boven aan biedend, haar voeten zo ver als haar evenwicht het toeliet van de muur weg geplaatst. Na haar minirokje rond haar heupen vast gesnoerd en haar broekje wat naar omlaag geduwd te hebben, stond ze blinkend van de opwinding gereed om zijn wakker geworden kerel (die onbeschaamd uit zijn broekgleuf piepte), in haar rond schijtholletje te schuiven. En daar ging hij, zonder aarzelen, tot hij er echt begon van te genieten en zelfs een klein kreuntje slaakte. Zijn handen waren rond haar lenden geslagen om het juiste ritme te bepalen en ze duwde hevig tegen om de balans niet te verbreken. Toen gleden zijn handen naar haar zwengelende borsten, want ze had geen beha aan. Ze waren niet te groot, maar toch lekker warm. Heerlijk daar, in dat steegje. Tot hij besloot een hand in haar broekje te wringen. Eerst werkte ze wat tegen en herinnerde hem smekend aan het bloed, maar tenslotte overwon de drang naar lust haar ook en toen ze de toegang eindelijk vrij gaf voelde hij verrast (en omgreep hij zonder het juist te beseffen) een enorme wandelstok, nog groter en harder dan de zijne, zonder overdrijving. Bijna kreeg hij er een hartaanval van, maar dan dacht hij meteen aan zijn eigen genot dat klaar stond uit te barsten en liet hij zich meeslepen in haar lokkende verklaring dat dat toch allemaal hetzelfde was, dat seks, seks was en dat hij daar niet moest over piekeren, waar het ook was en met wie. Hij, overweldigd en overwonnen door de nooit opgehouden en zelfs niet haperende bewegingen, mompelde binnensmonds iets van “agora vai de qualquer maneira”, of letterlijk vertaald: nu gaat hij, in elk geval, bukte zich nog wat dieper over de gewillige rug heen, nam de kruk van de tandwielbak nog steviger in zijn vuist en schakelde de snelheid direct over naar de vierde versnelling, zonder zich verder om nog iets te willen bekommeren...

Na de overeen gekomen prijs te hebben betaald, zonder te reclameren over het feit dat hij kattenvlees had gekregen voor de prijs van konijnvlees, vluchtte hij rap naar zijn hotelkamer waar hij gedurende ettelijke minuten zijn handen heeft gewassen en herwassen. Toch bleven ze plakkerig als de hel diezelfde avond, de volgende morgen en zelfs weken daarna... diene smerige ”boiola!”. En stinken dat ze deden..!!

Terug in Rio erkende hij dat hij daarna de goesting had moeten onderdwingen haar/hem (?) een pak slagen toe te dienen. Met een natte handdoek, voegde hij er grijnslachend aan toe.

Geschreven door Rudo om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Van pinkvingers en kittelaars

De meest merkwaardige WC die ik mij herinner, in de jaren zestig, was waarschijnlijk ons eigen kak-kot in de Spanjestraat in Rumbeke, toen nog onmiddellijk boven de beerput geïnstalleerd, wat ons toeliet de “plons” te horen, een fractie van een seconde nadat we de bom uit het kanon hadden laten ontsnappen. Een eigenaardige plons eigenlijk, iets van een andere wereld, net alsof de aarde zich daar op de grens van de oneindigheid bevond. Men deed altijd een gespannen inspanning om de billen die op de wc-bril neer rustten goed te sluiten en zo de akoestische gevolgen te minimalazeren en te vermijden dat Mama, ferm aan de slag in de aangrenzende keuken, het bewijs van onze geheime vuiligheden méé zou beleven. Het was ook de plaats bij uitstek, verkozen door onze geliefde nonkel Fons, om daar de mismaakte kuikentjes die in 't één of 't ander nest van het kiekenkot waren over gebleven, in te gooien, wat ik met grote afschuw áán staarde, onbekwaam dat ik me voelde dat pril leventje van de dood te redden. Maar hij was ongenaakbaar op dat gebied en tenslotte voelde ik mij ietwat geruster te beseffen dat ik ook geen kieken was, want mijn bestemming zou waarschijnlijk diezelfde “oneindigheid” zijn geweest. Ik kon me toen nog niet voorstellen dat het beestje daar langer dan een paar seconden in kon blijven overleven, maar nu vermoed ik dat het er waarschijnlijk tientallen minuten in rond peddelde, misschien zelfs langer dan een uur, want de stank alleen dood niets of niemand, tenware de scheten van F.. In 't kort: een uitstekend werkske voor een aan het beroep toegewijde beul.

Over kiekens gesproken: mijn gewezen, in de grond begraven, oergoed vaderke (die, in onze straat, het grootste aantal kinderen had en dus het meest eten moest produceren) had een speciale en onverwachte manier bedacht om mij, bijna alle zaterdagen, te verrassen met zijn genadeloos ritueel voor het slachten van onze uiterst familiale en onschuldige kiekens. Het was mijn gewoonte geworden, gedurende die zaterdagen, mijn jongste broer J. uit te dagen zich als piraat te verkleden (vooral met een rood gekleurd stuk stof rond zijn hoofd en een zwart lapje vóór één van zijn ogen), terwijl ik de kapitein vertegenwoordigde van de boot, voorgesteld door onze zandbak in de hof, met een daarin recht geplante bezemstok, als mast. Hij was gewapend met een klein dolkje terwijl ik, groter, belangrijker en schoner, iedere keer verkleed met een daarvoor zorgvuldig geplooide hoed van krantpapier, een beetje gelijkend op die van Napoleon, verkoos mijzelf uit te rusten met een houten zwaard, waarmee ik aanstalten maakte de aanvaller áf te slaan. Daar ben ik overigens en gelukkig genoeg, altijd in geslaagd, tenware die keren dat ik met dat zwaard, dreigend naar boven gericht, om er zogezegd korte metten mee te maken, voor de zoveelste keer werd verrast door mijn vake die ik, langs mijn neus weg en rond mijn bril om, óp zag duiken, met zijn afschuwelijk, er zelfs wreedaardig uitziend, houten blokje en bijltje, wanneer hij vastberaden (in een verrassende uitstekende lichamelijke conditie) een nieuwe en verwoedde jacht naar één van onze geliefkoosde kiekens in het kiekenkot startte, waarvan er nooit één enkel is ontsnapt, om hun vreselijk verhaal, voor hun nageslacht, vóórt te vertellen. De eerste keren, ik herinner het mij nog goed, bleef ik daar verlamd naar al dat gedoe kijken, met mijn zwaard nog hoog in de lucht óp geheven, zodat ik onveranderlijk, binnen weinige ogenblikken, het bloed er naar alle kanten uit zag spetteren en pas enkele minuten later bekwaam was mijzelf te verroeren, ontredderd dat ik was weeral eens zo'n vreselijke beelden te hebben moeten trotseren, te besluiten dat het spektakel helemaal voorbij was en ik mij triestig achter de ene of de andere deur, snikkend, ging verbergen en zo J., opnieuw, zijn vrijheid moest toestaan. De zaterdagen begonnen voor mij een ware marteling te betekenen en praktisch iedere keer werd ik door papaatje verrast, tot ik besloot niet meer mee te spelen in onze zandbak. Somtijds echter kon ik het niet vol houden en bij de kleinste schaduw van mijn vader vluchtte ik onmiddellijk naar de dichtst bijzijnde deur of onder de dichtst bijzijnde tafel en telde dan halfluid tot en met tweeduizend (daar ontdekte ik mijn "optel"-gaven) om er zeker van te zijn dat het tragisch spektakel tot een einde was gekomen. Één enkele keer echter kroop ik te vroeg uit mijn schuilplaats en kon niet vermeiden vast te stellen, met de grootste afschuw, hoe een kip zonder kop de gehele hof aan het afrennen was, tot ze eindelijk doodmoe, in mijn boot, de zandbak, zonder adem, plat viel. Ik heb nooit begrepen hoe mijn moeder het aankon, zo een vers dood leven, te pluimen, te snijden, te kappen en te kuischen. Daardoor ben ik er altijd van overtuigd geraakt dat de vrouwen eigenlijk nog wreder zijn dan de mannen.

