Naar de inhoud

Mijn Levensboek / René Schupp

Verhalen & Gedichten
akke.beakke.be

Archief

3.6 EVACUATIE

Na de geallieerde landingen in Normandië op 6 juni 1944 en de snelle opmars, verwachten velen dat de oorlog spoedig voorbij zou zijn. Niets is minder waar. Na de bevrijding van Kerkrade-West op 17 september is de vaart eruit. De Amerikanen bereiden zich voorop het doorbreken van de bunkerstellingen van de Westwall, die vlak langs de oostgrens van Kerkrade loopt. Vermoedelijk om meer vrijheid van handelen te krijgen, besluit de Duitse legerleiding om Kerkrade te ontruimen.

BELEGERDE STAD
Vanaf 10 september 1944, werd de naderende bevrijding zichtbaar voor de bewoners van Kerkrade. Die dag begon de terugtocht van Duitsers in al of niet onderweg gestolen vervoermiddelen. Kerkrade leek een belegerde stad met al dat materieel in de straten. Kerkrade werd echter in twee etappes bevrijd en daar rekende met name in het oostelijk stadsdeel geen mens op.

SCHUILKELDERS
Ieder met een eigen verhaal. Het moge duidelijk zijn dat ik slechts één van de velen ben. Uiteraard zijn kommer en kwel van ouders en buurtgenoten aan mij voorbijgegaan. Vaag kan ik mij herinneren dat we in de kelder moesten schuilen. Om contact met de buren te kunnen houden was er in de scheidingsmuur een gat gemaakt. Eveneens waren er uit voorzorg een aantal houten stutten geplaatst. Regelmatig vlogen er vliegtuigen over om hun bombardementen uit te voeren. Meestal in de nachtelijke uren met heftige beschietingen door afweergeschut. Angstaanjagend met gierende inslagen en regelmatig kwamen bommen terecht op plaatsen die niet gepland waren.

LUCHTALARM
Gierende granaten die insloegen en ronkende vliegtuigen die overvlogen voor hun bombardementen op Duitsland. Regelmatig klonk het luchtalarm; er werd hevig geschoten, inslaande granaatscherven klonken beangstigend. De bevrijders binnen handbereik, maar toch zo veraf. Zij hadden tijd nodig om hun gewonden te verzorgen, de munitie en brandstof voorraden aan te vullen en versterkingen te laten aanrukken. Ondertussen werd de situatie in het bezette deel van Kerkrade kritiek. Voedsel was schaars, leidingwater was er niet meer, evenmin elektriciteit. Een aantal mensen werd door granaatvuur gedood terwijl zij aardappels rooiden.

EVACUATIE BEVEL
Op zondag 24 september ontvangt de Kerkraadse commissaris van politie het volgende evacuatiebevel van de plaatselijke Duitse commandant, Hauptmann Bartel: De stad moet de volgende morgen, 25 september1944, geëvacueerd worden. Vrijwillig mag niemand achterblijven, behalve die personen die voor de instandhouding van de mijn nodig zijn. De politie moet de evacuatie regelen en mag dan ook de stad verlaten. Waarschijnlijk beseffend dat de Amerikanen grote hinder zullen ondervinden van de duizenden ontheemden, laat Bartel de Kerkradenaren hun toevlucht zoeken in reeds bevrijd gebied, een unieke historische gebeurtenis.

STAAKT HET VUREN
Er wordt een staakt het vuren tussen Duitsers en Amerikanen overeengekomen en op maandagmorgen passeren de evacués de wegkruising waar thans een infozuil geplaatst is. De stoet groeit aan tot 30.000 personen en trekt via de Stationsstraat richting bevrijd gebied. Bij Valkenhuizen is de weg naar Heerlen door de Geallieerden versperd en wordt de colonne langs klooster Imstenrade richting Ubabachtsberg gedirigeerd. Bij Imstenrade slaat het noodlot toe. Tijdens de gedwongen evacuatie en verwoestende granaatinslagen lagen we in de modder. Ik voelde de warme bescherming van moeder. Om ons heen 13 doden en tientallen gewonden. Lichamen werden afgedekt.

GASTGEMEENTEN
Vanaf Ubachtsberg lost de menigte zich op in gemeentes in de wijde omtrek, waar de Kerkradenaren met grote gastvrijheid worden ontvangen. Met ongeveer 25 gezinnen werden we ondergebracht in de harmoniezaal van Beek. Ik was een van de jongste; moeder nam mij vaker mee op haar tochten langs de boerderijen om ons van extra voeding te voorzien. Een herdenkingszuil met plaquette brengt deze trieste geschiedenis in herinnering.

Hoewel Kerkrade op 5 oktober door de Duitsers verlaten is, mogen Kerkradenaren pas op 22 oktober, na de val van Aken, weer naar de zwaar getroffen stad terug. Allesoverheersend zijn de gevoelens van opluchting en dankbaarheid tegenover de inwoners van de Zuid-Limburgse gastgemeenten, die een maand lang voedsel en onderdak aan de evacués verschaften.

THUISKOMST
Dinsdag 24 oktober 1944; eindelijk mochten de bewoners van Kerkrade zich in omgekeerde richting begeven. Tussen het drukke legerverkeer van de Amerikanen op de Zuid-Limburgse wegen, trokken de evacués met kinderwagens, vrachtwagens, koffers, zakken en kisten huiswaarts. Althans wat er overgebleven was van thuis. Veel mensen vonden in plaats van hun woonhuis een puinhoop. De stad bood een ongelofelijk triest beeld. Doorschoten huizen en talrijke vernielingen gaven een beeld van verlatenheid en ellende.

WOONWIJK
In onze woonwijk was veel vernield. Het huis tegenover ons had geen dak meer. In de muur waren vele granaatinslagen. Diepe gaten in de straten en tuinen. Het laatste huis in de korte Nassaustraat was geheel verwoest, alleen het trappenhuis was gebleven. In de kelder lagen twee Duitse helmen. In de hoek een enorme drol. De trottoirs stonden vol munitiekisten. Amerikaans negersoldaat gaf mij een reep chocolade. Ik rende naar huis om te vertellen dat ik ‘Zwarte Piet’ had gezien.

AMERIKANEN
De Amerikanen zaten ruim in hun materiaal en sprongen daar nogal verkwistend mee om. Althans in de ogen van de Limburgers, die onder de bezetting hadden geleerd te woekeren met wat ze hadden. Armoede maakt vindingrijk en men had al snel door dat allerlei spullen die de militairen dumpten, interessante toepassingen boden. Wie een parachute wist te bemachtigen, was de koning te rijk, want het fijne nylon was beter dan het beste textiel dat toen te krijgen was. Heel wat communie- of bruidsjurken zijn er gemaakt van parachutestof.

GRANAATHULZEN
De koperen granaathulzen vormen een apart verhaal. Duizenden zijn achtergebleven. Overal waar kanonnen hun projectielen met daverende salvo's in de richting van de vijand joegen, werden ze nog gloeiend heet, op grote hopen gegooid. Maar die blinkende schrootbergen verdwenen als sneeuw voor de zon zodra de soldaten met hun geschut verder trokken. Dan waren omwonenden er als de kippen bij om de hulzen mee naar huis te slepen. Koper was goud waard en je kon er van alles mee doen. Het waren gewilde artikelen. Vaak werden ze gebruikt als bloemen vaas. Lange tijd hebben enkele granaathulzen de schouw van mijn ouders gesierd.

