achter-kleinkinderen

alle drie
damian-janella
damian
Dylan-janella
Dylan-janella
dylan
janella
janella
Dit zijn de kleinkinderen van onze dochter.
Wat gaat de tijd toch hard.
Ik ben dus alweer overgrootmoeder.
Rika
achter-kleinkinderen
alle drie
damian-janella
damian
Dylan-janella
Dylan-janella
dylan
janella
janella
Dit zijn de kleinkinderen van onze dochter.
Wat gaat de tijd toch hard.
Ik ben dus alweer overgrootmoeder.
Rika
kerst dagopvang
kerst
samen babbelen
samen prutsen
ook ik mocht meedoen
gezellig koffie drinken
even uitrusten
inpakken en naar huis>
Een heel gezellige middag bij de dagopvang.
Rika
Piggelmee
|
In het land der blonde duinen |
't Waren heel, heel kleine mensjes En ze woonden - vrees'lijk lot, Want ze hadden heel geen huisje - In een oude keulse pot. |
![]() |
|
| Voor de zon en voor de regen - Nooddruft had hun dat geleerd - Hadden zij die stenen pot met d' Opening naar de grond gekeerd. |
Toen een gat er in geslagen, Klein, maar groot genoeg toch voor Hun zo kleine dwergenlijfjes En daar kropen zij dan dóór. <? |
||
| 't Vrouwtje zorgde voor het eten Maar.... dat eten moest er zijn, "t Ventje ging dus daag'lijks jagen Schoot een haasje of konijn. |
Met een heel, heel klein geweertje, Dat gaf niet zoo'n grooten klap En dan ging hij op zijn klompjes, Met zijn konijntje vlug op stap. |
||
| Zo nu wist dat dwergenpaartje Zich te schikken in zijn lot En zij leefden vele jaren In hun omgekeerden pot. |
Toen, wie had dat kunnen denken? 't Onverwachte komt altijd, Door een onverwachte tijding Werd hun hart door hoop verblijd. |
||
| Op een mooie zomermorgen Lazen z' in de "Dwergenkrant" Dat er was .... een "tovervischje" Komen zwemmen naar het strand. |
't Vischje dat, met staart en vinnen Vlug zich door de golven sloeg Kon je alles, alles geven, als je 't hem maar need'rig vroeg. |
||
| Doodstil werd het op dien morgen In den ouden keulschen pot, Want de beide dwergjes dachten Aan hun droef en arm'lijk lot. |
...Need'rig vragen...alles krijgen... Alles en... zij hadden niets. ..'n Vischje, dat..zoo mooi kon toov'ren.. Toov'ren?..."manlief, zei je iets?" |
||
| "Ik?-Neen"-"Zou je.. manlief..durf je Niet eens naar dat vischje gaan?" "Vrouwtje lief, dat doe ik zeker, Vóór je 't zei, dacht ik er aan." |
"En,... wat wou je hem dan vragen, Als je heusch dat vischje sprak?" "...'t Allereerst, dunkt mij, een huisje Met schoorsteen en dak," |
||
| "n Huisje, ècht, een heuschlijk huisje? Durf je dat te vragen man? Zoo een huisje met een deurtje Waar je echt in wonen kan. |
Ik, nog éénmaal in een huisje! Mensch? wie had dat ooit beleefd," En haar kleine oogjes glimmen Van de vóórpret die ze heeft. |
||
| En... Des morgens in de vroegte 's And'rendaags ging Piggelmee, Klossend op zijn kleine klompjes Door de duinen naar de zee. |
"Vischje!" riep hij reeds van verre Met zijn handjes voor den mond, "Vischje", kan ik je eens spreken, Zwem je hier in d'omtrek rond? |
||
| En toen klonk er plots als antwoord Uit de verre, wijde zee, Zacht en zilver stemgeluidje: "Riep je, ventje piggelmee?" |
"Ja ik! Ja IK!" riep het ventje En hij trilde van genot; "Vischje, och geeft mij een huisje, 'k Woon maar in een steenen pot." |
||
| Ga maar! Ga maar! riep het vischje 'Geven kost mij niemandal, Ga maar gauw naar huis m'n ventje, Want je huisje staat er al." |