Ongelukkig genoeg waren er ook nog andere en gelijkaardige sadisten aanwezig bij de buren en heb ik verschillende keren niet geweten wáár juist ik me moest verbergen om dat allemaal niet méé te moeten maken. Links van ons huis leefde er een vrouw met een toen al ongewone geboortenaam: "Madam van de Chef van de Statie”, die, met een afgrijselijk scheve tote, waarvoor ze zelfs geen speciale inspanning moest doen en met een dreigend mes in haar handen, niets liever deed dan de hals van haar konijnen open te snijden, vanachter in haar hof, om ze daarna, neerhangend tussen haar duim en middelvinger, dood te laten bloeden in een daarvoor speciaal meegebracht kommeke (waarschijnlijk de soep betekenend voor haar medeplichtige, de waarlijke "Chef van de Statie") en met duidelijk genoegen bleef toekijken terwijl ze hun laatste stuiptrekkingen voltooiden. Rechts van ons huis was er een man die, integendeel, zijn kiekens verkoos om zeep te brengen, zonder bloed te verbrassen, in het midden van onze straat, in een emmer gevuld met kokend water. Die laatste, verdacht ik, wachtte opzettelijk tot hij mij uit onze garage zag rijden, op mijne oude velô, die meer geleek op een Belgische tank (in tegenstelling met die van mijn oudere broers, lenig, licht, flink en fris), zonder versnellingen, maar ook zonder remmen, tenware diene stege torpedo op het achterwiel, wanneer hij dan ineens onverwacht voor mij óp dook met een emmer en dadelijk daarop met zijn tegenspartelend kieken onder zijn oksel, juist nog op tijd genoeg om het in het kokend water te dompelen en het gezellig te staan versmoren, oppassend voor zijn eigen vingers, precies op het moment dat ik daar voorbij passeerde. Ik heb altijd, uiterst verward, geprobeerd mijn fiets rap genoeg in gang te steken zodat de tweede fase, het kieken gaan halen, nog niet af was terwijl ik daar al voorbij stoomde, dan het omgekeerde, het voorste tandwiel van mijn fiets, op tijd, achteruit te slaan, want ik was me bewust dat ik de dodelijke actie daardoor niet zou ontwijken en integendeel, alles helemaal van voren aan zou verplicht zijn te waarderen. Vanaf een zekere dag heb ik de rollen omgekeerd en heb eerst zelf zijn bewegingen zitten bespieden, met de guidon van de fiets al gereed in mijn handen, wachtend tot hij, voor de ene of andere reden zijn huis binnen stapte, zodat hij de tijd niet meer zou hebben, zodra hij me opmerkte, eerst de emmer te gaan halen en dan het kieken, zodat ik dan met een triomfantelijk gevoel en de fiets al op volle gang, juist naast hem passeerde, zonder dat hij bekwaam was geweest zelfs alleen maar met de emmer óp te duiken. Ook nogal nen geniepighaard, hé! Ik hoop dat hij, nu waarschijnlijk nog altijd in het vagevuur, niet te kampen zal hebben met honderden immer opduikende kippen, uitgerust met tientallen emmers, allemaal gevuld met bruisend kokend water...