RESTCENTERS
De abdij van Rolduc was één van de ‘Restcenters’ die de Amerikanen in Zuid-Limburg hadden ingericht om de moe gevochten mannen na de slag om Aken wat op verhaal te laten komen. Zij kwamen rechtstreeks van het front en verheugden zich op een korte rustpauze. In een van de weilanden stond een tentenkamp en veldkeuken. Buurtbewoners waren er te vinden om eten te bietsen. De blikjes melkpoeder en cornedbeef werden in grote dank aangenomen. De bevrijders werden enorm geadoreerd; kortstondige liefdes ontstonden. Een enorme geboortegolf was later het gevolg...!!!

OLD HICKORY DIVISIE
Maar feest werd er voorlopig niet gevierd. Eerst moest Kerkrade zijn wonden likken. De mensen waren blij en dankbaar. In totaal hebben 240 Amerikanen hun leven gegeven voor de bevrijding van Kerkrade. D-day was in Limburg voorbij. Als dank aan de bevrijders is in Kerkrade een plein genoemd naar de ‘Old Hickory Divisie’.

REST VAN NEDERLAND
Het zuiden van Nederland was bevrijd; later volgde een deel van Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland. Kort daarna hingen de vlaggen uit. Maar beide Hollanden, Utrecht en een deel van Gelderland bleven in de ijzeren greep van de Duitsers. Dan kwam de winter van 1944 op 1945. Als een zwart spook sloop de honger vooral in de grote steden. Mensen ruilden hun laatste bezit voor een hapje eten. Ze stroopten het land af naar aardappelen en graan. Velen hebben door gebrek aan voedsel niet overleefd.

CAPITULATIE
Op 5 mei 1945 was het eindelijk zover. Duitsland capituleerde. De balans van droefheid en vreugde kon worden opgemaakt. Landgenoten beleefden zeer bewogen jaren, vol geweld en soms diepe emoties, die nu nog niet zijn uitgewoed.

MARGRATEN
Op 10 november 1944 werd op de Amerikaanse begraafplaats in Margraten de eerste gesneuveld soldaat begraven. Het oorlogskerkhof, dat kort na de bevrijding onder erbarmelijke omstandigheden moest worden aangelegd, is een heel speciaal stukje Limburg geworden. Het pad van onze bevrijders is niet over rozen gegaan. Velen hebben het niet gehaald. Meer dan 8000 namen zijn gegrift in wit marmer. Margraten is hun laatste rustplaats. 

HERDENKEN
Oktober 2014; in het ´Limburgs Dagblad´ stond Kerkrade stil bij het trauma van 70 jaar geleden. De strijd om de stad en een evacuatie kostte in september en oktober 1944 meer dan driehonderd levens. Een reconstructie aan de hand van krantenartikelen, dagboeknotities en getuigenissen. Ieder met een eigen verhaal. Uiteraard zijn kommer en kwel van ouders en landgenoten aan mij voorbijgegaan. Samenvatting vanuit krantenartikelen, van horen zeggen, en onschuldige kinderogen. Uiteindelijk vertaald in een persoonlijk gedicht.

MEMORIES
Donkere, sombere oorlogsjaren; waren mijn kleuterjaren. Zorgen van ouders en landgenoten; kinderen onbekommerd, die genoten. Vreugde en verdriet toen ze kwamen; langverwachte Amerikanen. Door de druk van geallieerden; Duitsers die ons evacueerden. Beschietingen boven Imstenrade; mensen in paniek uit Kerkrade. Vernietigend was het lood; dertien mensen vonden de dood.

Bevrijding; soldaat, daar stond hij dan. In uniform, een zwarte man. Do you like it, een hele reep; chocolade en een stuk zeep. Zwaar bevochten gronden; ontelbare doden en gewonden. Slachtoffers aan beide zijden; witte kruizen in groene weiden. Wordt de mensheid ooit nog wijs; strijden we tot elke prijs?  Blijft het geweld steeds bestaan; zal het ooit nog overgaan?

BRON: KRANTENARTIKELEN / DAGBOEKNOTITIES

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door schupp om 00:00 Reageer op dit bericht

3.7 NAVO

De NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie) is een groot militair bondgenootschap, oorspronkelijk in de context van de Koude Oorlog gesloten om West-Europa en de Verenigde Staten tegenover de Sovjetunie te verenigen. De betrokken landen stemden hun buitenlands beleid op elkaar af en spraken af om elkaar met diplomatieke en militaire hulp bij te staan wanneer dat nodig was. Na de Koude Oorlog bleef de NAVO bestaan en richtte het zich wereldwijd op het bestrijden van conflicten, zoals in Kosovo of Libië.

ACHTERGROND
Het ontstaan van de NAVO (NATO in het Engels) hing nauw samen met het begin van de Koude Oorlog vlak na de Tweede Wereldoorlog, tussen het democratische West-Europa en Amerika en de communistische Sovjetunie. Het bondgenootschap dat Amerika en Rusland in hun strijd tegen Duitsland en Japan bij elkaar hield was uiteengevallen, en wantrouwen en vijandigheid waren ervoor in de plaats gekomen. De Sovjetunie had de landen van Oost-Europa ingelijfd en Duitsland was in tweeën gedeeld. Op hetzelfde moment was West-Europa bankroet en lag het in puin: in Amerikaanse ogen een doelwit voor de verdere verspreiding van het communisme, zowel van buitenaf door de Russen als van binnenuit door communistische partijen.

Kort gezegd gingen de VS de dreiging van binnenuit tegen met de Marshallhulp, een grootschalig programma van economische hulp aan Europa dat de door de oorlog getroffen landen er weer bovenop moest helpen, zodat de communistische partijen niet meer zo aantrekkelijk zouden zijn. En met een militair bondgenootschap moest West-Europa vervolgens tegen de communistische dreiging van buitenaf beschermd worden.

OPRICHTING
Vóór de oprichting van de NAVO was er in maart 1948 bij het Verdrag van Brussel al de zogeheten Westelijke Unie of WU (later West-Europese Unie) opgezet tussen Frankrijk, de Benelux en Groot-Brittannië. De WU was een organisatie waarin de leden bepaalden dat ze hun veiligheid gezamenlijk zouden waarborgen en dat ze ook op economisch en cultureel gebied samen zouden werken. De WU was echter maar een betrekkelijk kleine organisatie en stelde, zonder dat de VS erbij betrokken waren, tegenover de machtige Sovjetunie niet veel voor. In 1948 namen de Russen Tsjecho-Slowakije over, dat tot dan toe de dans leek te ontspringen en als laatste Oost-Europese land nog vrij was, en datzelfde jaar begonnen de Russen hun blokkade van West-Berlijn. Het besef dat West-Europa bedreigd werd was sterker dan ooit, en dit had zijn weerslag op het beleid van Amerika en de West-Europese staten.

In mei 1948 nam het Amerikaanse Congres een resolutie aan om een Amerikaans-Europees bondgenootschap te vormen en vanaf dat moment zou de regering van president Truman met Europese regeringen onderhandelen over de nieuw te vormen alliantie. De gesprekken begonnen tussen de VS, Groot-Brittannië en Canada; al snel kwamen daar de overige landen van de WU en Noorwegen bij. De onderhandelingen namen, ondanks de overeenstemming dat er wel een bondgenootschap moest komen, enkele maanden tijd in beslag. De WU-landen wilden in eerste instantie geen andere Europese landen erbij, per land afzonderlijke militaire hulp ontvangen en een garantie van de VS dat zij hen hoe dan ook te hulp zouden komen bij een aanval. De VS wilden het nieuwe bondgenootschap uitbreiden met andere landen en eisten dat de Europese landen samen zouden werken. Daarnaast was het idee dat een aanval op één lidstaat een oorlog op alle lidstaten was, in juridisch opzicht lastig te bereiken omdat alleen het Congres de oorlog kon verklaren.