En... vergetend te bedanken Liep het dwergje, dol van pret Naar.. zijn pot, waar die stond, was Nu een huisje neêrgezet. |
||
| Uit één van de vele raampjes Riep zijn vrouwtje, o! zoo blij, "Piggelmee! wat zeg je dáár van? Kijk eens hier, hier wonen wij." |
Piggelmee zag met verbazing Nu zijn keurig huisje staan En hij wilde door het deurtje Als een heertje binnen gaan. |
||
| Maar zijn vrouwtje kwam naar buiten "t Huisje is wel aardig, maar 't Zou je binnen niet bevallen, Want het is nog lang niet klaar." |
"Je moet daad'lijk op je klompjes Nog eens naar de zee gaan, man, Want een huisje zonder meubels, Kijk, wat hebben wij daar an!" |
||
| "Vraag het vischje een paar stoelen En een tafel en een bed, En... gordijnen voor de raampjes, Want dat staat zoo keurig net. |
En nog meer, wat wou ik zeggen, Ja zoo véél nog, ga maar vast Er moet nog een spiegel wezen En ook nog een linnenkast." |
||
| Vrolijk fluitend, op zijn klompjes, Ging het dwergje Piggelmee Weer naar't strand en riep van verre: "Vischje! Vischje! in de zee!" |
Onbeweeg'lijk bleef de verte, Niets te zien in zee en lucht, Dan een eenzaam strandpluviertje, Dat zijn heil zocht in de vlucht. |
||
| Toen kwam weer dat stemgeluidje, Zilverzacht uit verre zee: "Riep je nu weer m'n baasje? Riep je, dwergje Piggelmee?" |
"Ja ik!" riep verheugd het dwergje, "'k Dank je voor het huisje wel, Maar ik wou zoovéél nog hebben, Meubels en gordijnenstel." |
||
| "Ga maar! Ga maar!" riep het vischje, "'t Geven kost mij niemendal, Ga maar gauw naar huis m'n ventje, Want je meubels staan er al." |
Toen het dwergje thuis kwam, vond hij Druk zijn vrouwtje in de weer Met het boenen van de meubels En zij sprak als d'eersten keer: |
||
| "Man, je moet nog weer terug gaan, Want het vischje is zoo goed, Vraag voor mij wat mooie kleêren, En een mantel en een hoed. |
Voor je zelf een flink paar schoenen Want, zooals je zelf wel ziet, Met die klompjes aan je voeten Pas je in ons huisje niet. |
||
| En....ofschoon hij nu wat moe werd Ging het dwergje Piggelmee, Klossend op zijn kleine klompjes Wéér naar 't vischje in de zee. |
Gaarne liep hij door de duinen Maar het werd hem nu wat saai, Boven hem vloog hoog een zeemeeuw, Vóór hem een Vlaamsche gaai. |
||
| "Vischje!" riep hij reeds van verre, "'k Zou't niet wagen weer zoo gauw En zoovéél te komen vragen, Maar ik moet wel voor mijn vrouw. |
Kijk, ze wil wat kleêren hebben En een mantel en een hoed, En voor mij een flink paar schoenen, "'t Vischje," zegt zij, "is zoo goed" |
||
| "Ga maar!" riep opnieuw het vischje "Och! ik kén de vrouwtjes wel, Je zult thuis reeds alles vinden Ga maar heen en loop maar snel." |
En het dwergje thuis gekomen Vond zijn zijn vrouwtje reeds gekleed, Zich bekijkend in den spiegel En ze sprak:...."Het doet mij leed" |
||
| "Piggelmee, je moet teruggaan, Want ik kan met goed fatsoen, Nu niet uitgaan, als ik weg ben Wie zal hier den boel dan doen? |
Ga het vischje nu nog zeggen. Dat ik niet meer heb den tijd Om te boenen en te koken, Dat ik hebben moet een meid." |
||
| Piggelmee keek nu zijn vrouwtje Voor het eerst gramstorig aan, Maar hij durfde niets te zeggen En... enfin... hij zou maar gaan. |
Onderweg dacht hij nog telkens Aan zijn stulpje van weleer En... dat hij het nu zoo goed had, Maar... hij floot geen liedje meer. |