Gelukkig waren het niet allemaal wrede mensen in de straat. Niet sprekend van de jongste zoon van de Goedgeluk’s, Leon, die er duidelijk plezier in vond, op mij te mikken en te schieten met zijn “loodjesgeweer”, vanuit zijn slaapkamervenster, tot aan de populierbomen achteraan in het veld naast onze hof (dat ook aan hun hof grensde), die ik toen zopas begonnen was te beklimmen en ook van zijn zuster, Anne-Marie, die alle zaterdagen, net als Mona Lisa, met diezelfde beleefde glimlach, maar dan wel mét blote borsten, aan de ruit van hun badkamer verscheen, juist vóór de onze, waar vooral F. in het geheim naar gluurde, terwijl hij gulzig zijn geslachtsdelen betastte (zelfs ik probeerde er, vanuit de populieren, een glimp van te ontvangen), waren er kinderen waarmee ik goed over de baan kon, zoals Jozef, de zoon van de "Chef van de Statie", waarmee ik geregeld monopolie speelde (ik herinner me dat zijn moeder me eens had verwittigd dat hij niet thuis was omdat men, in het hospitaal, zijn “velletje” aan het áfknippen was, waarbij ze mij medeplichtig een knipoogje gaf, als wilde ze zeggen “ge weet wel, hé!!??” en ik toestemmend en verstandig méé knikte, alhoewel ik er geen enkel benul van had waar juist hij een velleke teveel zou kunnen gehad hebben); de zoon van onze huisdokter die ik opgelucht eens ne hele hoop Brusselaars met het woord “franskiljons” heb horen uitschelden, terwijl ik er hem voordien van verdacht had er zelf ook één van te zijn; de kinderen van de Van Kerkhove’s, die over een tam ezeltje in hun tuin beschikten om ons nen hele namiddag méé bezig te houden en waarna het oudste dochtertje, An (geloof ik), mij dan blozend vroeg of ze op mijn schouders mocht kruipen, zoals ik eerder zelf had gedaan met dat ezeltje en na zó verschillende toertjes op een drafje gemaakt te hebben in de grote tuin, het mij opviel dat er iets eigenaardigs in mijn nek aan het kriebelen was (later heb ik begrepen waar de naam “kittelaar” van komt) ze mij voor stelde, nog heviger blozend, haar “dingetje” van dichtbij te bekijken, omdat hij (het?) zogezegd extra groot was, groter zelfs dan dat van haar drie jaar oud broertje, iets waar ze erg trots op was, terwijl ze mij bijna de gehele lengte van haar pinkvingertje toonde, maar waar ik toen nog geen enkele belangstelling in stelde en haar dat onmiddellijk klaar maakte, haar van mijn schouders schuddend; het dochtertje van de eigenaar van een grote glasfabriek, dicht bij het kasteel van Rumbeke, dat altijd preuts voorbij wandelde zonder ons zelfs een blik te gunnen en dat blijkbaar geen Vlaams kon spreken; de kinderen van de “Sossen” om de hoek van de Guido Gezellelaan, waarmee ik uitdrukkelijk verboden was contact te hebben vanwege mijn erg “bezorgde” papa (in dat opzicht wel), omdat hun ouders socialisten waren, iets waar ik nu spijt van heb; de zoon van de eigenaar van de drukkerij in de Roeselaarsche Steenweg, Aurel, die met ons geregeld, in onze garage, poppentoneel kwam organiseren, mits betaling van één frank toegangsgeld, vooral voor de buren die geen lid waren van onze selecte club en andere jongens en meisjes, die me nu té ver zouden leiden...

Geschreven door Rudo om 17:43 Reageer op dit bericht Stuur door

Naïve mensen

Over de vorige verklaringen die ik, en passant, ten opzichte van mijn zuster Hilde heb gemaakt, voel ik mij gedwongen, zonder vooroordelen, enkele andere voorbeelden van naïviteit onder de schijnwerper te leggen voor nodige en verhelderende uitleg.

Mijn intussen overleden zuster heb ik toen verweten dat ze een beetje te kinderachtig was. Ik moet er, rechtvaardigheidshalve, onmiddellijk aan toe voegen dat ikzelf ook van deze kwaal lijd en ik zal nu, met enkele "gevallen", trachten te demonstreren waarom juist:

Ik had, gedurende de geschiedenisles in de Broederschool van Roeselare, geleerd dat Napoleon Bonaparte de oorlog tegen Engeland, in Waterloo, had verloren op het ogenblik dat hij gehurkt neer zat, midden in zijn laatste veldslag. In mijn naïviteit besloot ik toen, dat hij, tussen de ene en de andere Engelse soldaat die hij met zijn zwaard omver had geslagen, er zich opeens een dringende goesting had gemanifesteerd om eens plechtig te gaan schijten, resultaat van zijn laatste middagmaal, dat geen uitleg en ook geen uitstel verstond, reden waarom hij gehurkt, ergens achter een struikboompje, zijn lange spijkerbroek had af gestroopt om rustig de natuur zijne gang te laten gaan. Hoe groot was mijn verassing niet, veel later, geïnformeerd te zijn geworden door de Amerikaanse en Engelse pers, gekopieerd door de nooit neutrale geschiedenisschrijvers, dat hij zich niet helemaal hurkend had geplaatst, maar alleen maar zijn achterwerk provocatief in de lucht had gestoken, nadat één van zijn lijfbeschermers, die een Engelse spion was, lokkend in zijn ogen had gekeken, enkele minuten daarvoor. Nu begrijp ik dat de bedoeling van dat verhaaltje alleen maar was Napoleon belachelijk te maken. Wie schrijft eigenlijk die geschiedenisboekjes??

Een ander verklarend voorbeeld bestaat over de manier waarop men ons geleerd heeft het kruis te slaan. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Alles in orde met de Vader en de Zoon (een onschendbare verhouding), maar hoezo, waar kwam die "Heilige Geest" ineens vandaan? Ik had nog nooit eerder van de "Espirito Santo" horen spreken. Jamaar, jamaar, kreunde de schoolmeester in de Broederschool in Roeselare tussen zijn tanden door: gij moet gij zo'n dingen helemaal niet vragen hé; dat zijn de raadsels van het leven, waarvoor er gene wetenschappelijke uitleg bestaat, terwijl hij vlug naar zijn Oud Testament zocht om de bladzijde aan te duiden waar duidelijk geschreven stond dat het mysterie van de drie personen, vermengd in ene enkele persoon, niet te verklaren was, vooral voor alle naïeve en onnozele leerlingen van de Broederschool en hij dan besloot dat verhaaltje te herhalen (dat hij ook al gehoord had, toen hij amper tien jaar oud was, maar besloot het nu in de eerste persoon voort te vertellen), over dat kleine manneke dat hij ontmoet had op het strand in Blankenberge en dat daar geduldig, tientallen keren, met een paplepeltje naar het zeewater liep, zijn lepeltje er mee vulde en het uit ging storten naar een putje in het zand dat hij daar eerder, met zijn handjes, gedolven had. Toen hij vroeg wat hij daar eigenlijk aan het uitspoken was antwoordde het klein manneke dat hij de gehele zee, in dat putje, aan het storten was. Bedenkend had hij zijn wenkbrauwen opgetrokken en mompelend had hij opgebiecht dat dat helemaal niet mogelijk zou zijn, waarop het manneke, strak opkijkend in zijn ogen, verklaarde: ik zal rapper al het water van de zee in dat putje kunnen gieten dan gij het mysterie verstaan van die drie personen in één...

Grappig nietwaar, ga met zo een uitleg in uw oren gaan slapen, hé. Dertig jaar later heb ik verstaan dat ze mij weeral in de loeren hadden gelegd. Naïeve Rudo en diene "heilige geest", daar heb ik zelfs nooit ne meer over horen spreken, uitzondering gemaakt voor diene ene andere keer, toen hij Maria bevrucht heeft. Diene schijnheilighaard.