Op 4 april 1949 was het nieuwe bondgenootschap eindelijk een feit en werd in Washington DC de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie opgericht. Naast militaire samenwerking werden de landen ook aangespoord om de democratie te bewaken en zo veel mogelijk op andere terreinen te overleggen. De Engelse Lord Ismay, voormalig stafchef van Winston Churchill, werd de eerste Secretaris-generaal, een positie die tot op de dag van vandaag exclusief door Europeanen wordt bekleed.

LIDSTATEN
Twaalf landen waren vanaf het begin lid: de VS en Canada aan de ene kant van de Atlantische Oceaan, en Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië, de Benelux, Noorwegen, Denemarken, IJsland en Portugal aan de andere kant. Gedurende de jaren werd de NAVO steeds verder uitgebreid: in 1952 kwamen Griekenland en Turkije erbij, in 1955 West-Duitsland en in 1982 Spanje. Nederland heeft drie keer een Secretaris-generaal geleverd: Dirk Stikker in de jaren ’60, Joseph Luns in de jaren ’70-’80, en Jaap de Hoop Scheffer van 2004 tot 2009.

De toetreding van West-Duitsland (dat op dat moment nog door geallieerde troepen bezet werd) was gecompliceerd; veel andere landen waren na de Tweede Wereldoorlog huiverig voor een herbewapend Duitsland. Als grootste en economisch belangrijkste land van Europa was het echter essentieel dat het lid zou worden: zonder Duitsland stelde het Europese deel van de NAVO weinig voor. Het land zelf streefde er onder bondskanselier Konrad Adenauer naar om weer geaccepteerd te worden in Europa, en nadat de bezettingslegers het land verlaten hadden in 1954, trad Duitsland in ’55 toe tot de NAVO.

Frankrijks relatie met het bondgenootschap verliep ook niet altijd even soepel. Onder president Charles de Gaulle verlieten de Fransen in 1966 de NAVO omdat ze de Amerikaanse invloed te groot vonden; pas in 2009 voegden ze zich weer bij het bondgenootschap. Het hoofdkwartier moest verhuizen naar België en alle buitenlandse troepen moesten Frankrijk verlaten. Toch verklaarde Frankrijk zich nog steeds solidair met haar bondgenoten en bleef het Franse leger geïntegreerd in de militaire structuur van de NAVO.

Na afloop van de Koude Oorlog, vanaf de jaren ’90, voegde een grote groep voormalig communistische landen zich bij de NAVO: in 1999 Hongarije, Polen en Tsjechië, in 2004 Bulgarije, de Baltische staten, Slowakije, Slovenië en Roemenië. De meest recente toetredingen zijn Albanië en Kroatië, in 2009. Rusland heeft heftig geprotesteerd tegen de toetredingen van Oostbloklanden, en zegt zich bedreigd te voelen door buurlanden die lid zijn van een bondgenootschap dat opgericht is om het communistische Rusland te bestrijden.

NAVO TIJDENS KOUDE OORLOG
Het belangrijkste punt in het verdrag was artikel vijf, dat stelde ‘een gewapende aanval op één of meerdere van hen in Europa of Noord-Amerika als een aanval tegen hen allen beschouwd zal worden’. Het is echter kenmerkend voor de Koude Oorlog dat dit mechanisme tijdens de oorlog nooit in werking is gesteld: nooit werd er een NAVO-land aangevallen door de Sovjetunie of een ander land.

De Korea-oorlog in 1950 en de Vietnamoorlog in de jaren waren ’60 geen NAVO-inspanningen, maar oorlogen van de VS, en in het geval van Korea de VN. En ook bij de bouw van de Berlijnse Muur in 1961 of de Cubacrisis van het jaar daarop was de NAVO geen partij, net zo min als toen Frankrijk en Engeland op eigen houtje Egypte aanvielen in 1956. Het kostte tijd om tot een diepere en meer oprechte integratie te komen op politiek en militair gebied.

Wel had het bondgenootschap een preventieve werking. Het was uitgesloten dat de Sovjetunie één land apart aan zou vallen, omdat dit meteen tot een wereldoorlog zou leiden. Zo zorgde de NAVO ervoor dat het machtsevenwicht tussen oost en west in de Koude Oorlog behouden bleef, zeker toen de Oostbloklanden in 1995 het Warschaupact, hun eigen bondgenootschap, oprichtten. Omdat het Warschaupact veel grotere legers had, besloten de Amerikanen dat ze bij elke aanval zouden overgaan op massive retaliation (‘massale vergelding’): een grootschalige aanval met kernwapens. Dit zou elke provocatie van de Russen, hoe klein dan ook, afschrikken. Hoewel ze later een minder escalerende strategie navolgden, bleef een nucleaire patstelling toch het belangrijkste onderdeel van de Koude Oorlog.

NAVO SINDS KOUDE OORLOG
Met de val van het communisme vanaf 1989 verdween de dreiging van de Sovjetunie, en werden de voormalige lidstaten van het Warschaupact in Oost-Europa beetje bij beetje democratisch. Hiermee verdween in feite ook de bestaansreden voor de NAVO: Europa beschermen tegen Rusland. Het bondgenootschap werd echter niet opgeheven: in plaats daarvan werd het omgevormd tot een moderne organisatie voor veiligheid en samenwerking. De twee doelstellingen waren nu het aanhalen van de banden met de voormalige tegenstanders in Oost-Europa, en om conflicten in Europa (waarmee vooral de voormalige communistische landen bedoeld werden, waar agressief nationalisme soms de overhand kreeg) op te lossen. Waar de NAVO tot dan toe een inactieve organisatie was waarvan het bestaan en de aanwezigheid op zich al een doel waren, moest er nu een veel actiever beleid worden nagevolgd.

Ingrepen om de veiligheid in Europa te waarborgen lieten niet lang op zich wachten. Nationalistische conflicten braken in de jaren ’90 uit in de Balkan en in 1995 kwam de NAVO voor het eerst in haar geschiedenis in actie. In het voormalige Joegoslavië woedde een burgeroorlog tussen diverse etnische groepen. Met een mandaat van de VN voerde de NAVO bombardementen uit en stuurde ze een vredesmacht van 60.000 man. Enkele jaren later (1998) gebeurde er ongeveer hetzelfde in Kosovo, waar met luchtaanvallen en een vredesmacht een einde werd gemaakt aan de vijandelijkheden. Tot dat moment was het centrale artikel 5 nog nooit ingezet. De terroristische aanslagen op Amerika op 11 september 2001 waren echter de aanleiding om dat voor het eerst wel te doen: alle NAVO-leden verklaarden dat ze gezamenlijk tot zelfverdediging over zouden gaan. De inval in Afghanistan een maand later was echter een aparte Amerikaans-Britse aangelegenheid, net zoals de inval in Irak in 2003. Wel leidde de NAVO in Afghanistan de bezettende troepenmacht.

NAVO IN DE 21STE EEUW
In het nieuwe millennium verbreedde de NAVO zijn werkterrein, zowel in de breedte als in de diepte. Met de oude vijand Rusland is de NAVO in 2002 een aparte raad begonnen, en in 2004 werd het Samenwerkingsverband van Istanboel begonnen om samenwerking met het Midden-Oosten te stimuleren.