||
| "Vischje!" riep hij reeds van verre "Vischje, vischje, in de zee!!" "Roep je weêr?" vroeg nu het vischje "Roep je, dwergje Piggelmee?" |
"Ja ik!" riep beklemd het ventje "Och! mijn vrouw heeft nu geen tijd Om haar huisje schoon te houden Zegt ze, en.... ze vraagt een meid." |
||
| 't Vischje gaf niet daad'lijk antwoord, 't Was als of het even dacht, Maar toen klonk wéér 't stemgeluidje: "Dwerg dat heb ik wel verwacht." |
"Ga naar huis, je zult er vinden Alles netjes aan den kant En een meisje vlug en helder, Ook een uit het dwergenland." |
||
| Piggelmee, vermoeid van 't loopen Ging naar huis, zijn vrouwtje was Ook zoo even thuis gekomen, Maar niet bijster in haar sas. |
"Piggelmee, je moet teruggaan, Daad'lijk, 'k ben er op gesteld, Onderweg wou ik wat koopen, 't Was zoo mooi, maar.. 'k had geen geld." |
||
| Ga het vischje nu nog vragen, Om wat geld, een vollen zak, 'k Moet toch ook de meid betalen, Dáárna, neem je je gemak." |
't Ventje ging met loome schreden Nog een keer naar 't vischje heen, 't Was intussen laat geworden, 't Strand lag éénzaam en alléén. |
||
| Voor zijn voeten sloop een wezel Azend op een duinkonijn, En het ventje schrikte even, Want och! hij was zelf zoo klein. |
"Vischje!" riep hij reeds van verre "Vischje, vischje, in de zee!!" "Riep je?" klonk het nu weer vroolijk, "Riep je? vriendje Piggelmee?" |
||
| "Ja ik!" riep verruimd het ventje, "Ja! mijn vrouwtje stuurt mij weer, want zij moet de meid betalen En wat koopen en zoo meer." |
"In ons huisje is nu alles Wat gemak en vreugde biedt, Zegt mijn vrouwtje, maar dat ééne, Geld zegt zij, dat heeft ze niet." |
||
| "Ga maar!" riep nu plots het vischje, 't Geven kost mij niemendal, Daar had ik om moeten denken, Ga naar huis, het is er al." |
't Vischje ging nu naar de diepte, 't Ventje ging naar huis, 't werd nacht, ....In het aardig dwergenhuisje, Was een zak vol geld gebracht. |
||
| Lange tijd was 't heel gezellig, En Piggelmee die was veel thuis. Maar zijn vrouw nu, werd ontevreden, ontevreden over haar nieuwe huis. |
"Ga, naar 't vischje" sprak het vrouwtje, 'k wil wonen in een kasteel, Als een adelijke dame, En luisteren naar muziek van-minnestreel. |
||
| Zo ging ons ventje schoorvoetend, Naar het vischje van de zee, "Vischje, vischje" riep hij in de golven, "Vischje, vischje" riep hij naar beneé. |
Het vischje kwam weer boven, Vroeg'an Piggelmee wat 't nu weer was?, "De vrouw wil deftiger wonen, Met een kasteel is ze in heur sas." |
||
| Je wensen zijn vervuld heer Piggelmee, Het betekent voor mij niet veel, "Ga naar nu snel naar huis toe, Je zult aanschouwen je vrouw in heur kasteel |
Rap ging nu ons dwergje huiswaarts, door de duinen, reeds zag hij van verre, De machtige torens van het kasteel Met daken blinkend als de sterre. |
||
| Maar helaas, wat is op aarde Blijvend, ook tevredenheid Wijkt zoo vaak voor nieuwe wenschen Wordt verdrongen door den tijd. |
Op een morgen sprak het vrouwtje, "Het gaat niet naar mijn zin, Ga naar het gulle vischje, Adelijke dame zijn is mij te min." |
||
| "Zeg hem dat ik wil regeren, Als een koningin heel machtig, Dat de mensen voor me buigen, Dat vind ik pas prachtig!" |
Wederom moest hij gaan lopen, Ons vriendje Piggelmee, Weer een wandeling maken, Naar het vischje in de zee. |