Bovendien had ik toen ook nog niet begrepen waarom juist, onze oude schoolmeester, Raymond Lievens (de Snak), altijd zijn vingernagels zo proper kort hield, terwijl de nagel van zijn pinkvinger, integendeel, maar langer en langer werd. Dat mysterie heb ik vroeger kunnen oplossen dan het eerste, zonder het ooit aan iemand gevraagd te hebben, want ik heb hem, kort daarop, betrapt onder de trap naar het eerste verdiep, terwijl hij daar met precies diene uiterst lange nagel, ver in zijn neusgat aan het peuteren was, blijkbaar om er zichzelf van te verzekeren dat er geen enkele, verdere, viezigheden meer aanwezig waren.

Een ander voorbeeld van naïviteit is gebeurd terwijl ik al in Brazilië leefde. In het gebouw waar ik woonde was er een vrouw van middeljarige leeftijd die mij altijd aan mijn elleboog vast kon grijpen precies op het ogenblik dat ik juist in, of juist uit, de lift aan het stappen was en elke keer om mij een "klein pleziertje" te vragen, wat altijd neer kwam op het herstellen van 't één of 't ander kraantje, of het vervangen van een lamp of zo, in haar eng appartementje. Fysisch contact bleef somtijds moeilijk te vermijden en ene keer leunde ze heel dicht bij mij aan en staarde geïnteresseerd naar mijn rechteroor. Met bevende stem kon ze er opeens uit kramen: "wat een GROOT oor heb jij wel..". Ik draaide me beschaamd naar haar toe en op datzelfde ogenblik wendde ze haar blik naar het pakske in mijn broek... Wel, dat heb ik dan toch goed verstaan natuurlijk, onmiddellijk, maar in plaats van bevestigend te knikken, heb ik beschaamd mijn blik naar de grond gewend, voelde ik mezelf zo rood worden als een rijpe tomaat en besloot ik de reële grootte ervan te delen door twee.. allez.. allez, hij is zo danig groot niet hé.. alleen maar middelmatig groot.. laat ons zeggen...

Geschreven door Rudo om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Hilde

Over Hilde, onze enige en wat oudere, geliefde, zuster, ze is ook door een hel gegaan, het schaap. Eerst toen ze vernam dat Tante Georgine, zuster van Mama, alhoewel haar vage beloften op dat gebied, enkele jaren eerder, haar niet op haar testament had vermeld, maar ook en vooral en vele keren erger, omdat ze daarna, ik bedoel, na de dood van Nonkel Fons en Tante Georgine, ook een gelijkaardige ziekte heeft ontdekt, in haar darmen. Een strijd die ze uiteindelijk verloren heeft, niettegenstaande de kwakzalf-dokter van Oostduinkerke, waar ze woonde, die haar gedurende vier jaar modder heeft doen inslikken en een praktisch honderdtal pillekes en zalfkes, dagelijks, heeft vóór geschreven, mits harde en contante betaling en wanneer onmogelijk, onder meer ook via het regelmatig kuisen van zijn privaat toilet en het wassen van zijn onderbroeken en die allemaal samen niet genoeg zijn geweest om te vermijden dat haar dikke darm aan het verstoppen werd van dat gezwel. Het is zeker dat Hilde zelf ook, voor een groot deel, schuldig is aan het uitstellen van die noodzakelijke chirurgische ingreep, tenslotte toch gebeurd in een uiterst geval van wanhoop, toen ze al ettelijke weken haar opgepropte “afgang” niet meer kon verliezen, want ze wilde perse een dokter vinden die alles oploste door magische woorden uit te brabbelen en mysterieuze handopleggingen te bevorderen. Erger is dat een gediplomeerde mens zich daar ter beschikking voor stelt en zijn diensten "duur" voor aanbied. Heel zeker zal diene dokter ook gebuisd zijn geweest in zijn vijfde studiejaar en is er dan juist door gekrabbeld, de tweede keer, met een scheetje meer dan zestig percent van de punten.

Van de andere kant bezit hij waarschijnlijk de nodige zelfzekerheid om met andere mensen verschillende toertjes te kunnen maken, zonder met gewetensproblemen, daarna, te moeten kampen.

Geschreven door Rudo om 14:02 Reageer op dit bericht Stuur door

De Beul van Rumbeke (3)

Verwijzend naar twee eerdere post's met dezelfde suggestieve naam, ik voel mij verplicht daar enkele verdere anekdoten aan toe te voegen:

Aangemoedigd door de opvallende verdraaiing in de richting van de wind ondervonden door de alomheersende Nonkel Fons, heeft F., zijn oudste zoon, enkele maanden later, ook zijn respectieve daad van moed geleverd. Hij had, met ware afschuw, ontdekt dat zijn altijd bekommerd vaderke heimelijk zijn eerste lief had op gezocht met de bedoeling haar zijn echt (schuw) karakter, in geuren en kleuren, eens lekker uit de doeken te doen, zodat ze verschrikt besloten had een einde aan de verhouding te stellen. Smoorverliefd zoals hij was, vooral op haar ferm vooruit puilende borsten, kon hij het niet verteren dat nonkel Fons daar zijn grote neus had tussen gestoken, waarschijnlijk met de bedoeling zelf eerst aan het verboden fruit te rieken en er haar alzo van te overtuigen dat, indien ze echt klaar stond haar velleke definitief op te offeren, ze het beter eerst aan hem, een waarlijke held van de tweede wereldoorlog, zou moeten áán bieden. Onmiddellijk na dat geweten te zijn gekomen, stoomde hij huiswaarts met de bedoeling de rollen nu ne keer definitief om te keren en zelf een goedverdiende rammeling toe te passen. Ongelukkig genoeg was vaderke-lief niet thuis op dat moment. F. was totaal onherkenbaar: voor het eerst zag ik een ontembare en op wraak beluste broere, met de zenuwen van alle poriën van zijn vel uit-puilend. Ik meende zelfs schuim op zijn lippen ontdekt te hebben. Hij besloot hem af te wachten en trachtte ons, zijn aanwezige broers, ervan te overtuigen, hem te vergezellen in zijn kruisvaart en allemaal samen ons heilig vaderke eens een paar goed gemikte muilperen terug te geven. Ik herinner me niet of D. aanwezig was; J. was nog te klein; Hildeke diende daar niet voor en G. had zojuist weeral een nieuw puistje binnenin zijne neus ontdekt (iets wat hij van zijn moeder geërfd heeft). Ik bleef dus eigenlijk alleen over en eerlijk, ik begreep niet wat er juist aan de gang was, want hij faalde erin mij volledig in te lichten over wat er precies gebeurd en/of niet gebeurd, was. F. rekende er waarschijnlijk op dat de tientallen voordien in gecasseerde en onrechtvaardige rammelingen die ik, zonder kosten, van vake ontvangen had, meer dan reden genoeg betekenden om hem vrijwillig bij te springen. Van den anderen kant, ik herinnerde mij op dat ogenblik niet of die schone trouwheid en medeplichtigheid ooit al eens de straat van het tweerichtingsverkeer had betreden en, puntje bij paaltje gezet, kon hij er mij dus niet van overtuigen mijn hand voor hem in het vuur te steken.