In de diepte is ‘veiligheid’ voor het bondgenootschap meer gaan betekenen dan alleen het oplossen van oorlog tussen landen. Het bestrijden van terrorisme, extremisme en onderdrukking van onschuldige personen zijn nu ook taken van de NAVO geworden. Veel NAVO-missies gaan om ‘peacekeeping’, het bewaren van de vrede. Men wil nu niet alleen de acute crisis zelf oplossen, maar ook de effecten ervan beperken en als het even kan de aanloop ernaar al vermijden.

Deze hedendaagse crises zijn echter meestal te complex en te diepgaand om door de NAVO alleen opgelost te worden: als het erop aankomt heeft het bondgenootschap een zuiver militaire functie. Zaken als wederopbouw en stabiliteit op de lange termijn kunnen beter aan andere organisaties (zoals de VN) overgelaten kunnen worden, of in ieder geval samen met hen gedaan worden. Naast militaire macht zijn nu ook diplomatie en samenwerking met andere organisaties belangrijk.

De strijd in Libië in 2011 is een voorbeeld van de nieuwe koers. Dictator Ghadaffi voerde een bloedige strijd tegen gewapende rebellen, die voortgekomen waren uit prodemocratische demonstraties van Libische burgers. Toen de VN overeen waren gekomen om een vliegverbod in te stellen, stelde de NAVO in het land een vliegverbod in waardoor Ghadaffi uiteindelijk verslagen werd. Dit maakt duidelijk dat de NAVO een lange weg heeft afgelegd: van een militair bondgenootschap van Westerse landen tegen de Sovjetunie, naar een organisatie die buiten Europa ingrijpt wanneer de internationale gemeenschap dat nodig acht.

De Europese Unie (EU) is het belangrijkste samenwerkingsverband in Europa. De deelnemende landen hebben voor deze Unie een aantal organisaties opgericht waaraan zij een deel van hun eigen bevoegdheden hebben overgedragen. Dit zijn onder meer het Europees Parlement, de Europese Commissie, de Raad en het Europese Hof van Justitie.

Sinds 1 juli 2013 telt de Europese Unie 28 lidstaten. Deze lidstaten werken op veel terreinen samen. Zo drukt de EU een stevig stempel op het beleid over landbouw, visserij, consumentenrechten, milieu, immigratie en terrorismebestrijding. Ook werken de lidstaten nauw samen op de gebieden van defensie, buitenlands beleid, handel, interne markt en economie. Om de economische integratie te bevorderen, besloten in 1998 twaalf lidstaten tot de invoering van een gemeenschappelijke munt, de euro. Later breidde deze eurozone zich verder uit.

Wat betreft wetenschappelijk onderzoek, vervoer, energie en uitwisselingsprogramma's op het gebied van onderwijs, heeft de EU belangrijke ondersteunende bevoegdheden.Voor haar inspanningen werd de EU in 2012 beloond met de Nobelprijs voor de vrede.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door schupp om 00:00 Reageer op dit bericht

3.9 HET RIJKE ROOMSE LEVEN

In katholiek Nederland de aanduiding voor de periode 1860-1960, waarin door het benadrukken van katholieke identiteit, door de gerichtheid op Rome, en dankzij een rijke liturgie, de katholieke cultuur een ongekende bloei beleefde.

KATHOLIEKE EMANCIPATIE
In 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland hersteld. De katholieken, in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stelselmatig bij protestanten achtergesteld, begonnen aan een periode van emancipatie. De Nederlandse kerkgeschiedenis nam een belangrijke wending.

IDENTITEIT
De katholieken in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw waren over het algemeen niet rijk. De katholieke emancipatie kreeg daarom naast een religieuze ook een sociaal-politieke dimensie. Het katholiek onderwijs, de katholieke pers en het katholiek verenigingsleven werden sterk ontwikkeld. In vrijwel iedere fase van het leven en op ieder terrein van het maatschappelijk leven werd de eigen katholieke identiteit benadrukt.

KATHOLIEKE ZUIL
Een trots bouwwerk van katholieke organisaties vormde zo de katholieke 'zuil'. Als vanzelfsprekend werd gedacht in termen van 'wij' en 'ons'. Het verschil met 'de anderen' werd sterk benadrukt. Die anderen - protestanten, liberalen en socialisten - zetten zich ook af: tegen elkaar en tegen de katholieken. Ook zij organiseerden zich, net als de katholieken, in 'zuilen'. Van de wieg tot het graf bleef in het 'verzuilde' Nederland iedereen in zijn eigen wereld.

ROOMSER DAN DE PAUS
In de periode van maatschappelijke emancipatie hadden Nederlandse katholieken een hechte band met de wereldkerk en de Paus. Met een zekere zelfspot karakteriseerden zij zichzelf wel als 'Roomser dan de paus'. Zij toonden zich volgzaam en getroostten zich veel inspanningen voor de geloofsgemeenschap.

RIJK ROOMS
Het trotse benadrukken van katholieke identiteit in de organisaties van de katholieke zuil en de gerichtheid op Rome brachten, samen met een rijke liturgie en een bloeiende verering van Maria en de Heiligen, een bloeiende katholieke cultuur tot stand. Met name in de periode tussen 1860 en 1960 was deze cultuur op een hoogtepunt. De zelfbewuste, overdadige katholieke cultuur van de periode 1860-1960 wordt ook wel het Rijke Roomse Leven genoemd.

HOOGTEPUNT
In 1953 werd met de nodige pracht en praal 100 jaar herstel van de hiërarchie herdacht. Er was wat bereikt! De feestelijkheden vonden plaats in het oude stadion 'Galgenwaard' te Utrecht. De viering kan zonder overdrijven als het hoogtepunt van het Rijke Roomse Leven worden beschouwd.

EINDE
Na de Tweede Wereldoorlog herstelde de Nederlandse samenleving zich van grote verwoestingen. Katholieken gaven in de regering samen met socialisten leiding aan de wederopbouw. De deelname van katholieken aan de naoorlogse regering kan worden gezien als de natuurlijke  afsluiting van het emancipatieproces van het katholieke volksdeel. De Kerk ging een nieuwe fase in. Met het Tweede Vaticaans Concilie kwam het Rijke Roomse Leven in de jaren '60 van de twintigste eeuw tot een einde, en begon in de Nederlandse Kerkprovincie een periode van ongekend heftige Polarisatie en Secularisatie.
Bron: L´ Osservatore Romano van 7 november 2000.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door schupp om 00:00 Reageer op dit bericht

4.0 SCHOOLJAREN

Schooljaren in de vlucht; leerkrachten, strenge tucht. Indien men niet wilde horen; flinke draai om de oren. Hard het houten liniaal; op de vingers was hun taal. Geraniumpotten echt waar; in de handen o wat zwaar. Normen en waarden met de paplepel ingegoten. Steeds weer het vermanende vingertje.

INHOUD
4.1 BASISSCHOOL
4.2 LTS
4.3 OVS

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door schupp om 00:00 Reageer op dit bericht

4.1 BASISSCHOOL

De katholieke jongensschool St. Lambertus was gelegen achter het stadhuis in het centrum van Kerkrade. Het schoolplein was door een muur gescheiden van het oude St. Jozefziekenhuis. Aan de voorzijde was een hekwerk, waarnaast de woning stond van conciërge Notermans. Achter deze woning stond het oorlogsrestant van wat eens het patronaat was geweest. Op een podium stond een oude gammele piano. Tijdens het speelkwartier jengelden we naar lieve lust. Maar de leerkrachten stuurden ons steeds weer weg. Kennelijk hielden ze niet van klassiek.