||
| En aan vischje voor z'n vrouw, Een gunst gaan vragen. Ze was steeds ontevreden, Schijnbaar alle dagen. |
Weer liep Piggelmee door het duin, Kwam bij de zee weer aan, En wilde nu het vischje roepen, Zijn vraag voorzichtig stellen gaan |
||
| Nu werd plotseling het water Vlak nabij een rimp'lig vlak, Waar het glazend toovervischje, 't Zilv'ren snuitje bóven stak. |
Ditmaal was 't zilveren vischje, Piggelmee 's vragen voor, Stuurde hem naar zijn ontevreden vrouw, Die regeerde, en zich krabde achter heur oor! |
||
| Zóó...'t is vele maanden later Zien we vriendje Piggelmee Daag'lijks weer zijn wand'ling maken Naar het vischje in de zee. |
Dan een "dit" en dán een "datje" Altijd was het voor zijn vrouw En altijd als hij terugkwam, Had vriend Piggelmee berouw. |
||
| Eéns, het was zoo koud dien morgen, Moest onze arme Piggelmee, Hij wou juist wat langer slapen, Toch naar 't vischje, toch naar zee. |
De vrouw wilde heersen over aarde, Over oceaanen en de diepten der zee, Wilde het vischje als bediende, Zij vond het een machtig idee. |
||
| Piggelmee stampte met z'n voeten, Hij durfde niets te zeggen, En moest met tegenzin toch gaan, En 't vischje deze vraag voorleggen |
En... het kraagje van zijn jasje, Voor de koude hóóg nu dicht, Gong het arme Piggelmeetje Naar de zee, met bang gezicht. |
| "Vischje, Vischje," klonk het angstig, Over 't water als een kreet. "Vischje," 'k moet je weêr wat vragen En dat doet nu echt mij leed. |
"Vischje, ik wou heusch niet komen, Want ik dacht wel, dat wordt mis, Wederom is het mij vrouw, Die nu wel zéér ontevreden is. |
||
| Plots'ling kwam er op het water Nu een breede rimpelkring, Wijl het anders kalme vischje Nu heel boos aan 't spart'len ging. |
En zijn antwoord klonk heel driftig Als uit dicht geschroefde keel: "Dwerg, ga daad'lijk naar je vrouw toe Zeg haar dit: zij eischt te veel," |
||
| Zeg haar, dat ik haar zal straffen, 't Spijt mij wel voor jou m'n vrind, Ga naar huis en ga eens kijken Hoe je dáár den toestand vindt." |
Langzaam aan verdween de rimpel Die op 't water zichtbaar was, 't Vischje dook en... als een spiegel Werd de wijde waterplas. |
||
| Piggelmee stond nog te kijken Toen, in 't naad'rend avonduur Ver in zee de zon ging zinken Als een bol van laaiend vuur. |
Diep verslagen ging hij henen, Angstig nu voor dreigend leed, Hoog in 't blauw verdween een reiger Met een aak'lig schorren kreet |
||
| Sloffend liep hij door de duinen En zijn schoentjes wogen meer Dan hem ooit zijn klompjes wogen In de dagen van weleer. |
Toen hij meende, dat hij thuis was Keek hij als beteuterd rond, Want de keulsche pot stond dáár weer, Waar zoo straks het kasteel nog stond. |
||
| En zijn vrouwtje zat te huilen "Piggelmee, wat vrees'lijk lot, Weer, nu weêr te moeten wonen In dien ouden keulschen pot |
![]() |
zwavelstokjes

Zwavelstokjes.
Tijdens kerstmis lag een meisje
te kleumen in de wintersneeuw.
Het gebeurde lang geleden,
zeker langer dan een eeuw.
Zij warmde zich aan zwavelstokjes
in die ijzig koude nacht.
Droomde van een prachtig kerstfeest,
niemand die toen aan haar dacht.
Ook nu zwerven er nog kinderen.
Zwavelstokjes verkopen ze niet,
maar ze zijn net zo ontredderd,
vaak verteerd door zwaar verdriet.
Handel volgens de kerstgedachte.
Wees barmhartig, wees kordaat.