Enkele minuten later hoorden we dan toch het verwachtte, typische, gefrutsel van de "sleutel in het slot". Er was geen tijd ne meer voor verdere afspraken en overbodige uitleg. Toch bleef ik in de omgeving slenteren. Verrast zag ik F. de riem uit zijn broek trekken, het uiteinde twee keer rond zijn gesloten vuist te winden en de riem met de andere kant, waar het ijzeren slot eraan ging, verschillende keren, zoals een zweep, op de eettafel néér te doen pletsen, wat ook aan mij een respectvolle indruk gaf, terwijl de deur van de woonkamer beslist open geduwd werd. Het was eigenaardig de verrassing van Nonkel Fons gade te slaan: uitgedaagd worden in zijn eigen huis!! F. had zich veilig aan de andere kant van de rechthoekige tafel geplaatst terwijl hij voortdurend met de riem voort bleef pletsen, wat verschillende definitieve lidtekens op het schone hout heeft achter gelaten. Ik herinner me niet meer wat er juist van de ene kant naar de andere werd getierd, alhoewel op dat gebied Fons duidelijk het onderspit aan het delven was. Verrast maar rap hersteld voor de strijd, zoals een getergde leeuw, besloot hij, zich rond de tafel bewegend, F. persoonlijk en face-to-face te ontmoeten. Zich nog altijd duidelijk herinnerend van de apensprongen die hij geregeld in Turn-Club van de Broederschool, "Fris en Flink", had moeten uitvoeren, besloot mijn broer zich naar de andere kant te katapulteren, zodat binnen enkele seconden, de ene, rond de tafel, achter de andere liep, zonder dat, eventuele aankomende bezoekers, juist zouden kunnen bepalen, wie juist achter wie liep. Ik stond er maar op te kijken, zonder de aandacht te willen trekken van ons liefdevolle vaderke, maar toch geïnteresseerd in te weten wie, uiteindelijk, het rapst zou zijn. Alhoewel ik verschillende keren de gelegenheid had gehad nonkel Fons een beentje te leggen (maar ge begrijpt wel hé, ik wilde geen steentje werpen op het glazen dak van Fonske, beseffende dat ikzelf er ook één had, of beter, de aandacht niet wilde trekken van een razende stier), heb ik dat dan toch niet gedaan. Feit is dat F., na ongeveer twintig toeren rond de tafel, opgemerkt heeft dat Papa vreemd begon te kuchen, te hijgen en te hoesten en hij het gepast vond plotseling te ontsnappen van de vicieuze cirkel rond de tafel, een tangent gebruikend, om daarna voor een paar uren te verdwijnen, terwijl het vakelief verschillende additionele rondjes nam, vooraleer te beseffen dat de prooi hem was ontsnapt... Ja hoor, ’t zijn wrede beesten, die Van Leuven’s... en dan bedenken dat hij op ’t einde (in het jaar 2000 – vijfentachtig jaar oud?), na wég getrapt te zijn geweest uit zijn eigen huis in Kuurne (dat hij, om te vermijden dat het, vroeg of laat, in de handen van zijn eigen kinderen zou vallen, op de naam had gezet van zijn laatste gezellin, die, eigenaardig genoeg nog scheler was dan ik, wat me altijd één van de voornaamste redens bleek geweest te zijn voor zijn immense afkeer voor mij) te voet, van het oude mannekeshuis, waarin hij de laatste jaren van zijn leven heeft door gebracht en waar hij die morgen van zijn bed was gevallen, naar het hospitaal is gewankeld om daar, drie dagen later, alléén te sterven, weggegeten van de uitgezaaide kanker... diene koppige smeerlap, die dertig jaar lang zijn zes kinderen niet meer heeft gezien en nog minder, nooit, geen enkel van zijn kleinkinderen.

Zonder begraven te willen worden (hij heeft zijn lijk aan het universiteit’s ziekenhuis aangeboden, in naam van de wetenschap - ik begrijp niet goed met welk doel eigenlijk) heeft hij op een stukje papier geschreven, toen hij al geen woorden meer kon uiten en vooraleer zijn laatste adem uit te blazen: “ze hebben mij getemd”.

Hilde heeft het op haar verantwoordelijkheid genomen te redden, voor haarzelf, wat er nog te redden viel, waaronder, veel kapotte vulpennen, lege stylo's en botte zakmessen. Wees gelukkig met hen, Hilde...

Geschreven door Rudo om 13:58 Reageer op dit bericht Stuur door

De Beul van Rumbeke (3)

Verwijzend naar twee eerdere post's met dezelfde suggestieve naam, ik voel mij verplicht daar enkele verdere anekdoten aan toe te voegen:

Aangemoedigd door de opvallende verdraaiing in de richting van de wind ondervonden door de alomheersende Nonkel Fons, heeft F., zijn oudste zoon, enkele maanden later, ook zijn respectieve daad van moed geleverd. Hij had, met ware afschuw, ontdekt dat zijn altijd bekommerd vaderke heimelijk zijn eerste lief had op gezocht met de bedoeling haar zijn echt (schuw) karakter, in geuren en kleuren, eens lekker uit de doeken te doen, zodat ze verschrikt besloten had een einde aan de verhouding te stellen. Smoorverliefd zoals hij was, vooral op haar ferm vooruit puilende borsten, kon hij het niet verteren dat nonkel Fons daar zijn grote neus had tussen gestoken, waarschijnlijk met de bedoeling zelf eerst aan het verboden fruit te rieken en er haar alzo van te overtuigen dat, indien ze echt klaar stond haar velleke definitief op te offeren, ze het beter eerst aan hem, een waarlijke held van de tweede wereldoorlog, zou moeten áán bieden. Onmiddellijk na dat geweten te zijn gekomen, stoomde hij huiswaarts met de bedoeling de rollen nu ne keer definitief om te keren en zelf een goedverdiende rammeling toe te passen. Ongelukkig genoeg was vaderke-lief niet thuis op dat moment. F. was totaal onherkenbaar: voor het eerst zag ik een ontembare en op wraak beluste broere, met de zenuwen van alle poriën van zijn vel uit-puilend. Ik meende zelfs schuim op zijn lippen ontdekt te hebben. Hij besloot hem af te wachten en trachtte ons, zijn aanwezige broers, ervan te overtuigen, hem te vergezellen in zijn kruisvaart en allemaal samen ons heilig vaderke eens een paar goed gemikte muilperen terug te geven. Ik herinner me niet of D. aanwezig was; J. was nog te klein; Hildeke diende daar niet voor en G. had zojuist weeral een nieuw puistje binnenin zijne neus ontdekt (iets wat hij van zijn moeder geërfd heeft). Ik bleef dus eigenlijk alleen over en eerlijk, ik begreep niet wat er juist aan de gang was, want hij faalde erin mij volledig in te lichten over wat er precies gebeurd en/of niet gebeurd, was. F. rekende er waarschijnlijk op dat de tientallen voordien in gecasseerde en onrechtvaardige rammelingen die ik, zonder kosten, van vake ontvangen had, meer dan reden genoeg betekenden om hem vrijwillig bij te springen. Van den anderen kant, ik herinnerde mij op dat ogenblik niet of die schone trouwheid en medeplichtigheid ooit al eens de straat van het tweerichtingsverkeer had betreden en, puntje bij paaltje gezet, kon hij er mij dus niet van overtuigen mijn hand voor hem in het vuur te steken.