JAREN (1947-1954)
In principe zaten de kinderen uit betere kringen in de voorste banken en kregen de meeste aandacht. Ik vond dat niet erg, want vanaf de achterste banken kon men beter proppen schieten. Door hun strenge tucht werden de onderwijzers wel eens verwenst. In hun doelstelling 'baat het niet, dan schaadt het niet' zijn zij zeker geslaagd. Het was de eerste bijdrage in onze ontwikkeling die zeker geen 'zoden aan de dijk' heeft gezet.

EERSTE KLAS (1947)
Toen moeder mij aan juffrouw Savelsberg overdroeg, huilde ik tranen met tuiten. Het leed was echter gouw geleden. Ondanks dat de juf erg streng overkwam was ze ook wel aardig. De leesplankjes van vroeger en het monotone ritme als de klas gezamenlijk de woordjes opdreunde: "Aap...Noot...Mies...." Het was een hele beleving; de basis van ons lees en schrijfvermogen…!

JETSES
De prachtige wandplaten van ´Jetses´ maar ook de latere leesboekjes van ´Ot en Sien´ maakten een diepe indruk. In zijn illustraties legde Jetses vast hoe men vroeger leefde, woonde en werkte. Hierdoor kon ik de wereld aanschouwen en ook mijn fantasie een plaats geven.

TWEEDE KLAS (1948)
De onderwijzer van deze klas was meester Caumans. Deze kon heel streng kijken; echter toen wist ik nog niet dat hij een glazen oog had. In deze klas mocht ik mij van mijn ouders abonneren op het prachtige weekblad ´Taptoe´. Wat heb ik toen genoten van die prachtige strips van ´De Verstrooide Professor´.

DERDE KLAS (1949)
De onderwijzer van deze klas was meester Dahlmans. Hij was een goede voetballer en was aanvoerder van ´SV Bleijerheide´. Deze club was in 1923 ontstaan uit een fusie van Sparta Bleijerheide en Geel Zwart. Tijdens mijn schooljaar werd ´SV Bleijerheide´ kampioen. De meester stond in de krant met de kampioensbeker in de handen. De meester was zo trots als een pauw en wij hadden die dag echt feest. Hij trakteerde ons op speculaas en siroop die in een emmer water werd aangelengd. Hij was een zeer sympathieke leraar. Later werd hij overgeplaatst naar Spekholzerheide waar hij hoofdonderwijzer werd. In 2015 overleden op 95 jarige leeftijd.

WELPEN
In deze periode kwam ik bij de welpen; een afdeling van de padvinders. Het clubhuis was een groot wit gebouw en gelegen in een weiland aan de rand van het centrum van Kerkrade. In dit weiland werden leuke spellen gedaan. Bij slecht weer vertoefden wij in het clubhuis. Onze Akela was erg leuk; vaker maakte we ruzie om wie naast haar mocht zitten. Maar helaas ze was al vergeven aan de Hopman van de verkenners.

VIERDE KLAS (1950)
De onderwijzer van deze klas was meester Bemelmans. Hij was erg muzikaal; tijdens zangles begeleidde hij met zijn mandolinebanjo. Aan de achterkant zat een koperen knop. Als men ondeugend was zwaaide hij hiermee en deelde tikken uit. Menige deuk  in onze hoofden.

Naast mij zat Wim (S). Hij was erg verwaand en een klikspaan. Zijn vader was medisch directeur van het ziekenhuis in Kerkrade. Tijdens een les natuurkunde keken wij door een microscoop. Wim, die sneeuwwitte haren had moest een haar op het plaatje leggen. Door de microscoop leek dit haar erg vuil. Wim werd hiermee nog enige tijd geplaagd.

In de klas zaten twee broers; Jan en Mathieu van (L). Zij woonden in een van de spoorhuisjes bij het station. Hun vader werkte bij het spoor. Door een overplaatsing naar Weert moesten ze verhuizen. Het waren zeer sympathieke jongens; ik vond hun vertrek dan ook erg jammer.

Jan (B), was de belhamel van de klas; waarschijnlijk lag dit aan zijn rode haarkleur. Wij hadden aardrijkskunde, waarbij een film werd vertoond over de Betuwe. Jan en ik waren wat rumoerig ; voor straf moesten wij op de knieën voor het bord. Echter zodra het licht uit ging, kropen wij een stukje terug om toch maar niets van de film te missen Na afloop van de film zaten wij natuurlijk mooi braaf voor het bord geknield. De meester merkte op: "Eigen schuld dat jullie de film hebben gemist, volgende keer beter opletten!" Over opletten gesproken...!

De meester was jarig. Op de markt bij bakkerij van der Weijden hadden wij als cadeau een taart gekocht. Dat vond meester Bemelmans erg leuk. Die dag werd weer gezongen; "Lang zal hij leven, lang zal hij leven!" Gelukkig werden nu geen tikken uitgedeeld.

Na schooltijd mocht Mathijs (E), en ik de taart bij de meester thuis brengen. Wij vonden dat een hele eer. Thuis liet de meester ons in een glazen bak witte muizen zien. Zij hadden rode oogjes en het was leuk om deze beestjes bezig te zien. Na een glaasje limonade gedronken te hebben, keerden wij huiswaarts. 

Onderweg kwamen we Robert, de oudste zoon van de bakker tegen. We riepen naar hem dat de meester de taart lekker vond. Vrolijk zwaaiend met zijn armen en luid jodelend liep Robert door de straten. Wij moesten er om lachen; helaas beseften wij toen nog niet dat Robert aan een spierziekte leed.

VIJFDE KLAS (1951)
De onderwijzer van deze klas was meester Schmitz. Hij was lid van het St. Lambertus kerkkoor en had een prachtige bariton stem. Tijdens het zingen trok hij altijd een scheve mond, hetgeen letterlijk en figuurlijk een komisch gezicht was. Helaas wist ik toen nog dat hij dit had overgehouden als krijgsgevangenen tijdens de oorlogsjaren.

Hij was ook dirigent van het jeugdkoor. Hij zocht nieuwe stemmen. Ik had mij opgegeven en moest een zangtest doen. Nadat ik uit de zangbundel "Kun je nog zingen, zing dan mee", een keuze had gemaakt zong ik "Hopsa, Heisasa..." Nadat ik amper twee regels gezongen had, zei de meester: "Stop maar, met die bromstem kan ik niets beginnen!"

Natuurlijk was ik erg teleurgesteld. Onderweg naar huis stond op de hoek Wijngracht bij café-restaurant ´De Kroon´, een chauffeur van een koelwagen koelblokken te lossen. Hij had een leren schort aan. Met een haak trok hij ijsblokken uit de koelwagen, legde het blok op zijn schouder en bracht dit naar de tapkast. Toen ik met enkele vriendjes stond toe te kijken, sloeg hij met de haak enkele stukjes van het ijsblok en gaf die aan ons en zei: "Hier jongens, dit is goed voor jullie stem...!"

ZESDE KLAS (1952)
De onderwijzer van deze klas was meester Frantzen. Hij was de hoofdonderwijzer en erg streng. Als men niet oplette of een streek uithaalde, kreeg men een flink pak slaag. Hij ramde dan zo met zijn vuisten, dat de naast zittende een toegift kreeg. Als men hierop reclameerde zei hij: "Dan is dit voor de volgende keer...."!

Meester Frantzen hanteerde regelmatig een lange aanwijsstok. Zowel voor het aanwijzen van plaatsen op de landkaart als bij andere gelegenheden. Tijdens een les natuurkunde hadden we het over geleiding van geluid. Om een en ander te demonstreren hield de meester het ene einde van de stok bij het oor van een leerling en aan het andere einde zijn vestzakklokje. Terwijl hij naar ons knipoogde vroeg hij de jongen of hij het klokte al hoorde tikken. Toen deze ijverig ja knikte, hadden we dikke pret. Echter op een andere keer werd minder gelachen; een van de leerlingen kreeg een enorme mep met de aanwijsstok, waardoor de stok in tweeën brak.