Schenk een gedeelte van uw rijkdom
aan deze kinderen van de straat
Ik wens u warme dagen toe.
Rika
Vandaag

houten figuren
Bevriend
Wees bevriend met kleine dingen
met een mooie bloem die bloeit
met de vogeltjes die zingen
met het vlindertje dat stoeit.
Met de heldere regendruppels
met de warme zonneschijn
Wees bevriend met kleine dingen
en je zal gelukkig zijn

Taal der ogen.
Slechts de taal der ogen,
Uit het ziekenhuis.
Onverwachts werd ik opgenomen in het ziekenhuis.
vogels
![]() |
De tuinfluiter is een zangvogel.
Tuinfluiters komen tijdens het
broedseizoen in grote delen
van Noord- en Midden-Europa
voor, waaronder in Nederland
en België. Over het algemeen
kan men ze in die
landen waarnemen vanaf mei.
![]() |
Volwassen koolmezen zijn circa
14 centimeter groot
hebben een spanwijdte van 22,5-25,5 centimeter
en een gewicht van ongeveer 20 gram.
De koolmees heeft een zwarte kruin,
witte wangvlekken, een gele borst en
daarop overlangs een zwarte band.
Mannetjes zijn te herkennen aan de
duidelijk bredere zwarte band
![]() |
![]() |
herfst
![]() |
Een vallend blad
wordt door de wind
de weg gewezen
naar beneden .
zwaan
Dromerig zie ik haar gaan,
Die schone, zelfbewuste witte zwaan.
Alsof ze mijn gedachten voedt.
Daar in die stille late avondgloed.
auteur onbekend.
tweede blog
IJsvogel
IJsvogel met je verentooi
blauw en oranje
kleurrijk
fris en mooi.
wereld
De wereld rond.
We zouden meer moeten
genieten
Van de mooie dingen
in het leven
Want behalve spullen
en geld
Heeft het zoveel
moois te geven.
De zon die iedere dag
weer schijnt
De maan die na de
nacht verdwijnt
De bloemen die bloeien
in het gras
De regen die valt
in een waterplas.
Dus maak van iedere
dag iets moois
En geniet met volle teugen
van het leven
Kijk goed naar de wereld
om je heen
Want het heeft zoveel
moois te geven.
gedicht-volmaakt
Zomaar een zaterdag!
uit de oude doos!
Uitdrukkingen van diverse auteurs:
Je kunt de problemen in je
leven niet
oplossen met dezelfde
soort gedachten als die waarmee je
de problemen
in je leven hebt geroepen.
Niet het gebrek aan liefde,
maar het gebrek aan vriendschap
maakt ongelukkige huwelijken.
Het verschil tussen jonge en oude mensen is,
dat oude mensen
weten wat het is om jong te zijn, maar
jonge mensen niet
weten wat het is om oud te zijn.
Het geluk vermenigvuldigt zich
slechts wanneer je het
met iemand deelt.
Het is geen kunst om oud te worden,
het is een kunst
ermee te leven.
grappig

Het leven geeft je altijd terug wat jij erin brengt,
het is geen toeval,
maar een spiegel van jouw eigen handelingen.
Vergeven

Boos?
In een hart vol met boosheid
is geen plaats meer voor geluk,
en de schijnbare overwinningen,
maken telkens maar meer stuk.
De angel van wraak steekt ook jezelf
en vreet je langzaam op van binnen,
je blijft maar leven in het verleden,
kunt niet opnieuw beginnen.
Vergeven doe je voor jezelf,
want als je met liefde wilt leven,
dan kun je jezelf bevrijden,
door de ander oprecht te vergeven.
Hein Pragt
3 reacties op dit bericht
Lieve groetjes lieverd
die stralen wanneer je ze ziet
Met zo'n goedheid van binnen
dat vind je bij zo velen niet
Die bloemen van mensen
gaan niet aan jou voorbij
Nikki
Lieve groetjes lieverd
besef dat wij ervaren hebben,i
in geen enkel opzicht door de manier waarop
de toekomst haar beloften houden
Nikki
Achter-kleinkinderen
Wat een leuke foto's, wat worden ze toch groot. Het zijn heerlijke kinderen.
XXX Sylvia