Enkele minuten later hoorden we dan toch het verwachtte, typische, gefrutsel van de "sleutel in het slot". Er was geen tijd ne meer voor verdere afspraken en overbodige uitleg. Toch bleef ik in de omgeving slenteren. Verrast zag ik F. de riem uit zijn broek trekken, het uiteinde twee keer rond zijn gesloten vuist te winden en de riem met de andere kant, waar het ijzeren slot eraan ging, verschillende keren, zoals een zweep, op de eettafel néér te doen pletsen, wat ook aan mij een respectvolle indruk gaf, terwijl de deur van de woonkamer beslist open geduwd werd. Het was eigenaardig de verrassing van Nonkel Fons gade te slaan: uitgedaagd worden in zijn eigen huis!! F. had zich veilig aan de andere kant van de rechthoekige tafel geplaatst terwijl hij voortdurend met de riem voort bleef pletsen, wat verschillende definitieve lidtekens op het schone hout heeft achter gelaten. Ik herinner me niet meer wat er juist van de ene kant naar de andere werd getierd, alhoewel op dat gebied Fons duidelijk het onderspit aan het delven was. Verrast maar rap hersteld voor de strijd, zoals een getergde leeuw, besloot hij, zich rond de tafel bewegend, F. persoonlijk en face-to-face te ontmoeten. Zich nog altijd duidelijk herinnerend van de apensprongen die hij geregeld in Turn-Club van de Broederschool, "Fris en Flink", had moeten uitvoeren, besloot mijn broer zich naar de andere kant te katapulteren, zodat binnen enkele seconden, de ene, rond de tafel, achter de andere liep, zonder dat, eventuele aankomende bezoekers, juist zouden kunnen bepalen, wie juist achter wie liep. Ik stond er maar op te kijken, zonder de aandacht te willen trekken van ons liefdevolle vaderke, maar toch geïnteresseerd in te weten wie, uiteindelijk, het rapst zou zijn. Alhoewel ik verschillende keren de gelegenheid had gehad nonkel Fons een beentje te leggen (maar ge begrijpt wel hé, ik wilde geen steentje werpen op het glazen dak van Fonske, beseffende dat ikzelf er ook één had, of beter, de aandacht niet wilde trekken van een razende stier), heb ik dat dan toch niet gedaan. Feit is dat F., na ongeveer twintig toeren rond de tafel, opgemerkt heeft dat Papa vreemd begon te kuchen, te hijgen en te hoesten en hij het gepast vond plotseling te ontsnappen van de vicieuze cirkel rond de tafel, een tangent gebruikend, om daarna voor een paar uren te verdwijnen, terwijl het vakelief verschillende additionele rondjes nam, vooraleer te beseffen dat de prooi hem was ontsnapt... Ja hoor, ’t zijn wrede beesten, die Van Leuven’s... en dan bedenken dat hij op ’t einde (in het jaar 2000 – vijfentachtig jaar oud?), na wég getrapt te zijn geweest uit zijn eigen huis in Kuurne (dat hij, om te vermijden dat het, vroeg of laat, in de handen van zijn eigen kinderen zou vallen, op de naam had gezet van zijn laatste gezellin, die, eigenaardig genoeg nog scheler was dan ik, wat me altijd één van de voornaamste redens bleek geweest te zijn voor zijn immense afkeer voor mij) te voet, van het oude mannekeshuis, waarin hij de laatste jaren van zijn leven heeft door gebracht en waar hij die morgen van zijn bed was gevallen, naar het hospitaal is gewankeld om daar, drie dagen later, alléén te sterven, weggegeten van de uitgezaaide kanker... diene koppige smeerlap, die dertig jaar lang zijn zes kinderen niet meer heeft gezien en nog minder, nooit, geen enkel van zijn kleinkinderen.

Zonder begraven te willen worden (hij heeft zijn lijk aan het universiteit’s ziekenhuis aangeboden, in naam van de wetenschap - ik begrijp niet goed met welk doel eigenlijk) heeft hij op een stukje papier geschreven, toen hij al geen woorden meer kon uiten en vooraleer zijn laatste adem uit te blazen: “ze hebben mij getemd”.

Hilde heeft het op haar verantwoordelijkheid genomen te redden, voor haarzelf, wat er nog te redden viel, waaronder, veel kapotte vulpennen, lege stylo's en botte zakmessen. Wees gelukkig met hen, Hilde...