Enkele vriendjes zoals Jan (K), en Frans (M), moesten de zesde klas overdoen; er was geen brugklas en volgens het leerstelsel waren ze te jong om de school te verlaten. Vaak ging ik met Jan bij Frans thuis spelen. Frans woonde naast een fietsenzaak aan de rand van het Mücherveld. Tijdens de bebouwing van dit veld, hadden we aan de bouw wat planken georganiseerd. Hiervan hadden we in de tuin een hut gebouwd. Voor de hut deden we aardappelen poffen waarna het heerlijk smullen was.

Later toen het ouderlijk huis van Frans werd afgebroken, verhuisde zijn familie naar het nabij liggende Chevremont (Geitenberg). Een oudere tante verhuisde mee, ze had al een hoge ouderdom. Regelmatig zei ze tegen ons: "Jongens, als ik nog zo jong was als jullie, dan ging ik naar Canada in het hartje van Amerika." Hierbij lege ze heel sterk de nadruk op CANAAAAADA.

BRUGKLAS (1953)
In dit jaar was ik met enkele anderen aan de beurt om de zesde klas over te doen. Er was nog steeds geen brugklas. Dit in tegenstelling met de school te Chevremont. Enkele vriendjes uit andere straten gingen daar naar school. Een vreemd verschijnsel deed zich voor. Bijvoorbeeld de ene kant van de Erensteinerstraat ging naar de school van Kerkrade en de overkant ging naar de school van Chevremont. Typische grensgevallen......!

Het tweede jaar in dezelfde klas interesseerde dan ook maar matig, temeer daar het een formaliteit betrof. Ik wilde naar de ambachtsschool, maar was te jong volgens het leerstelsel. Veelal werd ik aangewezen met Jan (B), om klusjes op te knappen. Vaker moesten wij volgetekende schoolmuren met een sopje afwassen. 

Achter in de klas stonden twee kisten; één met verzameld zilverpapier en één met spullen en stripboekjes, die de meester tijdens de lessen of het speelkwartier had afgenomen. Regelmatig moesten wij onder het afdak van de speelplaats het zilverpapier gaan afbranden. De opbrengst van het rest ´zilver´  was bestemd voor de ´Missie´. Tijdens deze klus verhuisden de stripboekjes van ´Dick Bos´ uit de andere kist van eigenaar...!

GODSDIENST
Gedurende de jaren op de basisschool kregen we wekelijks onderricht van kapelaan Friederichs. Zijn donderpreken stonden wijd en zijd bekend. Als men het huiswerk niet kende nam hij geen blad voor de mond. Ook deelde hij rake klappen uit. Vóór zijn lesuur werden op de speelplaats de catechismus nog eens goed doorgenomen. Maar het was moeilijk om aan zijn strenge normen te voldoen

De school was een groot gebouw; in het midden een brede hal. Aan weerszijden van de hal bevonden zich de klaslokalen. Via een brede trap, overloop en twee zijwaartse trappen kwam men op de bovenliggende verdieping. In het midden van de overloop stond een levensgroot Mariabeeld. Hiernaast stonden twee vergulde kandelaars met versierde kaarsen. In de Mariamaand namen we bloemen mee van thuis. Hiermee werden de traptreden vol gelegd. Alle klassen verzamelden zich in de hal, waarna de kaarsen werden aangestoken. Afwisselend werd gebeden en gezongen; en toen werden we braaf…!

MIDDAGPAUZE
Tijdens de middagpauze werd er een stevige partij gevoetbald in de straat. Echter niet op vrijdag, dan was er weekmarkt. Dan gingen we eerder naar school om maar niets van de markt te missen. Het was een lust om bij de koopmannen fruit te bietsen, of wat ze terzijde hadden geschoven omdat het enigszins verrot was. Het slechte stuk beten we er dan uit en zo kwamen we aan de vitaminen.

AANDACHT
Ik schreeuwde om aandacht. Tijdens ruzie op het schoolplein had ik een bloedneus opgelopen. Huilend liep ik naar huis. Onderweg zei een oudere dame: "Ocherm, heeft de meester jou geslagen?"  Deze opmerking nam ik voor waar aan en vertelde thuis dit verzonnen verhaal. Met deze leugen om bestwil kreeg ik wel de verlangde aandacht. Echter na de aangifte op het politiebureau kwam natuurlijk het berouw na de zonde. Dit is me vaak verweten....!

VERKEERSBRIGADIER
Op de markt moesten we de kinderen veilig over loodsen. In het begin hield een politieagent toezicht of we het wel goed deden. Toen hij later zijn duim opstak voelde wij ons apetrots. Echter nadat hij verdwenen was, keken we vaker naar boze mensen die hun middelvinger opstaken als we plotseling de stopbordjes omhoog deden...!

In het Hollandia theater werkte een leuke tweeling; ´s avonds wezen ze plaatsen aan en liepen in het donker voorop met hun zaklampen. Overdag deden ze het onderhoud. Terwijl we de leerlingen veilig naar de overkant brachten, keken we toch ook stiekem naar die mooie benen als die passeerden.

SCHOOLBEL
Na het dagelijks speelkwartier werden wij door middel van de schoolbel tot de orde geroepen. Meestal werd het lieverdje van de klas hiertoe aangewezen. Deze stond dan driftig met de koperen schoolbel te zwaaien. Helaas werd ik nooit aangewezen. Op een keer hadden we ons weer in rijen verzameld met ons gezicht richting schoolmuur. De hoofdonderwijzer sprak ons heel streng toe: "Vanaf morgen gaat er een claxon; eerste signaal verzamelen, tweede signaal mondjes dicht, derde signaal rustig naar jullie klassen. De bel wordt niet meer gebruikt." Mijn hoerageroep werd niet in dank aangenomen; sterker nog de meester werd heel driftig en stuurde mij naar huis: "Je hoeft niet meer terug te komen...!"

OVERGANGSFASE
Ontdaan liep ik naar huis. Vader ging naar school om te informeren wat ik uitgevreten had. De meester gaf toe impulsief gehandeld te hebben doordat de klas uit een aantal rebellen bestond. Echter over het algemeen deed ik wel mijn best, mocht de volgende dag weer terugkomen. Overgangsfase naar LTS: allerlei vervelende karweitjes. Stond dan voor de ramen van de lagere klassen gekke bekken te trekken.

 

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door schupp om 00:00 Reageer op dit bericht

4.2 LTS

De ambachtsschool was gelegen aan het ´Old Hickoryplein´ in Kerkrade. Het plein is genoemd naar de 30e infanterie divisie 'Old Hickory' van het XIX korps van het 9e Amerikaanse leger. Dit legeronderdeel bevrijdde Kerkrade-West op 17 september en Kerkrade-Oost op 5 oktober 1944.

EERSTE SEMESTER
September 1954 ging ik naar de ambachtsschool in opleiding voor constructiebankwerker. Maar al spoedig zou blijken dat ik verkeerd had gekozen. Het eeuwig durende vijlen aan de werkbank vond ik maar een saaie aangelegenheid. Het huiswerk interesseerde mij in mindere mate dan verwacht werd. Vriendjes op de OVS hadden geen huiswerk en speelden ongedwongen op straat.

Echter van de lessen van onze Engels leraar heb ik bijzonder veel genoten. Hij kon zo melig doen; had hierdoor de bijnaam ´Wollie´. Enkele befaamde uitdrukkingen:
"Professor huppel de pup......, leest u eens verder!"
"Dank u hoog geleerdheid, stopt u maar!"
 "Kuiken, had je maar veren, dan kon ik je plukken!"
 "Jij zit als een meelzak in de bank! Is je vader soms molenaar?"
 "Zeg vent, dit is geen drinkbak voor kamelen!"

Zo had hij nog een tiental uitdrukkingen; die hij dan ook ieder leerjaar herhaalde. Echter die leerjaren gingen aan mij voorbij. Na een aantal maanden werd vastgesteld dat ik daadwerkelijk een verkeerde keuze had gemaakt Aangezien ik wel een sterk taalgevoel had kregen mijn ouders het advies om mij naar de MULO te laten gaan. Ik zag dat (toen) niet zitten; wilde dolgraag naar de "OVS", de vakschool van het mijnbedrijf. Moeder was hier niet zo gelukkig mee, echter liet mij vrij in de keuze...!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door schupp om 00:00 Reageer op dit bericht

4.3 OVS

De OVS was een bedrijfsschool. Het doel van deze school was om jongens op te leiden voor het mijnbedrijf. Vanaf veertienjarige leeftijd kon men toegelaten worden.  De opleiding duurde drie jaar. Aantrekkelijke opleiding; geen huiswerk en een kleine vergoeding van 12 gulden per week. Dat was al een aardig zakcentje. Om die reden was de keuze dan ook snel gemaakt.

EERSTE JAAR (1955)
Op 6 januari 1955 begon ik aan de opleiding; deze was gebaseerd op het principe van de scouting. Veel aandacht voor normen en waarden, discipline, sport en natuur. Bij het hijsen van de vlag werd  steeds de OVS-wet opgedreund.

OVS-WET
Op mijn eer kan men vertrouwen.
Ik wil trouw blijven aan ouders, leiders en land.
Ik wil ridderlijk zijn.
Wat ik doe, doe ik goed.
Ik wil spaarzaam zijn.
Ik blijf opgewekt onder alle omstandigheden.
Ik wil een beschermer zijn van de natuur.
Ik wil gehoorzaam zijn zonder tegen te spreken.

VAKANTIE
Mijn vakantie in 1955 bij opa en oma van der Linden in Maassluis op de Zuiddijk 68. Een grote familie met 14 kinderen. Aanvankelijk woonden zij in de Sandelijnstraat; een smalle straat met kleine woningen. Via een steegje kwam men uit aan de Zuidvliet. Enkele jaren na de oorlog kochten zij een huis op de Zuiddijk. Via de voorzijde had men een ruime blik over de lager gelegen woningen. De tuin aan de achterzijde lag eveneens op een lager niveau. In de kamer was een soort muurkast en via een steile trap kwam men in de werkkeuken en de daarachter gelegen tuin. In de tuin stonden een aantal konijnenhokken; regelmatig reed opa op zijn bakfiets om groenvoer te plukken of hout te sprokkelen. Vaak stond er konijnenbout op tafel. Ook niet te vergeten de bergen aardappelen die geschild moesten worden om al die hongerige monden te voeden.

Wie van neven of nichtjes herkent het niet: "Rijstepap met zelfgemaakte bessensap. Maar ook het lekkere witbrood besmeerd met echte boter en rietsuikerstroop." Heerlijk, jammie jammie.Tijdens deze vakantiemaand kwam neef Karel uit Den Haag, in de weekeinden op bezoek. Samen aan het havenhoofd keken we naar de zeeschepen die voorbijkwamen. Mijmerden over de verre zeereizen van onze opa.

Wij speelden tikkertje met kinderen uit de Sandelijnstraat. Een van de meisjes trok mijn bijzondere aandacht. Het was een knappe verschijning en ik probeerde regelmatig haar aandacht te trekken door haar aan te tikken. Zij was een nichtje van mijn moeder. In latere jaren was Feija Moerman enige tijd werkzaam als serveerster in een kroeg aan het havenhoofd van Maassluis.

TWEEDE JAAR (1956)
Het tweede jaar gingen we eerst één dag per week werken in diverse bovengrondse afdelingen. Dit werd opgevoerd tot drie maal per week. In colonne marcheerden de jongens van de school ´Beerenbos´ naar het Mijnbedrijf aan de ´Nieuwstraat´. Deze tocht van ongeveer 2½ km ging via een landweg dwars door de weilanden en akkers van de abdij.

STEMPELS LOSSEN
Bij het lossen van houten stempels uit spoorwagons hielden we onderling wedstrijd wie de meeste stempels kon dragen. Door ex-ondergrondse mijnwerkers werden de stempels op maat gezaagd, in kolenwagens geladen en ondergrond afgevoerd. Ex-ondergrondse mijnwerkers hadden reeds stoflongen opgelopen; werden bovengronds geplaatst en deden lichte werkzaamheden. Zij hadden dit dan ook dubbel en dwars verdiend. Bij gelegenheid liep ik wel eens naar de afdeling waar vader inmiddels werkte, om hem te begroeten.

GRENSLIJN
Aan de Nieuwstraat stonden tientallen woningen waarin mijnwerkers woonden. Het was een grauwe staat; in het midden van de straat bevond zich een hoge afrastering. Zo werd Nederlands van het Duits grondgebied gescheiden. Regelmatig waren er patrouilles van Nederlandse Douaniers of Duitse Tolbeambten om het smokkelen te voorkomen. Uiteraard was de grenslijn niet van toepassing voor het ondergronds mijnbedrijf. Het concessiegebied liep tot ver in Duitsland.

DAKPANNEN
Door het bouwbedrijf van de mijn werden van de woningen de dakpannen vervangen. Door de school werden enkelen van ons uitbesteed om dakpannen van een vrachtwagen te lossen om ze hierna aan de dakdekkers aan te reiken. Met drie man stonden we verdeeld op de ladder; de pannen werden onderling doorgegeven. Ik stond bovenaan en elke keer als ik de dakdekker een aantal pannen aanreikte zei deze: "Dank je wel..., dank je wel..., dank je wel"!

STEENAFVAL
Nabij de school was een onmetelijke steenberg. Jaar na jaar was het steenafval aangevoerd dat uit de kolen was geschift. Door de vele mijnverzakkingen werd dit gesteente nu teruggewonnen. Door een grijper werd het gesteente op een transportband gestort; naar een breekinstallatie getransporteerd en vervolgens ondergronds afgevoerd. De pijlers die inmiddels afgebouwd waren, werden nu door middel van een enorme hoogdrukmachine en pijpenstelsel, met water en gruis dicht gespoten.

KOFFIE
Laurens (D), zat achter de kraanmachinist in een soort vliegtuigstoel. Elke keer als de machinist de grijper had gevuld en deze boven het transportband had gedraaid, moest Laurens aan een koord trekken waardoor de grijper zich opende. Het leek ons erg leuk en we benijdde hem.

Daar men reeds geruime tijd met de afgraving bezig was, had zich een tiental meters hoger een soort steen gletsjer gevormd. Plotseling begon de steenmassa te schuiven. De kraanmachinist zag dit, sprong uit de kraan en riep: "De berg komt omlaag". Laurens schrok, maar kon niet meer op tijd uit de kraan komen.

De machinist rende terug naar de kraan en greep naar de koffiekan die naast de voorstoel stond. Laurens aan zijn lot overlatend rende hij wederom weg. Even later werd de kraan door de steenmassa grotendeels bedolven. Nu was er niemand meer die Laurens benijdde. Met man en macht werd gewerkt om hem te bevrijden; hetgeen na een tiental minuten lukte. Nadat Laurens van de schrik was bekomen werd hartelijk gelachen om de machinist, die zijn koffiekan boven alles stelde. Vaker werd deze dan ook geplaagd met: "Koffie.....koffie.....!"