Geschreven door Rudo om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Voyeurs en aanverwanten

Gedurende een eendere situatie (en hierbij onmiddellijk bevestigend dat ik bij de klasse van de matige voyeur's mag ingedeeld worden), had ik, hier in Brazilië, een vrouw opgemerkt en blijven gadeslaan in de plaatselijke luchthaven, die zonder zich veel te generen, maar met een uiterst laag uitgesneden "decolleté", een enorme boezem reveleerde, waarmee ze gezellig rond pronkte, van links naar rechts en van voor naar achter, in de wachtzaal. Wat ze eigenlijk te veel had van boven miste ze wel wat vanonder, waar haar achterwerk en benen ietske te mager waren uitgevallen. Maar de blikvanger was zeker de borst en ik kon er bijna mijn ogen niet van af wenden. Ik vooral, maar ook andere mannen, natuurlijk. Eens in het vliegtuig, ging ze juist op de plaats vóór de mijne zitten, terwijl ik geduldig wachtte tot de rij mensen, in de gang, verder aan het dóórschuiven was. Ik hield mijn zaktelefoon in mijn hand en opeens flitste het door mijn gedachten dat ik, terwijl ik zogezegd mijn plaats aan het bekeuren zou zijn en mijn verschrompelde broek aan het plat strijken, mijn andere hand, waar de telefoon in zat, over haar leuning zou kunnen leggen en over haar schouder heen, met de ingebouwde camera, een rap fotootje zou kunnen trekken van die zodanig verleidende super borsten, van bovenaf gezien, dan nog... en de daad bij het gedacht voegend, was ik bekwaam, onschuldig, op het juiste knopje te duwen, tot ik verstomd vast stelde dat ik me niet had herinnerd dat ik dat elektronisch apparaat had geprogrammeerd om het "click"-geruchtje van een echt fototoestel na te bootsen en verschrikt opmerkte dat zij dat geruchtje dadelijk had herkend en ze zich onmiddellijk naar mij om wendde, zonder echter ooit een kreetje geslaakt te hebben van verrassing en zelfs meer, me met een zwoel glimlachje om haar brede mond (wat me onweerstaanbaar naar de omvang van haar andere mond deed verhuizen), aan te loeren, zichzelf rechter zettend in haar zetel om haar boezem nog verder naar voren, preuts, te kunnen bewegen zodat ik zelfs meende haar navel te zien schemeren, tussen de twee ronde heuvels door, mezelf duidelijk stimulerend er nog eentje méér van te maken, wat ik, rood wordend, ook deed, alleen maar met de bedoeling het incident met een gelukkig happy-end af te sluiten, maar waar zij blijkbaar niet akkoord mee was, want terwijl ik me onhandig neer zette, begon zij aan haar gordel te prutsen, waarna ze dan traag rechtop kroop, zich naar mij toedraaiend en naar voren boog om mij nogmaals haar priemende boezem aan te bieden, maar nu in een meer frontaal gezicht, maar wat ik geneigd was te weigeren, want het "verboden en geniepige" was er al een beetje vanaf en tenandere, langs mijn neus weg had ik opgemerkt dat mijn buur zich ineens ook begon te animeren en expliciet op al dat gedoe begon te letten en ik me verplicht vond haar aanbod, schuchter, met een nee-zwaaiende vinger te weigeren, maar aangezien ze dat niet wilde verstaan, ze zichzelf terug op richtte en ze zich naar het pad tussen de zetels wendde, waar ze diep buigend haar rok tot aan haar lenden ophief, schuin naar achteren loerend, om me niet uit het gezicht te verliezen, heel waarschijnlijk begrijpend dat ik van haar borsten al ruim voldoende foto's had getrokken en nu van plan was haar overigens nogal plat achterwerk aan te bieden, gescheiden in het midden, door een fel rood gekleurde G-string, die ik op dat moment verschrikkelijk lelijk vond en er me dus van overtuigde geen verdere "films" daaraan te verspelen, van de ene kant en van de andere kant, ik absoluut geen schandaal wilde veroorzaken in het bijna vertrekkend vliegtuig, waar iedereen in de buurt, nu duidelijk het vreemd gedoe was beginnen na te gaan. Één van de air-hostessen, die intussen de gang naar ons toe óp was komen wandelen, naar links en naar rechts kijkend, om zich ervan te verzekeren dat iedereen zijn gordel had vast geklonken en zich nog niet bewuste van al dat eigenaardig gedoe, daar, wat verder op, vroeg haar beleefd néér te zitten, wat zij, tot mijn grote genoegen en opluchting ook onmiddellijk deed, zonder verder te reclameren en mij dus sparend van verdere last.. Onmiddellijk ná de ontlanding heb ik mij stillekes verhuisd naar een plaatsje, verderop in het vliegtuig en ik zweer dat ik zelfs nooit ne meer heb durven opkijken, benauwd dat ik was die gretige ogen terug te moeten trotseren. Pas later heb ik maar eigenlijk goed beseft hoe dichtbij zij die twee magere en blanke helften, gescheiden door één enkel donker hol, dat niet helemaal bedekt kon worden door die vermelde string, zo dicht tegen mijn neus had geduwd en waarom ik het helemaal vergeten had mij met een onbetwistbaar bewijs van haar aandacht aan mij, voor de toekomst, te verschaffen. Zelfs de geur van haar slipje, is mij ontgaan. Een schande..

Geschreven door Rudo om 15:58 1 reactie Reageer op dit bericht Stuur door

Prille jeugdjaren

Terwijl we nu toch over onze jeugdjaren in België aan het zeveren zijn, Mama heeft altijd beweerd dat ik in de Zusterschool, in Rumbeke nog, waar ik voor het eerst in contact ben gebracht met mijn nieuwe moedertaal, met name het ABN (Algemeen Beschaafd Nederlands, een ingenieuze term die gefabriceerd is geweest door enkele beschaam(f)de Vlamingen die in Brussel woonden) de nonnen altijd "vierkant uitlachte". Dat zijn haar woorden. Eerlijk, dat herinner ik mij niet meer, maar ik herinner me wel diene ene magere collega die voortdurend in mijn aangezicht speekte, door zijn gesplitste voortanden heen, terwijl hij mij aan het overtuigen was mij óm te draaien om op mijne rug te kunnen springen en zo op zijn paardje de gehele koer, verschillende keren, af te draffen en het mij opviel hoeveel zijn adem wel stonk naar salami, wat me een levenslange afkeer heeft bezorgd aan alle soorten worsten, eender welke smaak en type.

Wat later heb ik ook ondervonden dat de uitleg en de reden van een kind nooit verstaan wordt door de toenmalige schoolmeesters (mijn bezorgd vake heeft de eerste prijs daarin, met alle zekerheid, veroverd). Wat ik ook aanwendde om iets uit te leggen of te verklaren en hoe langer dat duurde, hoe meer ik begon te stotteren en hoe meer ik haperde, hoe meer zij hun bekkes, onbeleefd, open sperden en diep gaapten. Ik verdacht toen dat ze misschien niet goed hadden geslapen en nog moe waren van dat bekend "humanistisch programma" in de radio, de avond daar voren, maar nu begrijp ik dat het wel een teken was van volmaakte desinteresse.