DERDE JAAR (1956)
Het derde jaar gingen we eerst één dag per week ondergronds. Dit werd opgevoerd tot drie maal per week. Vooraf hadden wij een excursie waarbij oudere mijnwerkers ons in de maling namen. Om stoer te doen naar de jongere opleidingsgroepen hadden we ons goed zwart gemaakt. In een opbouwende frequentie was men vertrouwd geraakt met ondergrondse en bovengrondse werkzaamheden. Vervolgens ging men op de leeftijd van minimaal 17½ jaar in vast dienstverband ondergronds in de functie van sleper. Afhankelijk van prestatie werd je bevorderd tot hulphouwer. Uiteindelijk werd je via verdere opleiding bevorderd tot houwer. Uiteraard scheelde dat een behoorlijke duit in het loonzakje.

Hoe vind je dit bericht? 9 stemmen
Geschreven door schupp om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

5.0 WONEN

Opgroeien in eenvoudige omgeving. Geen materiële rijkdom; wel grote sociale saamhorigheid. Burenhulp heel normaal. Er werd gelachen en gehuild; maar ook gezongen. Normen en waarden vanzelfsprekend.

INHOUD
5.1 DE WIJK
5.2 BUURTGENOTEN
5.3 JONGENS
5.4 MEISJES
5.5 ZOMER
5.6 WINTER
5.7 KERMIS
5.8 CARNAVAL
5.9 TRADITIES

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door schupp om 00:00 Reageer op dit bericht

5.1 DE WIJK

De wijk was omgeven met weilanden, boomgaarden, akkers en korenvelden. In een weiland, langs een beukenhaag, bevond zich een drinkput voor het vee. Vaak liepen wij achter de koeien aan of omgekeerd. In de boomgaarden waren wij te vinden als het fruit rijp was. De boer zat dan ook vaker met de hooivork achter ons aan. Aardappelen rapen (zuumeren); traditie en een gunst. Als de boer de akker machinaal gerooid had mochten wij het land op; zakken vol. We koesteren onze herinneringen; ieder op eigen wijze. Wie herkent het niet; onze kinderjaren. Lekker ravotten, klimmen in de bomen, springen over een sloot, voetballen, dansen in de regen of rommelen met een stokje in een waterpoel.

KLEINE WERELD
Wij leefden in een kleine wereld; iedereen kende elkaar. Lief en leed werd samen gedeeld. Door huwelijk, verhuizingen of anderszins zijn vele vrienden en vriendinnen aan het oog onttrokken. Desondanks maken zij een groot deel uit van belevingen op jeugdige leeftijd. Met weemoed denk ik terug aan die kleine wereld; intussen is er veel veranderd. Het was met name die oude vertrouwde omgeving die zo'n diepe indruk achterliet. Helaas; het gezellige straatbeeld met de sociale cultuur van weleer is niet meer. De ziel is verloren geraakt. Ach, wat woar ´t vruier sjun in ós kollenie...!

KOESTRAAT
Door het centrum van de wijk liep de Koestraat; in de volksmond ´Kouwstats´. Dit was de naam van een eertijds nabij de hoek Koestraat en Erensteinerstraat gelegen hoeve, waarvan de naam op de hele buurtschap is overgegaan. De ingang van de hoeve lag aan de Erensteinerstaat. In 1771 komt de naam voor als 'Koyestaert'  en in 1783 als 'Kuhstatz'. Op 12 december 1919 werd de naamgeving 'Koestraat'.

NASSAUTRAAT
De  straat is genoemd naar het huis van Oranje Nassau. Tijdens de bezetting had zij van 1942 tot 1944 de naam Sweelinckstraat. Na het kruispunt Koestraat en Erensteinerstraat ging de straat over in de een kort stuk Nassaustraat. Aan de linkerkant drie- en aan de rechterkant vijf huizen. In het tweede huis met nummer zes, woonde mijn Peettante Marie (H). Deze straat eindigde bij de weilanden waar de koeien stonden te grazen. Als de koeien het weiland hadden afgegraasd, werd door de boer de poort open gezet en de koeien via de Nassaustraat en Erensteinerstraat naar een lager gelegen weiland gedreven. Her en der verspreid lagen dan de koeienvlaaien. Tussen het weiland en een boomgaard liep een smal paadje. Verliefde stelletjes stonden vaak in het In het zogeheten ´Strontpaadje´ te scharrelen. Naamgeving: 28 juni 1922 (van verlenging: 28 april 1950).

ERENSTEINERVELD
Het bouwrijp maken van het Erensteinerveld was een grote verstoring van onze leef en droomwereld. Bulldozers reden heen en weer om grond te verplaatsen. Het paadje werd de nieuwe Nassaustraat. Her en der verspreid lagen de betonnen rioleringsbuizen. Nadat wij aan deze nieuwe situatie gewend waren, bleek het toch een verruiming te zijn van onze speelwereld.

ERENSTEINERSTRAAT
Genoemd naar het in de nabijheid gelegen kasteel Erenstein. Vóór 1363 is dit stein (versterkt stenen huis) in het bezit gekomen van de adellijke familie Van Ederen, die zich voortaan Van Ederenstein noemde. De naam ging over op het kasteel en werd verkort tot Erenstein. Van ca. 1900 tot 1975 werd het meestal Oud-Erenstein genoemd, waarbij het voorvoegsel Oud- diende ter betere onderscheiding van de hoeve Nieuw-Erenstein. Aan deze straat lag eertijds de boerderij Kouwsjtats (Koestraat). Naamgeving: de naam bestaat van oudsher.

CLAUSSTRAAT
Genoemd naar prins Claus, geboren in 1926 te Dötzingen (D) als jonkheer van Amsberg. Op 10 maart 1966 huwde hij te Amsterdam met prinses Beatrix. Van 1919 tot 1982 heette deze straat Prins Hendrikstraat. Naamgeving: 28 februari 1982.

Naburige straten, genoemd naar andere leden van het Koninklijk Huis zijn: Emmastraat, Prinses Beatrixstraat, Prinses Irenestraat, Prinses Margrietstraat, Prinses Marijkestraat, Julianastraat, Prins Bernhardstraat en Wilhelminastraat. Verder liggen nog in de buurt: Koningsweg, Koninginnestraat, Oranjeplein en Oranjestraat.

WIJKFEEST (1975)
Drie weduwen die het langst in de Koestraat en omgeving woonden legden de eerste steen: 1921 Stichting van deze woonwijk, 1975 vernieuwing van deze woonwijk.

Met vaardige hand werd in 1975 de eerste steen gelegd van de nieuwbouw in de te renoveren wijk Koestraat, Nassaustraat. Erensteinerstraat, Emmastraat. Het ceremonieel werd verricht door de dames Hundscheidt-Schupp, Wienen-Stevens en Wnuck-van Ewijk. Zij waren  het langst onafgebroken woonachtig in genoemde wijk.

In totaal werden ter plaatse 73 woningen gesloopt waarvoor 83 nieuwe woningwetwoningen in de plaats kwamen. De eerste steenlegging waarvoor alle betrokken bewoners waren uitgenodigd, vormde de eerste aanzet voor een wijkfeest dat in een feesttent werd gehouden om de bewoners bij de wijkvernieuwing te betrekken.

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door schupp om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Mijn Levensboek / René Schupp

↑ Terug naar de berichten