Regelmatig speelde mijn baas, hier in Brazilië, hetzelfde toneeltje. Op het ogenblik dat ik me aan het voorbereiden was een ingewikkelde explicatie te starten begon hij opeens en indrukwekkend wijdsmond, te gapen. Eerst veronderstelde ik (toen nog altijd) dat hij niet goed had geslapen; daarna dat hij eigenlijk geen enkele interesse had in mijn uitleg, maar nu besef ik wel dat hij gaapte om mij duidelijk te maken dat ik helemaal niet belangrijk en hem zelfs ernstig aan het vervelen, was. Iedereen weet dat "gapen" besmettelijk is en op één zekere gelegenheid kon ik mezelf niet bedwingen en sperde ik mijn mond ook wijd open, juist op het moment dat hij hem aan het sluiten was. Hij keerde zich verbaasd naar mij om en vroeg perplex of ik niet goed had kunnen slapen, de nacht daarvoor. Blijkbaar was hij ook gebuisd geweest in één van zijn eerste studiejaren...

Typische, bewuste, daad van een spelbreker.

Over spelbrekers gesproken, dat is toevallig ook een belangrijke karaktertrek van mijn eigen, wat oudere, broer D.: een volledige en compleet natuurlijke "estraga prazer" (genotverbrodder). Hij heeft daarvoor nooit speciaal gestudeerd, 't schijnt, maar is er toch specialist in geworden. Ik vermoed dat in de snelcursus voor Giroleider, deze truc wordt aangeleerd om zo geen overbodige en altijd nutteloze redens te moeten aanhoren vanwege de volgelingen. Vele jaren later en reeds als President van de Lions Club van Torhout en omgeving, heeft hij ook begrepen dat wanneer het plezier het grootst is, de rem onmiddellijk moet áán getrokken worden. Het is part, vanzelfsprekend, van diene zelfde cursus, geadministreerd en toegepast door de Amerikaanse en Engelse liberalen. Het is hoogst waarschijnlijk daarom dat hun respectieve vrouwen zelden hun climax bereiken. Elke keer dat ze bijna zover, in stukken en brokken, zijn geraakt, herinnert de gapende en nuchtere man hen eraan dat ze niet mogen vergeten zes rollen WC-papier te kopen 's anderendaags 's morgens vroeg. In het geval van D. heeft die regel diepe lidtekens ná gelaten in zijn persoonlijkheid, zonder mogelijke terugkeer. Men zegt hier, bijvoorbeeld, dat eens een man de smaak heeft geproefd van een andere sabel, hij nooit meer smaak zal vinden in een schede. Let op, ik ben niet aan het beweren dat hij een potter is; ik ben aan het verklaren dat hij nooit ne meer een socialist zal worden, zoals hij eertijds, bleek te zijn. Toen hij nog nuchter was en me had gevraagd, talloze keren, de krantjes van de Volksunie, deur-aan-deur, te verkopen in Rumbeke, Roeselare en de andere dichtbij (op wandelafstand) gelegen gemeenten, zoals Izegem, Ardooie, Beveren, Oekene, enz.. heb ik dat met alle plezier en overtuiging, in zijn plaats en in volle onschuld, gedaan, zonder daarvoor ooit op een vergoeding te hebben gerekend. Zelfs Mama is aan zijn redenering tenonder gegaan. Eerst was ze absoluut katholiek. Later is ze, van pure afkeer (omdat ze, zo had de paster haar wijs gemaakt, in voortdurende zonde leefde, zoals de bijbelse Madalena, omdat ze een gescheiden vrouw was) socialist geworden, maar ze is gestorven als een overtuigde liberaal, onder invloed van D., vergetend dat die laatsten het volgende verdedigen: "Elk voor zijn eigen. Wie zichzelf niet kan onderhouden, moet verdwijnen". De katholieken voegen er de volgende godsdienstige woorden aan toe: "Elk voor zijn eigen, God voor allen, maar wie zichzelf niet kan verdedigen, moet naar het oude-mannekes-huis keren". Zoals de Fons, bijvoorbeeld.

Het is een algemeen publiek geheim dat verenigingen zoals de Lions Club, de Rotary Club, de Maçons en andere, gelijkwaardige Klan's, er op uit zijn alle sociale veroveringen van een bepaald land totaal te annuleren, terugkerend naar een gemeenschap zoals de diene die nog in India bestaat, met verschillende "castas", 't is te zeggen: met meesters, slaven en knechten, pure en onpure mensen, terwijl ze van de andere kant, toch terug deinzend voor een eventuele toekomstige straf na hun dood en om niet rechtstreeks naar de hel gezonden te worden, acties verdedigen, hier en daar, maar niet alle dagen, die het uitdelen van enkele belangrijke aalmoezen bevorderen (er tegelijkertijd, hunne eerbiedige naam onder schrijvend, voor het nageslacht), aan de "minder begunstigde geesten".

Ik beken over mezelf dat, onze stamboom in overweging genomen, ik niet dicht bij de boom ben gevallen. Of beter, ik ben niet verre van de stam gevallen, maar sinds de boom op een steile helling (bergaf) staat, ben ik wat verder voort blijven rollen.

F., van den anderen kant, heeft bijna zijn leven lang in Avelgem door gebracht en daar is niemand ooit slimmer van geworden. Hij is gene slechte mens, uiteraard niet, maar er ontbreekt wat gezond verstand aan. Zoals bij G. ook bijvoorbeeld, maar dat is zijn schuld niet, vanzelfsprekend. Ik denk dat G. zelfs een taaie mens is. Men bijt, men knauwt, men vermurwt, maar hij blijft onverteerbaar..

Hij is een taaie pees en de beste herinnering die ik van hem overhoud is die van toen we samen de badkuip in moesten, zaterdag 's namiddags (om maar ene keer het verwarmingskacheltje, op gas, te gebruiken) en hij, zonder daarover te reclameren, vóór mij plaats nam in de kuip en hoe ik halvelings verplicht werd te loeren naar zijn blanke poepe, maagd nog, toen. Achter zijne rug en zijn geïnteresseerde blik over zijn schouder ontwijkend, heb ik toen mijn eerste pogingen aangewend mij van mijn opgezwollen piemel te bevrijden. Ik oordeelde dat, hem tussen mijn twee platte handen wrijvend, hij ineen zou schrompelen, maar ongelooflijk, hij werd niet alleen groter en harder, maar hij begon ook te spuwen van de kolere en toen G. diene boel van miljoenen mini-puitjes opmerkte, terwijl ze vóór hem, in de kuip, begonnen te drijven, reclameerde hij nerveus dat ik moest ophouden met spugen in het water. Maar 't was niet gemakkelijk zulle..

Geschreven door Rudo om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van De Beul van Rumbeke

↑ Terug naar de berichten